ECLI:NL:TGZRAMS:2026:240 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9396
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:240 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-10-2026 |
| Datum publicatie: | 13-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9396 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Klager verwijt de verzekeringsarts dat hij hem ten onrechte en tot schade van zijn gezondheid heeft opgedragen te hurken tijdens een lichamelijk onderzoek. Het verrichten van lichamelijk onderzoek naar de knie van klager past bij de medische informatie. Er waren geen aanwijzingen waaruit de verzekeringsarts had moeten opmaken dat hij klager niet kon vragen om te hurken. De klacht is kennelijk ongegrond. |
A2025/9396
Beslissing van 13 oktober 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 13 oktober 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
gemachtigde: C,
tegen
D,
verzekeringsarts,
destijds werkzaam in B,
verweerder,
gemachtigde: mr. E, werkzaam in F.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De verzekeringsarts heeft klager in het kader van een WIA-beoordeling lichamelijk
onderzocht, waarbij hij klager onder meer heeft gevraagd te hurken. Kort daarna bleek
de knieprothese van klager te zijn losgeraakt, waarna zijn klachten zijn verergerd.
Klager verwijt de verzekeringsarts, samengevat, dat hij hem ten onrechte en daarmee
tot schade van zijn gezondheid heeft opgedragen te hurken tijdens het lichamelijk
onderzoek.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 5 december 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 6 februari 2026;
- het aanvullende stuk, ontvangen van klager op 27 maart 2026;
- het aanvullende stuk, ontvangen van klager op 14 april 2026;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 28 april 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Verweerder is werkzaam als verzekeringsarts bij het G. Klager is op 18 april
2023 vanwege ziekte uitgevallen. Klager heeft op 9 december 2024 een knieoperatie
ondergaan, waarbij een knieprothese is geplaatst.
3.2 Nadat klager een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft een medische beoordeling plaatsgevonden door verweerder. Verweerder heeft zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 21 mei 2025. In het kader van de medische beoordeling heeft verweerder kennisgenomen van de medische informatie van de bedrijfsarts en de behandelaren van klager. Verder heeft klager op 6 mei 2025 het spreekuur van verweerder bezocht. Klager heeft verweerder toen meegedeeld dat zijn knie naar aanleiding van de operatie nog pijnlijk en opgezwollen was. Verweerder heeft vervolgens lichamelijk onderzoek bij klager verricht en hem in dit verband gevraagd te hurken. Verweerder heeft in zijn rapport van 21 mei 2025 genoteerd dat klager bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 21 mei 2025. Het UWV heeft, nadat vervolgens ook arbeidsdeskundig onderzoek was verricht, klager bij besluit van 24 juni 2025 met ingang van 15 april 2025 een WIA-uitkering toegekend. Klager heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarop het UWV ten tijde van deze uitspraak van het college nog moet beslissen.
3.3 Kort na het spreekuur bleek dat de knieprothese van klager was losgeraakt. Dat veroorzaakte veel pijn bij klager en sindsdien zijn de klachten verergerd. Klager heeft over het lichamelijk onderzoek door verweerder een klacht ingediend bij het G. Bij brief van 18 juni 2025 heeft een cliëntondersteuner namens het G op de klacht gereageerd en, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:
“Reactie op uw klacht
Het spijt mij dat u het onderzoek als vervelend heeft ervaren. Om u van dienst te
zijn, heb ik uw klachtsignaal kenbaar gemaakt bij de verzekeringsarts. Zijn reactie
hierop is als volgt:
'Heel vervelend om te horen hoe dhr. [klager] het lichamelijk onderzoek heeft ervaren,
specifiek met betrekking tot het knieonderzoek. Het is natuurlijk nooit mijn intentie
geweest om dhr. [klager] meer klachten te geven dan dat hij al heeft. Dhr. [klager]
wil graag weten waarom hij moest hurken. Voor een adequate beoordeling is het nodig
om lichamelijk onderzoek te verrichten, zoals de LISV-standaard Onderzoeksmethoden,
waar de beroepsgroep van de verzekeringsartsen zich aan dient te houden, voorschrijft.
Gedurende het onderzoek heeft client de gelegenheid om aan te geven wat hij/zij ervaart,
opdat het onderzoek zo nodig gestaakt kan worden of anders ingericht. Daarnaast wordt
aangegeven dat client geen bewegingen hoeft te forceren met het lichamelijk onderzoek,
zodat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat structuren worden overbelast. Uiteraard
verricht ik geen onderzoek dat schadelijk voor de cliënt zou zijn, het lichamelijk
onderzoek wordt namelijk lege artis uitgevoerd wat wil zeggen dat het wordt uitgevoerd
met de nodige zorgvuldigheid en op de gebruikelijke medische wijze. Uiteindelijk heeft
dhr. [klager] aan het lichamelijk onderzoek een negatieve ervaring overgehouden en
daar wil ik in ieder geval graag mijn welgemeende excuses voor aanbieden. Ik zal deze
terugkoppeling graag meenemen door hier meer alert op te zijn met toekomstige beoordelingen.
Mocht dhr. [klager] nog de behoefte hebben aan verdere toelichting, dan ben ik daarvoor
beschikbaar.”
4. De klacht en de reactie van de verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder dat hij klager ten onrechte en tot schade van zijn
gezondheid bij het lichamelijk onderzoek heeft opgedragen om te hurken.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verweerder geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden.
5.2 Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Daarvoor is van belang dat, zoals verweerder genoegzaam heeft toegelicht in het verweerschrift en in zijn reactie op de interne klacht van klager bij het G, lichamelijk onderzoek naar de knie van klager vanwege de LISV-standaard Onderzoeksmethoden was voorgeschreven. Dat verweerder lichamelijk onderzoek naar de knie van klager heeft verricht past bij de medische informatie van de behandelaren van klager en de door de verpleegkundige uitgevoerde anamnese. Uit die informatie bleek onder meer dat bij klager op dat moment sprake was van een status na totale knieprothese links. Klager kreeg twee keer per week fysiotherapie. Verweerder had, mede gegeven het tijdsverloop tussen het plaatsen van de knieprothese en het lichamelijk onderzoek, geen aanwijzingen waaruit hij redelijkerwijs heeft kunnen of moeten opmaken dat hij geen lichamelijk onderzoek aan de knie van klager, in de vorm van (het vragen aan klager om te) hurken, kon verrichten. Er waren op voorhand geen aanwijzingen dat de knieprothese van klager zou losraken. Het lichamelijk onderzoek is naar oordeel van het college lege artis uitgevoerd. Verweerder heeft genoegzaam toegelicht dat hij klager tijdens het onderzoek in de gelegenheid heeft gesteld aan te geven wat hij ervaart, zodat het onderzoek zo nodig zou kunnen worden gestaakt, en klager daarnaast meegedeeld dat hij geen bewegingen hoeft te forceren, om te voorkomen dat structuren zouden worden overbelast. Hoewel het college de eventuele gevolgen van het handelen van een zorgverlener niet meeweegt bij de tuchtrechtelijke beoordeling daarvan, ziet het college tot slot nog aanleiding om op deze plaats op te merken dat het dossier overigens ook geen aanknopingspunten biedt om aan te nemen dat het losraken van de knieprothese is te relateren aan het lichamelijk onderzoek door verweerder.
Slotsom
5.3 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door A.J. Scheijde, voorzitter, W.S. Oostveen-Kouwenhoven, lid-jurist, E. Gorissen, R.P.J. Ansem en J.M. Hoevers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door G.J. Stoepker, secretaris en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.