ECLI:NL:TGZRAMS:2026:243 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9386
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:243 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-10-2026 |
| Datum publicatie: | 16-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9386 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klachten tegen een tandarts deels verjaard, gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond. Klager verwijt de tandarts onder meer onzorgvuldige uitvoering van twee wortelkanaalbehandelingen, onvoldoende gerichte beeldvorming bij recidiverende klachten, onjuiste diagnostiek bij pijnklachten, het niet tijdig onderkennen van een abces zichtbaar op de röntgenfoto’s, het onterecht doorverwijzen voor extractie van de verstandskiezen en onzorgvuldige omgang met vertrouwelijke patiëntgegevens. Het college concludeert dat de tandarts tekort is geschoten in de dossiervoering en de diagnostiek van klager met langdurige klachten. Aan de tandarts wordt een waarschuwing opgelegd. |
A2025/9386
Beslissing van 16 oktober 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 16 oktober 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
tandarts,
destijds werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de tandarts,
gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 In de periode 2011 tot 2020 is klager onder behandeling geweest bij de tandarts.
Klager
verwijt de tandarts kort gezegd dat de tandarts de wortelkanaalbehandelingen, uitgevoerd
in 2011 en
in 2012, niet goed heeft uitgevoerd en dat de tandarts in de periode daarna niet
aan hem de zorg
heeft verleend die een redelijk bekwaam en redelijk handelend tandarts had behoren
te verlenen,
gelet op de aanhoudende (hoofd)pijnklachten die klager ervaarde. Daarnaast verwijt
klager de
tandarts dat hij zijn dossierplicht heeft geschonden en dat hij onzorgvuldig heeft
gehandeld door
het patiëntendossier van klager onbeveiligd naar klager op te (laten) sturen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de de klacht gedeeltelijk gegrond is en
legt hiervoor
een waarschuwing op. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen.
Daarna licht
het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 2 december 2025;
- het verweerschrift met bijlagen;
- het proces-verbaal van het op 4 mei 2026 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- het aanvullende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 12 mei 2026;
- het bericht van de zijde van verweerder met bijlage, ontvangen op 24 augustus
2026.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 4 september 2026. De partijen
zijn
verschenen. De tandarts werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook werd de tandarts
bijgestaan door
een tolk. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Aan de zijde
van de tandarts
zijn spreekaantekeningen voorgelezen en aan het college en aan klager overhandigd.
3. De feiten
3.1 Verweerder is als tandarts in de periode 2010 tot en met 2023 (mede-)eigenaar
geweest van de
praktijk D in B. Klager was in de periode 2011 tot 2020 onder behandeling bij de
tandarts. In 2011
heeft de tandarts een wortelkanaalbehandeling uitgevoerd aan element 37. De pijn
waarmee klager
zich voorafgaand aan de wortelkanaalbehandeling presenteerde kwam kort na de
wortelkanaalbehandeling weer terug. In 2012 werd (daarom) een tweede wortelkanaalbehandeling
uitgevoerd, aan element 26.
3.2 Klager bleef lasthouden van aanhoudende (hoofd)pijnklachten en is hiervoor en
voor de
halfjaarlijkse controles meerdere malen op consult geweest bij de tandarts. Klager
is in 2020
overgestapt naar een andere tandartspraktijk. Daar kreeg klager (naar eigen zeggen
voor het eerst)
te horen dat hij twee abcessen in zijn mond had op de plekken waar de wortelkanaalbehandelingen
in
2011 en 2012 waren uitgevoerd. De nieuwe tandarts heeft geprobeerd de kiezen te
behouden, maar
uiteindelijk zijn de kiezen verwijderd.
