ECLI:NL:TGZRAMS:2026:241 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9066
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:241 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-10-2026 |
| Datum publicatie: | 13-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9066 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen bedrijfsarts verjaard. De te late indiening van het klaagschrift dient voor risico van klager te komen. Het college verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht. |
A2025/9066
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 13 oktober 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
bedrijfsarts,
destijds werkzaam in D,
verweerster,
gemachtigde: mr. J.M. de Vries, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Verweerster heeft met klager, in het kader van de begeleiding na zijn ziekmelding,
een gesprek gevoerd op 25 september 2015. Verweerster is door de werkgever van klager
gevraagd haar mening te geven over de situatie van klager. De klacht gaat over het
handelen van verweerster tijdens dit gesprek.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-het klaagschrift met bijlagen, gedateerd op 24 september 2026 en ontvangen op 1
oktober 2025;
-het aanvullende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 12 november 2025;
-het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 24 december 2025;
-de aanvullende stukken, ontvangen van klager op 4 februari 2026;
-het proces-verbaal van het op 10 februari 2026 gehouden mondelinge vooronderzoek;
-de aanvullende stukken, ontvangen van klager op 18 augustus 2026.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 1 september 2026. Partijen zijn verschenen. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen en de gemachtigde van verweerster hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klager heeft een pleitnotitie voorgelezen.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager was ten tijde van belang werkzaam bij E, thans ook bekend als F. F maakte,
in elk geval ten tijde hier van belang, gebruik van arbodienst G. Verweerster was
destijds werkzaam bij deze arbodienst.
3.2 Klager is op 4 mei 2015 op een spreekuur geweest bij een bedrijfsarts van G, destijds een collega van verweerster. Deze bedrijfsarts heeft genoteerd dat klager volledig arbeidsongeschikt is, ook waar het gaat om het verrichten van passende vervangende werkzaamheden. Nadat klager op 10 augustus 2015 opnieuw door deze bedrijfsarts is gezien, is genoteerd dat klager voor 50% vlieg-medisch geschikt is, kan starten met re-integratie en dit de komende tijd kan uitbouwen. Op 31 augustus 2015 is klager opnieuw door deze bedrijfsarts gezien, waarna deze noteert dat geleidelijke hervatting in eigen werk of vervangend werk gewenst is en dat toegewerkt kan worden naar volledig herstel. Het is belangrijk dat klager en zijn werkgever om tafel gaan en goede afspraken maken, aldus de bedrijfsarts.
3.3. Op 1 september 2015 heeft verweerster de taak van haar collega-bedrijfsarts overgenomen. Mede vanwege die overname en omdat F kennelijk zorgen had over de situatie van klager, heeft de werkgever verweerster gevraagd haar mening te geven over deze situatie. Verweerster wenste klager daarvoor eerst zelf te zien. Zij heeft met klager een gesprek gevoerd op 25 september 2015. De klacht gaat over het handelen van verweerster tijdens dit gesprek.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klager verwijt verweerster – zeer kort samengevat - dat zij:
a) onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat zij onduidelijk was over het doel van het
gesprek op 25 september 2015, geen (eigen) verslag heeft opgesteld van dat gesprek,
vooringenomen en niet objectief was, geen volledig professioneel advies aan de werkgever
van klager heeft gegeven en geen second opinion via het UWV heeft uitgevoerd, terwijl
vooraf aan klager was aangegeven dat dit zou gaan gebeuren;
b) onprofessioneel heeft gehandeld, omdat zij informatie bij het gesprek ter sprake
bracht en klager daarover bevroeg, zonder duidelijk te zijn over de herkomst van die
informatie. Klager heeft dit ervaren als intimiderend en onprofessioneel.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Volgens verweerster is de klacht verjaard. Voor het geval het college wel aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht zou toekomen, heeft verweerster het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Verweerster heeft naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is in de
klacht, omdat de klacht is verjaard.
5.2. Het college ging er aanvankelijk - met klager - vanuit dat klager in zijn klacht kon worden ontvangen en heeft in lijn daarmee de klacht en alle onderdelen ervan ook inhoudelijk ter zitting besproken. Mede naar aanleiding van hetgeen verweerster daarover tijdens de zitting naar voren heeft gebracht, heeft het college uiteindelijk echter geconcludeerd dat de klacht niet-ontvankelijk is, omdat deze inderdaad is verjaard. Het college licht dit oordeel hierna toe.
5.2 Volgens artikel 65, vijfde lid, van de Wet BIG vervalt de bevoegdheid tot het indienen van een klacht door verjaring in tien jaren. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het desbetreffende handelen of nalaten is geschied. Dit betreft een harde termijn waarop geen uitzonderingen mogelijk zijn. De achtergrond van deze regel is dat het na meer dan tien jaar moeilijk is om nog vast te stellen wat er precies is gebeurd. Ook vindt de wetgever het niet redelijk dat een zorgverlener meer dan tien jaar later nog met een klacht kan worden geconfronteerd.
