ECLI:NL:TGZRAMS:2026:242 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9117

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:242
Datum uitspraak: 13-10-2026
Datum publicatie: 13-10-2026
Zaaknummer(s): A2025/9117
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Tussen klaagster en haar leidinggevende was een arbeidsconflict ontstaan. Uiteindelijk is de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever ontbonden. Klaagster verwijt de bedrijfsarts onder meer dat zij onvoldoende tegenwicht heeft geboden tegen de druk die de werkgever op klaagster uitoefende. Het kan de bedrijfsarts niet worden verweten dat de werkgever de adviezen van de bedrijfsarts niet heeft opgevolgd. Ook de overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

A2025/9117
Beslissing van 13 oktober 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 13 oktober 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: mr. B.D.W. Martens, werkzaam te Den Haag

tegen

C,
bedrijfsarts,
destijds werkzaam te D,
verweerster, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. M.J.J. de Ridder, werkzaam te Utrecht

1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster bezocht het preventieve spreekuur van de bedrijfsarts nadat zij een berisping had gekregen van haar leidinggevende. Tussen klaagster en haar leidinggevende ontstond een arbeidsconflict. De bedrijfsarts heeft een gesprek geadviseerd tussen klaagster en haar leidinggevende in het bijzijn van een onafhankelijk derde. Daarnaast heeft de bedrijfsarts geadviseerd om klaagster op een andere afdeling te laten werken. Beide adviezen zijn niet opgevolgd door de werkgever. Uiteindelijk is de arbeidsovereenkomst tussen klaagster en haar werkgever op verzoek van de werkgever ontbonden. Klaagster maakt de bedrijfsarts meerdere verwijten, waaronder dat de bedrijfsarts onvoldoende tegenwicht heeft geboden tegen de druk die de werkgever op klaagster uitoefende.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 14 oktober 2025;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de aanvullende stukken van de zijde van klaagster, ontvangen op 24 februari 2026;
- het proces-verbaal van het op 3 maart 2026 gehouden mondelinge vooronderzoek met daaraan gehecht de beschikking van het gerechtshof E d.d. 20 januari 2026, overgelegd door de gemachtigde van de bedrijfsarts;
- de brief van de gemachtigde van klaagster van 12 augustus 2026, binnengekomen op 17 augustus 2026, met bijlagen.

2.2
De zaak is behandeld op de openbare zitting van 1 september 2026. Partijen zijn verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. Partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van de bedrijfsarts heeft pleitaantekeningen voorgedragen en aan het college en de andere partij overhandigd.

3. De feiten
3.1 Klaagster was gedurende 25 jaar werkzaam bij F (hierna te noemen: ‘de werkgever’), laatstelijk in de functie van gate agent.

3.2 Op 6 april 2023 bezocht klaagster het preventieve spreekuur van de bedrijfsarts bij arbodienst G, in verband met een berisping die klaagster had gekregen van haar leidinggevende. Op 27 maart 2023 had de leidinggevende een e-mail aan klaagster gestuurd waarin zij benoemde dat er sprake was van een ernstig conflict tussen klaagster en haar persoon en stelde zij mediation voor. Volgens klaagster was sprake van pestgedrag door haar leidinggevende. Klaagster wilde geen mediation, omdat dit volgens haar zonder meer een ‘exit mediation’ zou betreffen. De bedrijfsarts heeft klaagster tijdens het spreekuur geadviseerd om een bedrijfsmaatschappelijk werker in te schakelen.

3.3 Klaagster heeft zich vervolgens aangemeld bij het bedrijfsmaatschappelijk werk. Op 24 april 2023 heeft klaagster zich ziekgemeld. Op 25 april 2023 heeft klaagster het verzuimspreekuur van de bedrijfsarts bezocht en liet zij de bedrijfsarts weten dat op 26 april 2023 de intake bij het bedrijfsmaatschappelijk werk zou plaatsvinden. In haar terugkoppeling van dit spreekuur adviseerde de bedrijfsarts een time out. Daarnaast adviseerde de bedrijfsarts om een gesprek tussen de werkgever en klaagster in het bijzijn van een onafhankelijke derde te laten plaatsvinden.

3.4 Tussen de ziekmelding op 24 april 2023 en 4 december 2023 is er geen contact tussen de werkgever en klaagster geweest, maar vonden wel meerdere spreekuren bij de bedrijfsarts plaats. Op laatstgenoemde datum achtte de bedrijfsarts klaagster belastbaar voor aangepast werk, enkele uren per week. Vanwege het arbeidsconflict adviseerde de bedrijfsarts om eerst gesprekken te voeren en het conflict op te lossen. Zodra voor beide partijen een werkbare situatie zou ontstaan, kon worden gestart met de re-integratie.