4. De klacht en de reactie van de tandarts
4.1 Klager verwijt de tandarts dat hij niet heeft gehandeld zoals van een redelijk
bekwaam en
redelijk handelend tandarts mag worden verwacht. Meer specifiek verwijt klager de
tandarts dat hij:
a) de twee wortelkanaalbehandelingen in 2011 en in 2012 onzorgvuldig heeft uitgevoerd;
b) onvoldoende heeft gedaan aan gerichte beeldvorming bij recidiverende klachten;
c) onjuiste diagnostiek heeft gehanteerd bij aanhoudende pijnklachten, inclusief
het niet tijdig
onderkennen van een abces dat zichtbaar was op de röntgenfoto’s;
d) een röntgenfoto die een wortelkanaalbehandeling moest beoordelen inadequaat heeft
gemaakt,
waardoor niet kon worden beoordeeld of de behandeling geslaagd was;
e) ongefundeerd medische conclusies heeft getrokken;
f) onbevoegd/onbekwaam dan wel onterecht antibiotica heeft voorgeschreven bij een
vermoeden van een
neusholteontsteking;
g) klager onterecht heeft doorverwezen voor extractie van zijn verstandskiezen;
h) een onprofessionele opmerking heeft gemaakt/onprofessioneel heeft gereageerd
toen klager
doorverwijzing voor een extractie van zijn verstandskiezen weigerde;
i) heeft nagelaten een adequate verwijzing of herbeoordeling te doen, ondanks aanhoudende
klachten
over meerdere jaren;
j) de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO)heeft geschonden door niet transparant
te
documenteren;
k) de WGBO heeft geschonden door onvoorzichting om te gaan met vertrouwelijke patiëntgegevens.
4.2 De tandarts heeft het college verzocht de klager deels niet-ontvankelijk te
verklaren en de
klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor zover de klachtonderdelen zien op
gebeurtenissen
die binnen de verjaringstermijn hebben plaatsgevonden, heeft de tandarts het college
verzocht de
klacht ongegrond te verklaren. Daarnaast heeft de tandarts verzocht geen maatregel
op te leggen als
de klacht wel gegrond wordt verklaard, omdat de gebeurtenissen waarover wordt geklaagd
al zoveel
jaar geleden hebben plaatsgevonden.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 In artikel 65 lid 5 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet
BIG) is bepaald
dat de bevoegdheid tot het indienen van een klaagschrift, door verjaring vervalt
na tien jaar. De
termijn begint te lopen op de dag na de dag van het handelen of nalaten waar de
klacht op ziet. De
achtergrond van deze regel is dat het na meer dan tien jaar moeilijk is om nog vast
te stellen wat
er precies is gebeurd. Ook vindt de wetgever het niet redelijk dat een zorgverlener
meer dan tien
jaar later nog ter verantwoording kan worden geroepen voor een volgens een klager
gemaakte fout.
5.2 De verwijten van klager zien op de tandheelkundige zorg in de periode 2011 tot
2020. Gelet op
de datum waarop de klacht is ontvangen, 2 december 2025, kan alleen het handelen
van de tandarts
vanaf 2 december 2015 worden beoordeeld. De klacht is dus verjaard en daardoor niet-ontvankelijk
voor zover die ziet op het handelen of nalaten dat heeft plaatsgevonden vóór 2 december
2015. Het
college zal alleen de klacht voor zover deze ziet op het handelen of nalaten vanaf
2 december 2015
hierna inhoudelijk bespreken.
De criteria voor de beoordeling
5.3 De vraag is of de tandarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de tandarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat
een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een
tuchtrechtelijk
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
Het patiëntendossier bij het verweerschrift vormt het uitgangspunt voor de beoordeling
5.4 Het patiëntendossier dat door klager bij het klaagschrift is gevoegd en het
patiëntendossier
dat door de tandarts met het verweerschrift is meegestuurd, zijn niet aan elkaar
gelijk. Het
college gaat uit van het patiëntendossier dat als bijlage 1 bij het verweerschrift
is gevoegd. De
tandarts heeft namelijk voldoende toegelicht en onderbouwd dat het verschil tussen
beide dossiers is ontstaan doordat enige tijd geleden in de praktijk een
conversie van het oude patiënteninformatiesysteem naar een ander systeem heeft plaatsgevonden.
Bij
deze conversie is niet het volledige patiëntendossier overgegaan. Het patiëntendossier
bij het
verweerschrift is een afschrift van de back-up versie van het oude systeem.
