ECLI:NL:TGZRAMS:2026:239 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9307

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:239
Datum uitspraak: 13-10-2026
Datum publicatie: 13-10-2026
Zaaknummer(s): A2025/9307
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft een (eenmalig) spreekuurcontact met klager gehad om aan de hand daarvan een probleemanalyse op te stellen. De klacht gaat in de kern over de inhoud van de probleemanalyse die verweerster heeft opgesteld en over het feit dat klager de probleemanalyse niet op een fysiek spreekuur met verweerster heeft kunnen bespreken. Ook beklaagt klager zich over het ontbreken van regie van verweerster over zijn (verdere) re-integratie. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

A2025/9307
Beslissing van 13 oktober 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 13 oktober 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klager,

tegen

C,
bedrijfsarts,
destijds werkzaam in D,
verweerster,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam in Hilversum.

1. De zaak in het kort
1.1. Klager was ten tijde hier van belang werkzaam bij E, thans ook bekend als F, als first-officer (co-piloot). Klager is in maart 2015 uitgevallen voor zijn werk en is in november 2015 ziek uit dienst getreden. Hierop heeft F als ‘eigen risicodrager’ arbodienst G ingeschakeld om de verdere verzuimbegeleiding van klager ter hand te nemen. In opdracht van G heeft verweerster op 24 november 2015 een (eenmalig) spreekuurcontact met klager gehad om aan de hand daarvan een probleemanalyse op te stellen. De klacht, die net binnen de verjaringstermijn was ingediend, gaat in de kern over de inhoud van de probleemanalyse die verweerster vervolgens heeft opgesteld en over het feit dat hij de probleemanalyse niet op een fysiek spreekuur met verweerster heeft kunnen bespreken. Ook beklaagt klager zich over het ontbreken van regie van verweerster over zijn (verdere) re-integratie.

1.2. Het college komt tot het oordeel dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1. Het college heeft de volgende stukken ontvangen:


-het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 24 november 2025;
-het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 23 februari 2026;
-het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 16 april 2026.

2.2. Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak heeft beoordeeld op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1. Klager was vanaf 19 januari 2015 werkzaam als first officer bij F. Klager had een tijdelijk dienstverband.

3.2. Op 27 maart 2015 heeft zich tijdens een vlucht van klager een voorval in de cockpit voorgedaan, ten aanzien waarvan klager een ‘safety report’ heeft opgesteld en bij F heeft ingediend. De volgende dag, 28 maart 2015, is klager uitgevallen voor zijn werk.

3.3. Blijkens diverse consultrapporten, opgesteld door de door F ingeschakelde bedrijfsarts, werd klager tot augustus 2015 volledig arbeidsongeschikt geacht. Op 10 augustus 2015 concludeerde de bedrijfsarts dat klager vanaf die dag voor 50% ‘vliegmedisch’ geschikt werd geacht, kon starten met re-integratie en zijn werkzaamheden de daaropvolgende weken verder kon uitbouwen. De re-integratie kwam echter niet van de grond.

3.4. In een volgend consultrapport van 31 augustus 2015 heeft diezelfde bedrijfsarts vermeld dat klager tot dan toe nog geen eigen werk of vervangend werk had uitgevoerd en dat, gezien de duur van het verzuim en de functie, geleidelijke hervatting in eigen werk of vervangend werk gewenst was, waarna toegewerkt kon worden naar volledig herstel.

3.5. Op 19 september 2015 heeft klager, omdat zijn re-integratie (nog altijd) niet van de grond kwam, een deskundigenoordeel bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (hierna: UWV) aangevraagd over de re-integratie-inspanningen van F. Naar aanleiding van die aanvraag heeft een arbeidsdeskundige van het UWV onderzoek naar de re-integratie-inspanningen verricht. De arbeidsdeskundige heeft op 26 oktober 2015 gerapporteerd dat van een adequate verzuim en re-integratie aanpak geen sprake is geweest en dat de door de F uitgevoerde re-integratie-inspanningen onvoldoende waren.

3.6. Kort daarna, op 1 november 2015, is klager ziek uit dienst getreden.

3.7. F was (in elk geval destijds) een zogeheten ‘eigenrisicodrager’, zijnde een werkgever die ervoor kiest om de verantwoordelijkheden en kosten van de Ziektewet zelf te beheren en aldus verantwoordelijk is voor de re-integratie van zieke werknemers, zowel tijdens als na hun dienstverband.


3.8. Na de beëindiging van het dienstverband van klager heeft F arbodienst G ingeschakeld om de verdere verzuimbegeleiding van klager ter hand te nemen.

3.9. Verweerster staat sinds 15 november 2013 ingeschreven in het BIG-register als bedrijfsarts en is werkzaam als zelfstandig gevestigde bedrijfsarts in opdracht van verschillende arbodiensten, ten tijde hier van belang ook van G.