3.5 In haar advies van 27 december 2023 heeft de bedrijfsarts dit advies herhaald en hierbij aangegeven dat, indien het niet mogelijk was om het conflict tussen partijen op te lossen door onderling in gesprek te gaan, het advies was om dit gesprek te laten plaatsvinden in het bijzijn van een onafhankelijk derde. De werkgever heeft dit advies niet opgevolgd.

3.6 Na meerdere eerdere spreekuren bij de bedrijfsarts volgde op 22 mei 2024 opnieuw een spreekuur. Naar dit spreekuur nam klaagster een vriend mee. Zij vertelde de bedrijfsarts dat het steeds beter met haar ging en dat zij geen klachten meer ondervond. De bedrijfsarts heeft doorgevraagd en klaagster gaf aan dat zij alles weer kon. Zij zei dat zij haar werkzaamheden weer kon hervatten, maar dat zij wel nog opzag tegen het vroege opstaan in geval van vroege diensten. De bedrijfsarts noteerde naar aanleiding van dit spreekuur onder meer het volgende: “Gaat steeds beter met werknemer. (…) Werknemer geeft aan: geen klachten. Geeft aan dat ze thuis alles kan. Is helemaal helder. [naam] (groepscommissie) is bij het gesprek aanwezig. Er moet een werkbare, veilige situatie zijn voor beide partijen, geen sprake meer van ziekte. Nog wel bij voorkeur geen vroege en zeer vroege diensten.”

3.7 Op 23 mei 2024 heeft de toenmalige gemachtigde van klaagster de werkgever verzocht hem te bevestigen dat werkneemster (klaagster) in de gelegenheid werd gesteld haar eigen werkzaamheden als gate agent weer uit te oefenen.

3.8 Naar aanleiding van een daaropvolgend met klaagster gehouden spreekuur van 3 juli 2024 noteerde de bedrijfsarts: “Werknemer wil second opinion: er is wel sprake van ziekte. (…) Werknemer is het niet eens met mijn opmerking dat er geen sprake is van ziekte. Geeft aan dat ze klachten heeft: kan niet slapen, paniekaanvallen etc. Heeft behandeling geïntensiveerd. Als ik aangeef dat ze bij het vorige consult herhaaldelijk aangegeven heeft, ook na doorvragen van mijn kant, dat ze thuis alles weer doet en geen klachten meer heeft, dat ze zich toen niet vrij voelde om te spreken omdat er iemand van de groescommissie [naam] bij was. Zij had deze persoon zelf meegevraagd. Ik heb aangegeven dat ik ervan uitga dat werknemers eerlijk antwoord geven op mijn vragen. Dat beaamt ze.”

3.9 Op 17 juli 2024 heeft de bedrijfsarts op verzoek van klaagster de stukken uit het dossier aan een second opinion-arts toegestuurd. Op 14 augustus 2024 heeft deze arts zijn second opinion-advies aan de bedrijfsarts gestuurd.

3.10 Op 20 augustus 2024 heeft klaagster contact opgenomen met het secretariaat van G voor het maken van een afspraak met de bedrijfsarts. Er werd een afspraak ingepland voor 24 september 2024. Op 4 september 2024 nam klaagster weer contact op met het secretariaat en vroeg zij of de afspraak van 24 september 2024 kon worden vervroegd vanwege het feit dat op die dag de zitting zou plaatsvinden in de door haar werkgever gestarte procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met klaagster. Dit verzoek van klaagster bereikte ook de bedrijfsarts en de bedrijfsarts heeft het secretariaat gevraagd om na te gaan of een eerdere afspraak mogelijk was. Dit was niet het geval.


3.11 Klaagster heeft de afspraak van 24 september 2024 vervolgens afgezegd, waarna een nieuwe afspraak werd ingepland op 16 oktober 2024. Tijdens dit spreekuur is het second opinion-advies met klaagster besproken.

3.12 Op 23 september 2024 ontving klaagster het door haar op 5 augustus 2024 aangevraagde deskundigenoordeel. Volgens dit deskundigenoordeel kon klaagster haar eigen werk op 22 mei 2024 inderdaad niet doen.