Klachtonderdeel a) onjuiste uitvoering van de twee wortelkanaalbehandelingen
5.5 De wortelkanaalbehandelingen zijn in 2011 en in 2012 uitgevoerd. Gelet op overweging
5.1 en
5.2, is dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel b) en d) onvoldoende gerichte beeldvorming bij recidiverende klachten
en het
inadequaat maken van een röntgenfoto na de wortelkanaalbehandeling, waardoor de
geslaagdheid
hiervan niet kon worden vastgesteld
5.6 Het college ziet aanleiding om de klachten b) en d) gezamenlijk te behandelen.
Klager verwijt
de tandarts dat hij in de periode na de wortelkanaalbehandelingen niet voldoende
gerichte foto’s
heeft gemaakt om te onderzoeken waar de aanhoudende (hoofd)pijnklachten vandaan
kwamen. Daarnaast
verwijt klager de tandarts dat de foto’s die de tandarts heeft gemaakt ongeschikt
zijn voor de
beoordeling van de geslaagdheid van de wortelkanaalbehandeling.
5.7 Het klachtonderdeel dat gaat over de beoordeling van de geslaagdheid van de
wortelkanaalbehandelingen in 2011 en 2012, ziet op beeldvorming die gemaakt is voor
2 december
2015. Het ligt voor de hand dat de geslaagdheid van een wortelkanaalbehandeling
(als hieraan
getwijfeld wordt) in de periode na de behandeling plaatsvindt en niet pas jaren
later als daar geen
directe aanleiding voor bestaat. Dit klachtonderdeel is, gelet op overweging 5.1
en 5.2
niet-ontvankelijk. Dit geldt ook voor het overige deel van de klacht voor zover
die ziet op de
periode voor 2 december 2015. Voor de periode daarna volgt hieronder de inhoudelijke
beoordeling
van dat onderdeel van de klacht.
5.8 Ten aanzien van de klacht over de beeldvorming op of na 2 december 2015, overweegt
het
college als volgt. Uit het patiëntendossier volgt dat op 4 februari 2016 en op 7
oktober 2017
beeldvormend materiaal is gemaakt. Op 4 februari 2016 is een orthopantogram (OPG)
gemaakt (hierna:
foto 6). De indicatie hiervoor was een doorkomende verstandskies. Op 5 en 21 januari
is namelijk in
het patiëntendossier genoteerd dat klager last heeft van een tand die doorkomt en
tegen een andere
tand aandrukt. De tandarts heeft na bestudering van de foto in het dossier opgeschreven
dat bij
element 37 een parodontitis apicalis te zien is, dat deze onder controle moet worden
gehouden en
dat hij een wortelpuntresectie voorstelt. Op 3 maart 2016 heeft de tandarts genoteerd
dat klager
deze behandeling niet wil. De tandarts heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht
dat hij
geen afzonderlijk beeld van element 37 heeft gemaakt, omdat klager geen behandeling
van element 37
wilde en aanvullend beeldmateriaal op dat moment (dus) niet nodig was. Als klager
de behandeling
van element 37 niet had geweigerd, zou hij dit wel hebben gedaan, aldus de tandarts.
Op 7 oktober
2017 heeft de tandarts een röntgenfoto van element 26 genomen (hierna: foto 7) waarop
ook bij dat element een ontsteking te
zien is. De tandarts noteert hierover in het patiëntendossier dat de patiënt de
behandelopties
weigert en dat de patiënt de tand graag wil behouden. De tandarts schrijft vervolgens
alleen een
antibioticakuur voor.
5.9 Op basis hiervan komt het college tot het oordeel dat de tandarts voor wat betreft
dit
klachtonderdeel niet onzorgvuldig heeft gehandeld. De conclusie van de tandarts
op basis van foto 6
en 7 was dat er een ontsteking zat bij spectievelijk element 37 en 26, wat de pijn
van klager zou
kunnen verklaren. Omdat klager hiervoor niet behandeld wilde worden is terecht geen
aanvullend
beeldmateriaal gemaakt. Hier bestond immers geen indicatie voor. Dit deel van klachtonderdelen
b)
en d) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel c) onjuiste diagnostiek bij aanhoudende pijnklachten
5.10 Klager verwijt de tandarts dat hij de oorzaak van de pijnklachten onjuist
heeft
gediagnosticeerd en niet op tijd heeft ontdekt dat er een abces zichtbaar was op
de röntgenfoto’s.
Voor zover de klacht ziet op de periode voor 2 december 2015 is deze, gelet op overweging
5.1 en
5.2, niet-ontvankelijk. Voor de periode daarna volgt hieronder de inhoudelijke beoordeling
van de
klacht.