3.10. In opdracht van G heeft verweerster op 24 november 2015 een (eenmalig) spreekuurcontact met klager gehad.

3.11. Op 25 november 2015 heeft verweerster naar aanleiding van dit spreekuurcontact een probleemanalyse (hierna: de Probleemanalyse) opgemaakt en klager aangemeld bij H. De Probleemanalyse vermeldt, voor zover hier van belang:

“(..)4 Functie (ex-)wwerknemer
4.1 Functie (ex-)wwerknemer co-piloot
4.2 Omschrijving werkzaamheden uitvoeren van vluchten waarbij de captain de
eind verantwoordelijke is.
4.3 Kenmerkende functiebelasting (..) concentreren, stress, deadlines, snel
schakelen, onregelmatige diensten
(..)
5 Gegevens van de ziekmelding
5.1 Eerste ziektedag 28-03-2015
(..)
5.3 Redenen van verzuim (..) combinatie van werkgerelateerde klachten
(in verband met een voorval op het werk en de impact hiervan). tevens is er sprake van gezondheidsklachten welke leiden tot beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. (..)
6 Beperkingen en mogelijkheden
6.1 Wat zijn de beperkingen van de
(ex)wwerknemer waardoor hij zijn
eigen of ander werk (gedeeltelijk
niet meer kan verrichten?
(..)
6.2 Door welke aspecten kan de (..) er zijn beperkingen ten aanzien van het
(ex-)wwerknemer zijn werk niet concentreren, langdurig focussen, snel doen? schakelen, conflicthantering, geen
verantwoordelijkheid, geen deadlines, geen
onregelmatige diensten, tevens is er sprake van een energetische impact.
7 Overige relevante informatie
7.1 Welke informatie is verder nog er is geen sprake van een (adequate)
relevant voor de Probleem- behandeling. Mijn advies is een aanmelding bij
analyse? een psycholoog, met als doel diagnostiek (een
intake en verheldering van de problematiek)
en het opstellen van een behandelplan.
(..)
9. Advies voor het plan van aanpak (..)
(..) X Ander einddoel dan het advies van uw
arbodienst of bedrijfsarts namelijk
het einddoel is op dit moment nog niet duidelijk,
daar er geen sprake is van inzicht in de
problematiek danwel een adequate behandeling en
een prognose is derhalve nog niet te geven met betrekking tot het einddoel. Overigens is dhr. A van mening dat het doel werkhervatting in de eigen functie dient te zijn.
(..)”

3.12. Verweerster heeft tijdens het consult haar advies en de door haar vastgestelde beperkingen met klager besproken en in de Probleemanalyse bij de vraag (10.2) of de medewerker het eens is met het advies “Ja” aangekruist.

4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1
Klager verwijt verweerster – samengevat en met in achtneming van de inhoud van het proces-verbaal van het op 16 april 2026 gehouden vooronderzoek - dat zij tijdens en naar aanleiding van het (eenmalige) spreekuurcontact op 24 november 2015:


1)een onvolledige en innerlijk tegenstrijdige Probleemanalyse heeft opgesteld;
2)in de Probleemanalyse een onduidelijke en verhullende weergave van de rol van F en G heeft gegeven;
3)ten onrechte het re-integratiedoel werkhervatting in ‘eigen werk’ heeft losgelaten en heeft gestuurd op werkhervatting in ander werk (tweede spoor);
4)tegenstrijdig en onzorgvuldig heeft geadviseerd over de behandeling en re-integratie;
5)onjuist is omgegaan met de verplichte vliegmedische keuring door een Aero-Medical Examiner (hierna: AME) en – ondanks de afwezigheid van een dergelijke keuring – aan F heeft teruggekoppeld dat sprake zou zijn cockpitongeschiktheid;
6)een innerlijk tegenstrijdig en remmend re-integratieadvies heeft gegeven;
7)na het verstrekken van de Probleemanalyse heeft geweigerd om met klager in gesprek te gaan;
8)de door klager afgegeven psychosociale arbeidsbelasting-signalen (hierna: PSA-signalen) onvoldoende heeft onderzocht en deze signalen niet heeft uitgewerkt of benoemd in de Probleemanalyse en niet heeft vertaald in een PSA-gerichte aanpak;
9)onvoldoende regie heeft gevoerd over de re-integratie en het opgestelde plan van aanpak.

4.2 Verweerster heeft vooropgesteld dat zij het betreurt dat klager ontevreden is over haar (kortdurende) betrokkenheid bij zijn verzuimbegeleiding van inmiddels ruim tien jaar geleden. Verweerster leidt uit de door klager geformuleerde klachten af dat klager niet alleen over haar handelen, maar ook dat van de eerdere bedrijfsartsen (bijvoorbeeld waar het het uitblijven van een probleemanalyse betreft), klaagt en stelt zich op het standpunt dat zij uitsluitend verantwoordelijk kan worden gehouden voor haar eigen handelen. Voor zover het haar eigen handelen betreft, stelt zij zich op het standpunt dat zij heeft gehandeld binnen de norm van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot en dat haar dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Verweerster verzoekt het college de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna, voor zover nodig, in het navolgende verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1. Gelet op artikel 65 lid 5 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg vervalt de bevoegdheid tot het indienen van een klaagschrift door verjaring in tien jaren. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het desbetreffende handelen of nalaten is geschied. Dit betreft een fatale termijn, die het college ambtshalve moet beoordelen. De klacht van klager heeft betrekking op een door verweerster gehouden spreekuur op 24 november 2015 en hetgeen verweerster naar aanleiding daarvan heeft gedaan of volgens klager heeft nagelaten te doen. Nu klager het klaagschrift op 24 november 2025 heeft ingediend, heeft hij dit (nét) nog binnen de hiervoor genoemde termijn gedaan. Klager kan dus worden ontvangen in zijn klacht.