3.13 Bij beschikking van 20 november 2024 heeft de rechtbank E de arbeidsovereenkomst tussen klaagster en haar werkgever ontbonden. Nadat klaagster tegen deze beschikking hoger beroep had ingesteld, heeft het gerechtshof E de ontbinding bekrachtigd.

4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij:
a) in de terugkoppeling van 22 mei 2024 ten onrechte heeft aangegeven dat geen sprake meer zou zijn van ziekte en arbeidsongeschiktheid;
b) niet binnen een redelijke termijn aan klaagster heeft laten weten of de bedrijfsarts het second opinion-advies geheel, gedeeltelijk of niet zou overnemen;
c) geen inzetbaarheidsprofiel (IZP) heeft opgesteld en geen arbeidsdeskundige bij het verzuim heeft betrokken om de re-integratiemogelijkheden te onderzoeken;
d) de STECR werkwijzer niet correct en volledig heeft gevolgd;
e) onvoldoende tegenwicht tegen de werkgever (onder meer bij de bemiddeling) heeft geboden;
f) te summiere terugkoppelingen heeft gegeven;
g) onjuiste gegevens in het dossier heeft opgenomen.

4.2 De bedrijfsarts heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar klacht en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de bedrijfsarts het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 De bedrijfsarts heeft haar beroep op niet-ontvankelijkheid niet toegelicht. Het college ziet geen gronden om klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht te verklaren en zal de klacht daarom verder inhoudelijk bespreken.

De criteria voor de beoordeling

5.2 De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) ten onrechte teruggekoppeld: geen sprake van ziekte en arbeidsongeschiktheid?

5.3 Klaagster meent dat de bedrijfsarts onzorgvuldig is geweest doordat zij in de terugkoppeling heeft aangegeven dat geen sprake meer zou zijn van ziekte en dat klaagster niet meer arbeidsongeschikt was. Klaagster verwijst naar de second opinion en het deskundigenoordeel waaruit blijkt dat klaagster haar eigen werk niet kon doen. Op basis van de onzorgvuldige conclusie van de bedrijfsarts dat geen sprake was van ziekte, heeft de werkgever klaagster vervolgens vrijgesteld van werk en later een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter ingediend, aldus klaagster.

5.4 De bedrijfsarts stelt zich op het standpunt dat zij mocht afgaan op de mededelingen die klaagster zelf tijdens het consult van 22 mei 2024 had gedaan en dat in de terugkoppeling niet is volstaan met de mededeling dat geen sprake meer was van ziekte; er is immers ook teruggekoppeld dat sprake was van een arbeidsconflict en dat er voor terugkeer naar de werkplek een werkbare, veilige situatie vereist was.

5.5 Het college is met de bedrijfsarts van oordeel dat de bedrijfsarts mocht afgaan op de uitlatingen die klaagster tijdens het spreekuur van 22 mei 2024 deed. Klaagster heeft toen zelf aangegeven dat zij geen klachten meer had. Daags na het spreekuur heeft de toenmalige gemachtigde van klaagster de werkgever verzocht hem te bevestigen dat werkneemster (klaagster) in de gelegenheid zou worden gesteld haar eigen werkzaamheden als gate agent weer uit te oefenen, zo staat vermeld in de beschikking van de rechtbank E van 20 november 2024 waarbij de arbeidsovereenkomst tussen klaagster en haar werkgever werd ontbonden. Daaruit leidt het college af dat klaagster in elk geval destijds zelf van mening was dat zij haar eigen werk weer kon hervatten. Dat uit het latere deskundigenoordeel naar voren kwam dat klaagster haar werk toentertijd niet kon doen, doet daar niet aan af. De bedrijfsarts kon op basis van de mededelingen van klaagster tijdens het spreekuur van 22 mei 2024 dat zij klachtenvrij was en alles weer kon, hetgeen zij ook bij doorvragen van de bedrijfsarts volhield, in redelijkheid tot de conclusie komen dat klaagster vanuit medisch perspectief belastbaar was voor gesprekken en werk en dat aldus bij haar geen sprake meer was van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Dit klachtonderdeel is ongegrond.


Klachtonderdeel b) niet binnen redelijke termijn gereageerd op second opinion-advies

5.6 Klaagster meent dat de bedrijfsarts niet binnen een redelijke termijn op de second opinion heeft gereageerd. De second opinion-arts zond op 14 augustus zijn second opinion-advies aan de bedrijfsarts. Op 4 september 2024 heeft klaagster de bedrijfsarts verzocht om vóór 24 september 2024 te reageren, omdat op die dag de zitting zou plaatsvinden in de ontbindingsprocedure tussen klaagster en haar werkgever. De bedrijfsarts was niet eerder beschikbaar dan op de dag van de zitting. Vanwege de zitting heeft klaagster de afspraak op 14 september 2024 afgezegd en werd door het secretariaat de afspraak voor het spreekuur verzet naar 16 oktober 2024. Pas toen werd de second opinion door de bedrijfsarts met klaagster besproken en dat was te laat, aldus klaagster.