5.11 Voor dit klachtonderdeel gaat het college uit van foto 6 en 7. Het college oordeelt
dat de
abcessen duidelijk te zien zijn. Zowel uit dat wat de tandarts tijdens de mondelinge
behandeling
heeft verteld als uit het patiëntendossier volgt dat de tandarts de ontstekingen
ook heeft
geconstateerd:
“04-02-16 | 37 | och | onder controle houden Porodontitis apicalis uitleeg en volg.=>
wpr af inpl”
en
“07-10-17 | 26 | och | onder controle houden uitleg. Wpr of exp pat.wilt ert AB
en afw. Pat. Will
kiez behouden”
5.12 Daarnaast maakt het college uit het patiëntendossier op dat de tandarts naar
aanleiding van
dat wat hij op de foto’s zag alleen een wortelpuntresectie als behandeling voorstelde.
Een
differentiaaldiagnose ontbreekt in het dossier. Dat geldt ook voor de verslaglegging
van intra
oraal onderzoek, hetgeen gebruikelijk is na het diagnosticeren van een parodontitis
apicalis. Er is
bijvoorbeeld nergens een herendo als behandelalternatief genoemd. De tandarts had
wel andere
behandelopties moeten bespreken, zeker nu klager dergelijke langdurige klachten
had. Door dit niet
te doen, heeft de tandarts op dit punt niet gehandeld zoals van een redelijk handelend
tandarts mag
worden verwacht. Dit deel van dit klachtonderdeel is daarom gegrond.
Klachtonderdeel e) het ongefundeerd trekken van medische conclusies
5.13 Klager verwijt de tandarts dat hij elke keer andere oorzaken voor zijn klachten
te horen
kreeg. Klager geeft in zijn klaagschrift niet specifiek aan op welke momenten deze
klacht ziet. Uit
hetgeen besproken is tijdens het mondeling vooronderzoek maakt het college op dat
klager voor deze
klacht in ieder geval doelt op consulten van vóór 2 december 2015. Zo heeft klager
tijdens het
mondeling vooronderzoek genoemd: het aanmeten van een knarsbitje op 15 augustus
2015 en het moment
dat de tandarts zei dat de klachten door de beugel kwamen, op 8 april 2015. Zoals
in overweging 5.1
en 5.2 is overwogen, is de klacht voor zover de klacht ziet op de periode voor 2
december 2015
verjaard en daarom niet-ontvankelijk.
5.14 Wat betreft de periode vanaf 2 december 2015 oordeelt het college dat in het
dossier geen
aanknopingspunten te vinden zijn om te kunnen oordelen dat de tandarts ongefundeerd
medische
conclusies heeft getrokken. Dit deel van dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel f) onbevoegd/onbekwaam of onterecht voorschrijven van antibiotica
5.15 Klager verwijt de tandarts dat hij op 7 oktober 2017 een antibioticakuur voorschreef,
omdat
de tandarts het vermoeden zou hebben gehad dat de (aanhoudende) pijnklachten van
klager veroorzaakt
werden door een neusholteontsteking. Volgens klager was de tandarts niet bevoegd
en/of niet bekwaam
om de antibiotica voor te schrijven en anders heeft de tandarts de antibiotica onterecht
voorgeschreven.
5.16 Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft de vooronderzoeker klager laten weten
dat
tandartsen wel degelijk bevoegd en bekwaam zijn om antibiotica voor te schrijven.
Het college
onderschrijft dit. De tandarts heeft antibiotica voorgeschreven, omdat het de wens
van klager was
om zonder invasieve ingrepen van de pijn af te komen. Een wortelpuntresectie of
het trekken van de
kies was dus voor klager geen optie. Daarom koos de tandarts voor het voorschrijven
van een
antibioticakuur als behandeling van de pijnklachten. Gelet op deze omstandigheden
oordeelt het
college dat de tandarts op dit punt niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel
is
daarom ongegrond.