De criteria voor de beoordeling
5.2. De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk handelende en redelijk bekwame bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de bedrijfsarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen, is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.3. Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hieronder zal worden toegelicht hoe het college tot dit oordeel komt.

Klachtonderdeel 1: de Probleemanalyse
5.4. Klager verwijt verweerster, kort samengevat, onder klachtonderdeel 1 dat zij in de Probleemanalyse onvolledig, innerlijk tegenstrijdig en formeel onzorgvuldig is geweest, omdat zij:
a.heeft nagelaten te motiveren waarom de Probleemanalyse pas 6,5 maand na de eerste ziekmelding is opgesteld, waardoor het te late handelen van werkgever F is verhuld;
b.in de Probleemanalyse de kernrubriek over beperkingen en mogelijkheden (6.1) heeft leeggelaten, terwijl juist deze informatie volgens klager nodig was voor het opstellen van een deugdelijk plan van aanpak;
c.het einddoel van de re-integratie kunstmatig onduidelijk heeft gelaten, ondanks het ontbreken van medische argumenten om van het gebruikelijke einddoel ‘werkhervatting in eigen functie’ af te wijken en ondanks eerdere re-integratieadviezen die juist wel in die richting wezen;
d.eerdere duidelijke adviezen van de eerdere bedrijfsarts over arbeidstherapeutische hervatting in eigen werk niet zichtbaar heeft betrokken of gemotiveerd terzijde heeft geschoven;
e.de door klager tijdens het consult gemelde PSA-signalen en veiligheidsincidenten niet heeft onderzocht, niet heeft beschreven en niet heeft vertaald in passende interventies.
Volgens klager bood de Probleemanalyse hierdoor geen betrouwbare medische en arbeidskundige basis voor het verdere re-integratietraject, is de positie van klager als (ex)werknemer verzwakt en is zijn herstel en loopbaanontwikkeling als verkeersvlieger geschaad.

5.5. Verweerster, die pas op 24 november 2015, de dag van het eerste spreekuurcontact, betrokken is geraakt bij de verzuimbegeleiding van klager, heeft toegelicht dat zij er ten tijde van dat spreekuur niet mee bekend was dat de eerste probleemanalyse pas na 6,5 maand was opgesteld, dus ook niet met de redenen daarvoor, en dat zij op dat moment ook niet wist dat er een deskundigenoordeel over de re-integratie-inspanningen van F was afgegeven. F had verweerster over dit alles niet, ook niet via G, geïnformeerd, reden waarom zij daarover dan ook niets in de Probleemanalyse heeft opgenomen.

5.6. Het college stelt voorop dat de klacht, voorzover die (indirect) op de te late opstelling van een (eerdere) probleemanalyse ziet, niet het handelen van verweerster betreft. Verweerster was immers pas ruim acht maanden na de datum van eerste ziekmelding bij de verzuimbegeleiding van klager betrokken geraakt. Van de omstandigheid dat de eerste probleemanalyse niet binnen zes weken na datum eerste ziekmelding is opgemaakt, kan verweerster dan ook geen verwijt worden gemaakt. Verweerster heeft inzichtelijk gemaakt dat zij uitvoering heeft gegeven aan het verzoek een probleemanalyse op te stellen. Zij was niet op de hoogte van redenen waarom dat eerder nog niet was gebeurd. Daarom kon zij daarover niets verklaren in de probleemanalyse. Het valt haar dan ook niet tuchtrechtelijk te verwijten dat ze daarover niets heeft vermeld. Klachtonderdeel 1.a is dan ook kennelijk ongegrond.


5.7. In een probleemanalyse dient een bedrijfsarts onder rubriek 6. de beperkingen en mogelijkheden van de betreffende zieke werknemer te vermelden. Verweerster heeft in de Probleemanalyse weliswaar rubriek 6.1. niet ingevuld, maar heeft op een andere plaats (onder rubriek 6.2.) alle beperkingen van klager vermeld. De Probleemanalyse bevatte daarmee, anders dan klager meent, wel degelijk de voor een op te stellen plan van aanpak vereiste informatie. Klachtonderdeel 1.b is daarmee eveneens kennelijk ongegrond.