5.7 De bedrijfsarts verweert zich door er op te wijzen dat de afspraak voor het spreekuur op 24 september reeds op 20 augustus 2024 was ingepland. Toen klaagster op 4 september 2024 verzocht deze afspraak te vervroegen, was er geen ruimte meer in de agenda van de bedrijfsarts.

5.8 Ter zitting heeft de bedrijfsarts toegelicht dat haar agenda destijds overvol was. Zij was net terug van vakantie en haar agenda was volgepland met consulten, mede vanwege het feit dat zij op dat moment waarnam voor een collega met ouderschapsverlof. Zij heeft het verzoek van klaagster doorgeleid aan het secretariaat om te bezien of klaagster eerder bij haar terecht kon, maar er was geen eerdere plek in haar agenda beschikbaar, aldus verweerster.

5.9 Het college ziet het belang dat klaagster had bij een eerdere afspraak bij de bedrijfsarts vanwege de geplande zitting in de ontbindingsprocedure. Het is naar het oordeel van het college echter niet gebleken dat er sprake was van onwil aan de zijde van de bedrijfsarts. Zij heeft ter zitting toegelicht dat zij haar best heeft gedaan om de afspraak te vervroegen. Helaas liet haar agenda dat niet toe. Een tuchtrechtelijk verwijt kan haar in dit verband niet worden gemaakt. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel c) geen IZP opgesteld en geen arbeidsdeskundige betrokken om re-integratiemogelijkheden te onderzoeken
5.10 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij geen IZP heeft opgesteld en dat er door haar geen re-integratiemogelijkheden zijn geadviseerd.

5.11 De bedrijfsarts betwist dat zij niet heeft geadviseerd omtrent de re-integratiemogelijkheden van klaagster. Zo heeft zij aangegeven dat klaagster problemen had met haar eigen afdeling, maar wel elders inzetbaar was, aldus verweerster.

5.12 Het college heeft aan de hand van het dossier vastgesteld dat de bedrijfsarts wel degelijk diverse re-integratiemogelijkheden heeft geadviseerd. Op 20 maart 2024 heeft de bedrijfsarts ook ingeschat dat klaagster binnen vier tot vijf weken weer kon opbouwen naar eigen werk. Bij een verwacht voorspoedig of volledig herstel binnen afzienbare tijd hoeft een bedrijfsarts geen volledig IZP op te stellen. De inzet van een arbeidsdeskundige was evenmin nodig. Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.

Klachtonderdeel d) STECR-werkwijzer niet correct en volledig gevolgd
5.13 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij niet correct en volledig de STECR-werkwijzer heeft gevolgd toen zij besloot een time out van langere duur en een gesprek onder begeleiding van een onafhankelijke derde met klaagster aan de werkgever te adviseren. Verweerster heeft bij dat advies niet duidelijk toegelicht en gemotiveerd waarom en op welke wijze het gesprek met de werkgever had moeten worden ingekleurd. Dit heeft ertoe geleid dat de werkgever zich vrij voelde het gesprek zelf in te vullen en heeft kunnen besluiten een HR-medewerker, die klaagster eerder had berispt, bij het gesprek aanwezig te laten zijn, aldus klaagster.

5.14 Ter zitting heeft de bedrijfsarts toegelicht dat zij nog steeds achter haar adviezen staat. Klaagster was ernstig ziek en kon de spanning met haar leidinggevende/werkgever niet aan. De bedrijfsarts is bekend met de inhoud van de STECR-werkwijzer en de daarin genoemde time out van twee weken. De bedrijfsarts heeft toegelicht dat zij een time out van slechts twee weken in de gegeven omstandigheden niet verantwoord vond, omdat de kans bestond dat klaagster dan een terugval zou krijgen. De bedrijfsarts heeft met het steeds verlengen van de time out bedoeld kenbaar te maken dat klaagster nog steeds arbeidsongeschikt was wegens ziekte.