Klachtonderdeel g) en h) het onterecht doorverwijzen voor extractie van de verstandskiezen
en de
onprofessionele reactie van de tandarts op de weigering hiervan door klager
5.17 Het college ziet aanleiding om de klachten g) en h) gezamenlijk te behandelen.
Klager verwijt
de tandarts dat de hij hem heeft doorverwezen voor extractie van zijn verstandskiezen
zonder dat
hiervoor een indicatie bestond. Daarnaast betoogt klager dat de tandarts onprofessioneel
reageerde
toen klager aangaf dat hij geen extractie van zijn verstandskiezen wilde. De tandarts
zou hebben
gezegd:
“Tja, als je niet van jouw probleem af wil komen moet je het zelf weten. Maar als
je dit zo laat,
ga je binnenkort vanzelf meemaken wat echt pijn is.”
De tandarts ontkent dergelijke uitlatingen te hebben gedaan.
5.18 In tuchtrechtelijke procedures waarbij de lezingen van partijen over de feitelijke
gang van
zaken uiteenlopen, waarvan in dit geval sprake is, kan de klacht in beginsel slechts
gegrond worden
bevonden als er objectieve aanknopingspunten zijn die de lezing van klager ondersteunen.
In deze
zaak ontbreken dergelijke aanknopingspunten. Er zijn juist aanknopingspunten te
vinden die het
verwijt van klager tegenspreken. In het patiëntendossier is namelijk niets terug
te vinden dat erop
wijst dat de tandarts klager wilde doorverwijzen voor extractie van de verstandskiezen.
Bovendien
heeft de tandarts tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij zelf bevoegd
en bekwaam is
om deze ingreep uit te voeren. Een doorverwijzing zou dus niet nodig zijn geweest
als het
behandeladvies inderdaad extractie van de verstandskiezen zou zijn geweest. Het
college oordeelt
daarom dat deze klachtenonderdelen ongegrond zijn.
Klachtonderdeel i) nagelaten een adequate verwijzing of herbeoordeling te doen
5.19 Klager verwijt de tandarts dat deze de pijnklachten niet heeft herbeoordeeld
en hem niet
heeft doorverwezen voor behandeling, terwijl klager gedurende meerdere jaren aanhoudende
pijnklachten had. Zoals in overweging 5.1 en 5.2 is overwogen, is de klacht voor
zover deze ziet op
de periode voor 2 december 2015 verjaard en daarom niet-ontvankelijk. Voor de periode
daarna volgt
hieronder de inhoudelijke beoordeling van de klacht.
5.20 Het college oordeelt dat in februari 2016 en oktober 2017 onderzoek is gedaan
naar de oorzaak
van de pijnklachten (zie overweging 5.9 tot en met 5.11) op basis waarvan de tandarts
de conclusie
heeft getrokken dat sprake is van parodontitis apicalis. Daarmee is de oorzaak van
de pijnklachten
op dat moment voldoende herbeoordeeld en voor de periode voor 2 december 2015 verwijst
het college
naar hetgeen in r.o. 5.7 is opgenomen. Daarnaast ziet het college geen aanwijzingen
in het dossier
op basis waarvan de tandarts klager had moeten doorverwijzen. Dit deel van dit klachtonderdeel
is
daarom ongegrond.
Klachtonderdeel j) nagelaten transparant te documenteren
5.21 Klager verwijt de tandarts dat het patiëntendossier ondermaats is bijgehouden.
Zo kan klager
de gedachtegang van de tandarts niet teruglezen in het dossier; de reden waarom
een bepaalde
behandeling moet worden uitgevoerd en dat de voor- en nadelen hiervan met klager
besproken zijn.
Ook mist klager concrete diagnostiek. Dit is klager opgevallen toen hij naar een
nieuwe tandarts
overstapte en zijn patiëntendossier bij de tandarts heeft opgevraagd. Zijn patiëntendossier
bij de
nieuwe tandarts is uitgebreider.
5.22 De tandarts is het hier niet mee eens. Hoewel de dossiervoering summier is,
valt uit het
dossier wel de gang van zaken te reconstureren en is deze daarmee niet ondermaats,
aldus de
tandarts. Daarnaast is de dossiervoering volgens de tandarts bedoeld voor een ervaren
lezer.
5.23 Zoals in overweging 5.1 en 5.2 is overwogen, is de klacht voor zover deze ziet
op de periode
voor 2 december 2015 verjaard en daarom niet-ontvankelijk. Voor de periode daarna
volgt hieronder
de inhoudelijke beoordeling van de klacht.