5.8. Zoals uit het voorgaande volgt (zie onder 3.11), heeft verweerster in rubriek 9. ‘Advies voor het plan van aanpak’ van de Probleemanalyse vermeld dat het einddoel van de re-integratie op dat moment nog niet helemaal duidelijk was. Verweerster heeft toegelicht dat zij dit zo heeft opgeschreven, omdat zij op dat moment immers slechts kon vaststellen wat de duur van de klachten was (ruim acht maanden), dat behandeling van klager tot dan toe was uitgebleven en dat sprake was van stagnatie. Gelet op de duur van het verzuim en om de stagnatie te doorbreken, heeft de bedrijfsarts in de Probleemanalyse (onder 7.) een psychologisch traject geadviseerd en heeft zij klager na afloop van het spreekuur ook aangemeld bij H. Met verweerster is het college van oordeel dat dit in de gegeven omstandigheden aansloot bij de destijds geldende richtlijn Psychische Problemen van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (hierna: de NVAB). Naar het oordeel van het college heeft verweerster op basis van de beschikbare informatie - en in lijn met haar advies om eerst behandeling in gang te zetten - in redelijkheid kunnen concluderen dat het medisch beeld zich op dat moment nog niet volledig liet overzien en dat dan ook nog geen goed onderbouwde prognose kon worden gegeven ten aanzien van volledige terugkeer in werk. Bij die conclusie past de mededeling ‘dat het einddoel nog onduidelijk is’. In de gegeven omstandigheden kan verweerster ook niet worden verweten dat zij ‘de adviezen van de eerdere bedrijfsarts niet zichtbaar heeft betrokken of gemotiveerd terzijde heeft geschoven’. Ook klachtonderdelen 1.c en 1.d zijn daarmee kennelijk ongegrond.

5.9. Tot slot heeft verweerster, in reactie op het laatste subonderdeel van deze klacht, terecht gesteld dat een bespreking van PSA-signalen niet thuishoort in een probleemanalyse. Een bespreking van die signalen zou in strijd zijn met het feit dat het gesprek vertrouwelijk is en de bedrijfsarts, zoals uit het voorgaande ook volgt, in een probleemanalyse uitsluitend dient aan te geven welke belemmeringen een werknemer ervaart. Verweerster heeft overigens wel in de Probleemanalyse vermeld dat er ook werkgerelateerde klachten zijn na een voorval op het werk en wat de impact hiervan was (zie rubriek 5.3. van de Probleemanalyse). Ook klachtonderdeel 1.e is daarmee kennelijk ongegrond.

5.10. Gelet op al het voorgaande is de klacht onder 1, in al haar onderdelen, kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 2: verhullende weergave rol werkgever/G
5.11. Klager verwijt verweerster, samengevat, dat zij in de Probleemanalyse en in de communicatie rond het spreekuur:

a.niet transparant en niet volledig is geweest over de rol van F als (ex)werkgever en eigenrisicodrager;
b.G als enige zichtbare partij naar voren heeft geschoven, waardoor de verantwoordelijkheid van F feitelijk naar de achtergrond verdween;
c.heeft nagelaten deze scheefgroei in de re-integratie-aanpak te corrigeren, terwijl zij als bedrijfsarts juist een onafhankelijke en bewakende rol had.

Klager stelt zich op het standpunt dat verweerster hiermee zijn rechtspositie heeft verzwakt, het uitgangspunt “eigen werk bij de (ex)werkgever, tenzij zwaarwegende redenen” heeft ondergraven en de reële mogelijkheid van re-integratie bij F voor hem onnodig heeft beperkt.

5.12. Het college stelt vast dat zich bij de stukken een e-mail van G aan klager van 5 november 2015 bevindt, waarin staat: “Uw voormalig werkgever is eigenrisicodrager voor de Ziektewet en heeft G gevraagd hier uitvoering aan te geven.” In een e-mail van klager aan G van 23 november 2015 heeft klager zelf vermeld: “Ik ben bij G terecht gekomen aangezien F eigen risicodrager is.” Tot slot is in een e-mail van 24 november 2015, waarin klager is uitgenodigd voor het spreekuur met verweerster, toegelicht dat het spreekuur “een beoordeling in het kader van het eigenrisicodragerschap voor de Ziektewet via uw ex-werkgever F.” betreft en dat deze beoordeling wordt uitgevoerd door G. Eén en ander brengt met zich dat klager, nog vóór het spreekuur van 24 november 2015, bekend mocht worden verondersteld met zowel de rol van F als die van G. Onder die omstandigheden valt niet goed in te zien wat verweerster op dit punt (onderdeel 2.a en 2.b) precies te verwijten valt. Uit de toelichting op onderdeel 2.c leidt het college af dat klager meent dat het F, nu haar verantwoordelijkheid niet helder door verweerster zou zijn benoemd, mogelijk is gemaakt om zich te onttrekken aan haar verplichting om klager in zijn ‘eigen functie’ te laten re-integreren. Klager gaat er hierbij echter aan voorbij dat die concrete verplichting voor F niet langer bestond. Het dienstverband van klager bij F was immers beëindigd en er bestond geen verplichting voor F om klager weer in dienst te nemen, hetgeen verweerster kennelijk ook met klager heeft besproken op het betreffende spreekuur. Ook voor het overige is het verwijt dat verweerster de scheefgroei in de re-integratie-aanpak ten onrechte niet zou hebben gecorrigeerd, kennelijk ongegrond, welk oordeel hierna (onder 5.15), vanwege de samenhang met klachtonderdelen 3.a en 3.b, op die plaats nog nader zal worden toegelicht.