5.15 Het is het college niet gebleken dat de bedrijfsarts niet bekend was met de inhoud van de STECR-werkwijzer of dat zij deze onjuist heeft toegepast. Hoewel het beter was geweest andere bewoordingen dan ‘time out’ te kiezen voor dat wat zij beoogde te doen, te weten het inlassen van een periode van rust voor (en ter bescherming van) klaagster tot het moment dat een gesprek in het kader van het oplossen van het arbeidsconflict tot stand was gebracht, maar tuchtrechtelijk verwijtbaar acht het college dit niet. Voorts heeft het college kunnen vaststellen dat de bedrijfsarts vanwege het arbeidsconflict heeft geadviseerd om een gesprek met de werkgever aan te gaan in het bijzijn van een onafhankelijke derde. Dat de werkgever dit advies niet heeft opgevolgd, kan de bedrijfsarts niet worden verweten. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel e) onvoldoende tegenwicht tegen werkgever en bemiddeling geboden
5.16 Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij onvoldoende tegenwicht heeft geboden toen de werkgever druk op klaagster uitoefende. Ter zitting heeft klaagster toegelicht wat haar werkgever allemaal verkeerd heeft gedaan, hetgeen er volgens klaagster toe heeft geleid dat de arbeidsovereenkomst tussen klaagster en haar werkgever ten onrechte is ontbonden. Klaagster had gewild dat de bedrijfsarts haar kant had gekozen.

5.17 De bedrijfsarts wijst erop dat zij heeft geadviseerd om klaagster op een andere afdeling te laten werken, conform de wens van klaagster. De werkgever wilde hier echter niet aan meewerken, omdat klaagster al eerder van afdeling was gewisseld vanwege een conflict met een andere leidinggevende.

5.18 Het college stelt voorop dat een bedrijfsarts een onafhankelijke positie heeft, dus niet de kant van de werknemer of werkgever kan kiezen. Het is evenmin de taak van een bedrijfsarts om tussen de werkgever en de werknemer te bemiddelen. De bedrijfsarts heeft conform de wens van klaagster geadviseerd om klaagster over te plaatsen naar een andere afdeling, omdat klaagster vanwege het arbeidsconflict niet terug kon naar haar eigen afdeling zolang het conflict niet werd opgelost. Dat de werkgever dit advies niet wilde opvolgen, kan de bedrijfsarts niet worden verweten. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel f) terugkoppelingen te summier
5.19 Klaagster meent dat de terugkoppelingen te summier zijn geweest.

5.20 Volgens de bedrijfsarts voldoen de terugkoppelingen aan de daaraan te stellen eisen en ontbreekt er geen noodzakelijke informatie.

5.21 Met de bedrijfsarts is het college van oordeel dat de terugkoppelingen voldoen aan de daaraan te stellen eisen. De essentie blijkt duidelijk uit de terugkoppelingen. Het klachtonderdeel mist feitelijke grondslag en is daarmee ongegrond.

Klachtonderdeel g) onjuiste gegevens in het dossier
5.22 Volgens klaagster heeft de bedrijfsarts onjuiste gegevens in het dossier opgenomen. Zo zou de bedrijfsarts op 25 april 2023 in het dossier hebben genoteerd dat klaagster het telefoonnummer van de vertrouwenspersoon heeft, terwijl klaagster pas een jaar later, in april 2024, contact met de vertrouwenspersoon heeft opgenomen. Volgens klaagster blijkt hieruit dat de bedrijfsarts het dossier op een later moment en in strijd met de waarheid heeft aangevuld.

5.23 De bedrijfsarts ontkent het dossier op een later moment te hebben aangevuld en geeft aan dat hetgeen zij in het dossier heeft vermeld, juist is.

5.24 Het college stelt vast dat het feit dat klaagster pas in april 2024 contact heeft opgenomen met de vertrouwenspersoon, niet uitsluit dat klaagster al in april 2023 over zijn telefoonnummer beschikte. Uit niets blijkt dat de bedrijfsarts het dossier later heeft aangevuld en evenmin dat er door haar onjuiste gegevens zijn opgenomen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Slotsom

5.25 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.


Geen kostenveroordeling
5.26 Klaagster heeft verzocht de bedrijfsarts te veroordelen in de kosten die zij heeft gemaakt in deze procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Nu alle klachtonderdelen ongegrond zijn geoordeeld, wordt het verzoek tot een kostenveroordeling afgewezen.

6. De beslissing
Het college verklaart (alle onderdelen van) de klacht ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door A.J. Scheijde, voorzitter, W.S. Oostveen-Kouwenhoven, lid-jurist, E. Gorissen, R.P.J. Ansem en J.M. Hoevers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door G. Stoepker, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.