5.24 Het college oordeelt dat de tandarts voor wat betreft de verslaglegging van
de röntgenfoto’s
niet aan zijn dossierplicht heeft voldaan. Het college mist structureel een verslaglegging
van de
gemaakte röntenfoto’s. De tandarts constateert een röntgenologische afwijking en
beschrijft
vervolgens niet of er sprake is van bijpassende klinische ontstekingssymptomen en
of er een
verandering is ten aanzien van oudere röntgendiagnostiek. De tandarts biedt alleen
behandelopties
aan na het maken van de röntgenfoto’s. De rest van de dossiervoering is summier,
maar voldoet aan
de dossierplicht. Dit klachtonderdeel is daarom gedeeltelijk gegrond.
Klachtonderdeel k) het onvoorzichtig omgaan met vertrouwelijke patiëntgegevens
5.25 Klager verwijt de tandarts dat hij zijn patiëntendossier onbeveiligd via e-mail
opgestuurd
heeft gekregen. Klager vroeg zijn patiëntendossier op in 2020 toen hij overstapte
naar een andere
tandarts. De tandarts verweert zich door aan te voeren dat er destijds een protocol
voor het
versturen van vertrouwelijke informatie aanwezig was in de praktijk waarin stond
dat de informatie
beveiligd moest worden verstuurd. De tandarts heeft er geen verklaring voor dat
de baliemedewerker,
die het patiëntendossier van klager verstuurd heeft, het protocol niet heeft gevolgd.
Wel heeft
tijdens het telefoongesprek waarin klager om zijn patiëntendossier vroeg, verificatie
van zijn
e-mailadres plaatsgevonden.
5.26 Het college oordeelt dat het voldoende is dat er volgens de tandarts wel een
protocol
aanwezig was en dat het de gangbare praktijk was om vertrouwelijke informatie beveiligd
te
versturen. De informatie is bovendien naar het juiste e-mailadres gestuurd. Dat
de tandarts het
protocol niet meer kon opsturen – omdat hij inmiddels in Z werkt en niet meer in
de praktijk in B
werkzaam is – doet niets af aan dit oordeel. Daarnaast oordeelt het college dat
het onbeveiligd
versturen door een medewerker van de beklaagde niet een dusdanig ernstig gebrek
is in de
praktijkvoering dat hier tuchtrechtelijke verwijtbaarheid uit volgt. Een praktijkhouder
kan niet
voor elke fout van een medewerker persoonlijk verantwoordelijk worden gehouden.1
Het college
oordeelt daarom dat dit klachtonderdeel ongegrond is.
Slotsom
5.27 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen c), en j) gedeeltelijk
gegrond zijn
en dat de andere klachtonderdelen ongegrond dan wel niet-ontvankelijk zijn.
Maatregel: waarschuwing
5.28 Uit het voorgaande volgt dat de tandarts verwijtbaar heeft gehandeld door
onvoldoende
diagnostiek uit te voeren bij een patiënt als klager met dergelijke langdurige klachten.
Daarnaast
heeft de tandarts niet voldaan aan zijn dossierplicht voor wat betreft de verslaglegging
van de röntgenfoto’s. Het college hecht veel waarde aan de verplichting om een
volledige dossiervoering te hanteren. Het college zal de tandarts daarom de maatregel
van een
waarschuwing opleggen. Dat de klacht ziet op gebeurtenissen die jaren geleden hebben
plaatsgevonden
is (in dit geval) geen reden om het opleggen van een maatregel achterwege te laten.
Daarvoor is dat
wat de tandarts kan worden verweten te ernstig.
Publicatie
5.29 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere tandartsen mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie
zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare
gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klager ontvankelijk voor zover de klachtonderdelen betrekking hebben
op de periode
vanaf 2 december 2015;
- verklaart klachtonderdeel c) en j) gedeeltelijk gegrond;
- legt de tandarts de maatregel op van een waarschuwing;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften NT/DENTZ en Dentista Magazine.
Deze beslissing is gegeven door J.J. Dijk, voorzitter, E.M. Deen, lid-jurist, H.W.
Luk, R.J.
Overmars en J. te Poel, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.M. Tan, secretaris,
en in
het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2026.