5.13. Gelet op al het voorgaande is de klacht onder 2, in al haar onderdelen, kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 3: geen werkhervatting in ‘eigen werk’
5.14. Klager verwijt verweerster, samengevat, dat zij:
a.zonder medische noodzaak en in strijd met eerdere adviezen het re-integratiedoel “werkhervatting in de eigen functie” feitelijk heeft losgelaten;
b.vanaf het eerste consult heeft gestuurd op re-integratie in het tweede spoor en ander werk, terwijl zij tegelijkertijd heeft erkend dat terugkeer in de cockpit medisch gezien haalbaar moest zijn;
c.onvoldoende oog heeft gehad voor de specifieke belangen en risico’s die horen bij klagers beroep als verkeersvlieger (verlies van currency, licentie, carrièrekansen en mogelijke loss of licence-schade);
d.klagers eigen actieve en zorgvuldig opgebouwde re-integratievoorstellen richting eigen werk niet als uitgangspunt heeft genomen.

Klager stelt zich op het standpunt dat één en ander zijn kansen op herstel en voortzetting van zijn loopbaan als verkeersvlieger ernstig heeft geschaad.
 

5.15. Voor wat betreft de klacht onder 3.a en 3.b (en 2.c) verwijst het college naar hetgeen zij hiervoor onder 5.7 heeft vermeld: verweerster heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat het medisch beeld zich op het moment dat de Probleemanalyse door haar werd opgesteld, nog niet volledig liet overzien en dat dan ook nog geen goed onderbouwde prognose kon worden gegeven ten aanzien van volledige terugkeer in werk. Dat klager op de korte of de langere termijn niet meer geschikt zou zijn voor het werk van een first officer heeft zij, anders dan klager kennelijk meent, niet in de Probleemanalyse vermeld. Verweerster heeft, rekening houdende met de klachten en beperkingen van klager, voor dat moment in redelijkheid kunnen aansturen op andere, passende werkzaamheden. Zij heeft daarbij inderdaad aangegeven dat de re-integratie wellicht (ook) in het tweede spoor zou kunnen worden gezocht, maar verweerster heeft terecht betoogd dat één en ander niet uitsluit dat F klager destijds passende werkzaamheden op re-integratie basis had kunnen aanbieden. Verweerster mocht en kon als bedrijfsarts niet invullen welke werkzaamheden klager zouden worden aangeboden; het was aan F als eigenrisicodrager en klager om daarover samen in gesprek te gaan en om één en ander vervolgens in een plan van aanpak vast te leggen. In het verlengde hiervan kan klager verweerster ook niet verwijten dat zij klagers eigen actieve en zorgvuldig opgebouwde re-integratievoorstellen richting eigen werk niet tot uitgangspunt heeft genomen; zij heeft zich terecht beperkt tot een probleemanalyse op basis waarvan een plan van aanpak zou kunnen worden opgesteld. De klachtonderdelen 3.a, 3.b en 3.d (en – zoals uit het voorgaande al volgt – ook 2.c) zijn, gelet op al het voorgaande, dan ook eveneens kennelijk ongegrond.

5.16. Met betrekking tot klacht onderdeel 3.c overweegt het college het volgende. (Co-)piloten dienen, om de rechten van hun vliegbrevet te mogen uitoefenen, periodiek een medische keuring te ondergaan om hun vliegmedische geschiktheid te kunnen vaststellen. Vastgestelde vliegmedische geschiktheid resulteert vervolgens in de afgifte van een medisch certificaat aan de (co-)piloten. Deze vliegmedische beoordeling staat echter los van de werkzaamheden die een bedrijfsarts naar aanleiding van een ziekmelding van – in dit geval – een co-piloot dient te verrichten. De bedrijfsarts dient onder meer de belastbaarheid te beoordelen en een probleemanalyse op te stellen voor re-integratie. Dat er – los van dat traject - een keuring, te verrichten door een AME, bestaat om specifiek de vliegmedische geschiktheid van de (co-)piloot te beoordelen, brengt niet met zich dat een bedrijfsarts zich niet zou mogen uitlaten over de belastbaarheid van (co-)piloten en hun geschiktheid om het eigen of aangepast werk te doen. De AME zou in het geval van klager (pas) weer in beeld zijn gekomen wanneer de eerdere bedrijfsartsen of verweerster zouden hebben
geconcludeerd dat klager geen medische beperkingen meer zou hebben voor zijn functie. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