5.3 In artikel 4 van het Reglement van orde van de Regionale Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg (hierna: Reglement) zijn de volgende regels opgenomen over de indiening van stukken:
‘Indiening van stukken
Artikel 4
(…) 2. Processtukken en bewijsstukken moeten per post worden ingediend of ingeleverd
op het op de website van de tuchtcolleges vermelde adres van het college waarvoor
het stuk is bestemd. Om binnen een gestelde termijn te blijven mag een stuk eerst
per e-mail worden toegezonden, als het originele stuk binnen twee werkdagen daarna
alsnog per post wordt ingediend. Als het stuk niet binnen die twee werkdagen is ontvangen,
wordt het geacht niet te zijn ingediend. De e-mail zelf of de daarbij bijgevoegde
stukken moeten beveiligd aan het secretariaat worden verzonden.
3. De gestempelde datum die bij ontvangst op een processtuk of een ander stuk wordt
gezet, geldt als de datum van indiening, behalve bij indiening per e-mail zoals bedoeld
in lid 2. De datum van de e-mail geldt dan als de datum van indiening. (…)’
5.4 In de toelichting op het hiervoor genoemde artikel is het volgende vermeld:
‘(…) Als belangrijke stukken niet bij de centrale balie worden ingeleverd, verdient
het aanbeveling deze tijdig per aangetekende post of per koerier te versturen, omdat
het voor risico van de afzender komt als post niet aankomt.’
5.5 In onderhavige zaak heeft klager een klacht ingediend over het handelen van
verweerster dat plaatsvond op 25 september 2015. Dit betekent dat deze klacht, om
niet te zijn verjaard, uiterlijk 25 september 2025 bij het college moest zijn ingediend.
5.6 Het college stelt vast dat het klaagschrift niet uiterlijk 25 september 2025 bij het college is ingediend. Uit de door klager overlegde informatie van PostNL blijkt dat klager het door hem op 24 september 2025 gedateerde klaagschrift diezelfde dag (aangetekend) heeft verstuurd en dat PostNL heeft geprobeerd het klaagschrift bij het college te bezorgen op 25 september om 10:02 uur. Deze bezorging is, zo vermeldt de PostNL-informatie, evenwel ‘niet gelukt’, waarna het klaagschrift op 26 september 2025 om 12:40 uur is afgeleverd bij een PostNL-punt. Daar kon het door de geadresseerde, het college, worden afgehaald. In het dossier zit echter geen afhaalbericht en klager heeft het college van de ‘afhaalmogelijkheid’ pas op 1 oktober 2025 per e-mail op de hoogte gesteld. Dat deze te late indiening voor risico van klager dient te komen, blijkt uit de toelichting op het Reglement (zie 5.4). In die toelichting is in dit verband ook vermeld dat het aanbeveling verdient post tijdig te versturen. Klager heeft echter gewacht met de indiening van zijn klaagschrift tot de allerlaatste dag van de verjaringstermijn van tien jaar, terwijl hij (zo gaf hij desgevraagd aan tijdens het mondeling vooronderzoek en tijdens de zitting) van die verjaringstermijn en het naderende einde daarvan op de hoogte was.
5.7 Het college volgt klager niet in zijn standpunt dat de datum van 25 september 2025, ondanks het voorgaande, toch als indieningsdatum heeft te gelden vanwege het feit dat hij het klaagschrift die dag om 16:51 uur eveneens per e-mail aan het college heeft verstuurd. Deze datum van 25 september 2025 geldt volgens artikel 4, tweede lid, van het Reglement slechts als indieningsdatum als binnen twee werkdagen daarna het originele klaagschrift alsnog per post door het college wordt ontvangen. In overweging 5.6 heeft het college al uitgelegd dat dat niet het geval is geweest. Het klaagschrift is uiteindelijk bij het college ingediend op 1 oktober 2025, toen klager het college op de hoogte stelde van de ‘afhaalmogelijkheid’ bij het PostNL-punt en hij het klaagschrift daarbij tegelijkertijd opnieuw indiende en per post verstuurde.
Slotsom
5.8 Het college zal de klacht niet verder inhoudelijk bespreken en beslissen dat klager niet-ontvankelijk is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.
Deze beslissing is gegeven door A.J. Scheijde, voorzitter, W.S. Oostveen-Kouwenhoven,
lid-jurist, E. Gorissen, R.P.J. Ansem en J.M. Hoevers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door G.J. Stoepker, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.