5.17. Gelet op al het voorgaande is de klacht onder 3, in al haar onderdelen, kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 4: tegenstrijdige en onzorgvuldige advisering
5.18. Klager verwijt verweerster, samengevat, dat zij:
a.in de Probleemanalyse enerzijds stelt dat er geen adequate behandeling is en dat eerst diagnostiek nodig is, maar anderzijds zonder nadere onderbouwing adviseert om te “starten met re-integratie, in aangepaste taken”;
b.geen concrete beperkingen, mogelijkheden of prognose heeft vastgelegd, zodat haar advies voor re-integratie feitelijk inhoudsloos blijft;
c.in het consult wel erkent dat terugkeer naar de cockpit medisch haalbaar moet zijn, maar dit niet vertaalt naar een duidelijk re-integratiepad richting eigen werk;
d.vervolgens niet heeft ingegrepen toen haar Probleemanalyse werd gebruikt om re-integratie naar eigen werk te vertragen en te verleggen naar ander werk en gesprekken met een vertrouwenspersoon.
In plaats van een helder, consistent en op herstel gericht re-integratieadvies te geven, heeft verweerster de innerlijk tegenstrijdige Probleemanalyse opgesteld die vooral heeft bijgedragen aan vertraging, medicalisering en het uit zicht raken van hervatting in klagers eigen functie als verkeersvlieger, aldus klager.

5.19. In het verlengde van dat wat hiervoor is overwogen is ook klachtonderdeel 4, in al haar onderdelen, kennelijk ongegrond. Het college volstaat op dit punt te verwijzen naar dat wat zij (voor wat betreft onderdeel 4.a, 4.c en 4.d) onder 5.15 heeft overwogen en (voor wat betreft 4.b) naar dat wat zij onder 5.7 heeft overwogen.

Klachtonderdeel 5: vereiste vliegmedische keuring door een AME en geen cockpitongeschiktheid
5.20. Klager verwijt verweerster onder klachtonderdeel 5, samengevat, dat zij:
−niet heeft gehandeld volgens de Leidraad NVAB voor verplichte medische keuringen bij een functie met een EASA Class 1-keuring;
−geen contact heeft gezocht met of heeft verwezen naar de AME, terwijl zij zelf
aangaf “geen zicht in dat wereldje” te hebben;
−desondanks (via G) heeft laten terugkoppelen dat klager “op dat moment niet geschikt was om in een cockpit te zitten”;
−het re-integratieadvies primair heeft gebaseerd op psychologische diagnostiek en
behandeling, zonder de AME - de enige bevoegde vliegmedisch beoordelaar - te betrekken.

Volgens klager heeft verweerster hiermee de professionele rolverdeling tussen bedrijfsarts en AME geschonden, zijn re-integratiekansen naar eigen werk onnodig beperkt en het risico vergroot op blijvend verlies van zijn ‘vliegmedische loopbaan’.


5.21. Onder verwijzing naar hetgeen in relatie tot de keuring te verrichten door een AME is overwogen (zie 5.16), is klachtonderdeel 5, in al haar onderdelen, eveneens kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 6: innerlijk tegenstrijdig en remmend re-integratieadvies
5.22. Samengevat verwijt klager verweerster onder klachtonderdeel 6 dat zij:
a.in de Probleemanalyse enerzijds stelt dat er geen adequate behandeling en onvoldoende diagnostiek was om een prognose/einddoel te geven, maar anderzijds noteert dat re-integratie al kan starten in aangepaste taken, zonder de benodigde beperkingen, mogelijkheden en einddoel helder te beschrijven;
b.eerdere, gunstige re-integratieadviezen (van de eerdere bedrijfsarts, zie onder 3.3 en 3.4) en klagers eigen re-integratievoorstellen richting eigen werk niet heeft geïntegreerd of gemotiveerd heeft verworpen;
c.via de casemanager heeft laten terugkoppelen dat klager niet in een cockpit zou kunnen zitten en dat terugkeer naar F niet aan de orde is, terwijl zij dat in het consult zo niet tegen hem heeft gezegd en er geen AME-beslissing was die dat ondersteunde;
d.niet heeft toegezien op een deugdelijk, tijdig en op eigen werk gericht plan van aanpak, ondanks klagers herhaalde verzoeken en zijn waarschuwing dat de werkwijze zijn genezingsproces vertraagde.
Volgens klager heeft verweerster hiermee bijgedragen aan onnodige vertraging en belemmering van klagers re-integratie naar eigen werk.

5.23. Het college stelt vast dat klachtonderdelen 6.a t/m c een herhaling van eerder besproken klacht(onderdelen) betreffen en dan ook eveneens kennelijk ongegrond zijn.
Ook klachtonderdeel 6.d. is kennelijk ongegrond. Zoals hiervoor onder 5.15 is overwogen, behoort het opstellen van een plan van aanpak tot de verantwoordelijkheid van de (ex)werkgever.

Klachtonderdeel 7: geen gesprek naar aanleiding van de Probleemanalyse
5.24. Klager verwijt verweerster in zijn klacht onder 7, samengevat, dat zij, nadat de Probleemanalyse aan klager was verstrekt:
a.niet bereid is geweest een inhoudelijk gesprek met klager te voeren over de door hem gesignaleerde fouten en onvolledigheden;
b.via de casemanager heeft laten vastleggen dat de Probleemanalyse niet zal worden
aangepast, zonder dat zelf uit te leggen of te verantwoorden;
c.heeft toegelaten dat de door klager betwiste Probleemanalyse toch als basis is gebruikt voor het plan van aanpak, waarbij de ontstane vertraging ten onrechte aan hem werd toegeschreven.

Volgens klager dient een bedrijfsarts bereikbaar te zijn voor overleg, bereid te zijn om fouten te herstellen en actief te waken voor een zorgvuldig, transparant en veilig re-integratietraject en heeft verweerster niet in lijn daarmee gehandeld, aldus steeds klager.


5.25. Het college leidt uit de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder de e-mailcorrespondentie van december 2015, af dat klager na ontvangst van de Probleemanalyse op 27 november 2015 meteen al zijn ongenoegen over de inhoud hiervan heeft kenbaar gemaakt bij G en vanaf 1 december 2015 heeft aangedrongen op een gesprek met verweerster. De uitdrukkelijke wens van klager hierbij was dat het een fysiek spreekuur zou betreffen, omdat hij medische zaken niet telefonisch wenste te bespreken. Verweerster was hierover aanvankelijk niet geïnformeerd. Het fysieke spreekuur werd vervolgens diezelfde dag ingepland op 8 december 2015 bij verweerster, maar die afspraak werd al snel weer geannuleerd, omdat verweerster op die datum verhinderd bleek te zijn. De planner heeft hierop op 3 december 2026 per e-mail contact met verweerster opgenomen en heeft haar verzocht kenbaar te maken wanneer dit gesprek (op korte termijn) ingepland zou kunnen worden. In een tweede e-mail die de planner een minuut later naar verweerster zond, stond “Mag eventueel telefonisch!”. Verweerster heeft hierop haar agenda-opties aan de planner doorgegeven. Omdat het kennelijk (agenda technisch) niet lukte een fysiek spreekuur bij verweerster in te plannen, is klager vervolgens diezelfde dag door de casemanager van G per e-mail uitgenodigd voor een telefonisch spreekuur met verweerster op 7 december 2015 om 9:00 uur. Klager heeft vervolgens echter laten weten dat hij echt geen genoegen nam met een telefonisch spreekuur en heeft van de casemanager geëist dat hij opnieuw zou worden ingepland op een fysiek spreekuur bij verweerster. Op 4 december 2015 heeft de casemanager bericht dat zij van klager verwachtte dat hij 7 december 2015 voor verweerster telefonisch bereikbaar zou zijn en dat het anders beoordeeld zou worden als een ‘no show’. Klager heeft hierop opnieuw aangedrongen op een fysiek spreekuur. Op 7 december 2015 heeft klager de casemanager bericht dat hij verweerster had gesproken en dat hij had geconstateerd dat verweerster er niet van op de hoogte was gesteld dat hij telefonisch geen medische zaken wilde bespreken. Hij drong opnieuw aan op een fysiek spreekuur. De casemanager heeft klager hierop op 9 december 2015 laten weten dat zij hierover contact met verweerster had opgenomen, dat verweerster haar had gezegd dat zij bij haar analyse en advies, zoals opgenomen in de Probleemanalyse, bleef en dat hij, als hij het daar niet mee eens was, een second opinion kon aanvragen bij het UWV. Kort daarna is verweerster met haar werkzaamheden voor G gestopt.

5.26. Het college stelt voorop dat uit het dossier niet blijkt dat verweerster heeft geweigerd de inhoud van de Probleemanalyse met klager te bespreken. Integendeel, uit de correspondentie volgt dat, namens verweerster, een spreekuurafspraak is ingepland, juist met het doel om hierover met klager in gesprek te gaan. Dat deze afspraak was vormgegeven als een telefonisch consult en niet als een fysiek spreekuur, maakt niet dat verweerster klager geen gelegenheid tot inhoudelijke bespreking heeft geboden. Daarbij neemt het college in aanmerking dat klager reeds eerder door verweerster fysiek was gezien en beoordeeld. Het consult van 7 december 2015 was niet bedoeld voor een eerste beoordeling of een situatie waarin een nieuw lichamelijk of psychiatrisch onderzoek moest plaatsvinden, maar voor bespreking van de reeds opgestelde Probleemanalyse. De keuze voor de wijze waarop een dergelijk vervolgcontact plaatsvindt, behoort in beginsel tot de professionele beoordelingsruimte van de bedrijfsarts, die daarbij dient te beoordelen welke consultvorm in de gegeven omstandigheden passend is.

5.27. Het plannen van het telefonisch spreekuur is verricht door de planner en casemanager van G. Uit de correspondentie kan worden afgeleid dat verweerster pas tijdens het geplande telefonisch spreekuur van 7 december 2015 ermee bekend raakte dat klager de Probleemanalyse niet telefonisch wenste te bespreken. Vooraf was zij daarvan niet op de hoogte en behoefde zij daarmee ook geen rekening te houden. Dat klager de voorkeur gaf aan een fysieke bespreking, betekent niet dat verweerster gehouden was een nieuw fysiek spreekuur aan te bieden of dat klager aanspraak kon maken op een bespreking uitsluitend in die vorm. Naar het oordeel van het college heeft verweerster van haar kant voldoende inspanningen verricht om met klager in gesprek te gaan over de inhoud van de Probleemanalyse. Niet aannemelijk is geworden dat klager door het aanbieden van een telefonisch spreekuur in zijn belangen is geschaad of dat hem daardoor de noodzakelijke zorg is onthouden. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat een fysieke bespreking voor klager de voorkeur had gehad, maakt dit oordeel niet anders.

5.28. De overige onderdelen van de klacht onder 7 zijn alle terug te voeren op het hiervoor beschreven (niet tuchtrechtelijk verwijtbare) verloop rondom de nabespreking van de Probleemanalyse en leveren daarmee evenmin een gegronde klacht op.

5.29. Gelet op al het voorgaande is ook klachtonderdeel 7, in al haar onderdelen, kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 8: het negeren van PSA-signalen
5.30. Samengevat verwijt klager verweerster onder klachtonderdeel 8 dat zij:
a.de primaire oorzaak van klagers ziekmelding, te weten het cockpitincident met de captain, vastgelegd in het door klager opgestelde eerste safety report, niet heeft uitgewerkt, niet in de Probleemanalyse heeft benoemd en niet heeft vertaald in een PSA-gerichte aanpak;
b.het tweede safety report van klager over de onveilige en onzorgvuldige wijze van intern onderzoek volledig buiten beschouwing heeft gelaten;
c.de door klager benoemde intimidatie en druk vanuit HR in de re-integratiefase wel heeft gehoord, maar niet heeft geanalyseerd, niet heeft vastgelegd en niet heeft gebruikt om een veilige re-integratiesetting voor klager af te dwingen;
d.geen enkele PSA-interventie heeft voorgesteld, ondanks duidelijke signalen dat klagers klachten en onveiligheidsgevoel direct verband hielden met deze gebeurtenissen.
Volgens klager heeft verweerster daarmee haar rol als bedrijfsarts bij psychische klachten en PSA - zoals neergelegd in de Arbowet, de Wet verbetering poortwachter en de NVAB-richtlijnen rond psychische klachten en conflicten in de werksituatie - ernstig verzaakt.


5.31. Het college stelt vast de klacht onder 8, in al haar onderdelen, er in de kern op neerkomt dat klager verweerster verwijt dat zij geen risico-inventarisatie heeft gemaakt. Het is evenwel de wettelijke verantwoordelijkheid van de werkgever om een risico-inventarisatie en evaluatie op te stellen, uit te voeren en actueel te houden. De bedrijfsarts heeft weliswaar een adviserende taak bij de uitvoering van het arbobeleid, maar het niet uitvoeren van een risico-inventarisatie en evaluatie kan een bedrijfsarts, dus verweerster, niet tuchtrechtelijk worden verweten. Daar komt bij dat, zoals al onder 5.9 is overwogen, verweerster het spreekuur hield om tot een probleemanalyse te komen en een bespreking van PSA-signalen niet thuishoort in een probleemanalyse.

5.32. Gelet op al het voorgaande is ook de klacht onder 8, in al haar onderdelen, kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel 9: onvoldoende regie
5.33. Klager verwijt verweerster onder klachtonderdeel 9, samengevat, dat zij haar regierol in het Poortwachter-proces niet heeft vervuld. Zij heeft immers:
a.een onvolledige en innerlijk tegenstrijdige Probleemanalyse laten staan, ondanks herhaalde bezwaren van klagers kant;
b.toegelaten dat een laat en gebrekkig plan van aanpak werd opgesteld door de casemanager, zonder dit te corrigeren of te voorzien van een deugdelijke medische onderbouwing;
c.niet ingegrepen toen duidelijk werd dat het uitblijven van een fysiek consult en het blokkeren van re-integratie naar eigen werk klagers genezingsproces vertraagde;
d.geen initiatieven genomen om het traject bij te sturen in de richting van veilige, herstelbevorderende re-integratie, aldus (steeds) klager.

5.34. Deze klacht vertoont, voor wat betreft 9. a. tot en met c., in grote mate overlap met de klachten, zoals die zijn opgenomen onder klachtonderdelen 3 en 7, welke klachtonderdelen alle kennelijk ongegrond zijn beoordeeld. Het college volstaat ermee op deze plaats te verwijzen naar die overwegingen (zie, voor wat betreft klachtonderdeel 3, 5.15 e.v. en, voor wat betreft klachtonderdeel 7, 5.25 e.v.). Klachtonderdeel 9 levert in zoverre dan ook geen gegronde klacht op, ook niet als deze wordt beoordeeld vanuit het oogpunt van te voeren regie. Ook het onder d. geformuleerde verwijt levert geen gegronde klacht op, aangezien verweerster kort na het spreekuur van 24 november 2015 is gestopt met haar werkzaamheden voor G en dus niet bij het vervolg betrokken is geweest.

5.35. Gelet op al het voorgaande is ook de klacht onder 9, in al haar onderdelen, kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.36. Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle (sub)onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 13 oktober 2026 door A.J. Scheijde, voorzitter, W.S. Oostveen-Kouwenhoven, lid-jurist, E. Gorissen, R.P.J. Ansem en J.M. Hoevers, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door G. Stoepker, secretaris.