ECLI:NL:TGZRAMS:2026:237 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9372
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:237 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-10-2026 |
| Datum publicatie: | 09-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9372 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundig specialist GGZ. Klager is op vrijwillige basis behandeld in een ggz-instelling. Klager verwijt de verpleegkundig specialist onder meer dat zij onzorgvuldig is geweest in het verrichten van de diagnostiek en de (medicamenteuze) behandeling en dat zij verplichtingen inzake informed consent en dossiervorming niet is nagekomen. Het college oordeelt dat de verpleegkundig specialist uitvoerig en zorgvuldige diagnostiek en vervolgonderzoek heeft verricht. Van onzorgvuldigheid in de medicamenteuze behandeling is niet gebleken. Haar verslaglegging was adequaat en gaf een objectieve weergave van het beloop van de behandeling en de gemaakte keuzes. Geen aanleiding om te twijfelen aan vereiste informed consent. Alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond verklaard |
A2025/9372
Beslissing van 9 oktober 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 9 oktober 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
verpleegkundig specialist GGZ,
destijds werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de verpleegkundig specialist,
gemachtigde: mr. A.K.M.T. Rongen, werkzaam te Rotterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager, geboren in 1984, heeft een klacht ingediend tegen verweerster, die
werkzaam is als
verpleegkundig specialist bij de instelling voor geestelijke gezondheidszorg
D. Hij klaagt over het professioneel handelen van de verpleegkundig specialist gedurende
zijn
behandeling in de periode van oktober 2024 tot november 2025. De klacht omvat verschillende
klachtonderdelen en betreft onder meer de diagnostiek, de behandeling en de verslaglegging.
De
verpleegkundig specialist stelt dat zij overeenkomstig de professionele standaard
heeft gehandeld.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klager ontvankelijk is, maar de klacht
kennelijk
ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen
te stellen en
dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt
het college eerst
hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 4 december 2025;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 29 januari 2026, met bijlagen;
- het verweerschrift met bijlagen;
- een aanvullend stuk van klager, ontvangen op 21 april 2026;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 2 juni 2026,
- een brief van klager van 3 juni 2026, ontvangen op 4 juni 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Nadat aanvankelijk (op verzoek van de gemeente waar klager woont) een zorgmachtiging
voor
onvrijwillige opname en behandeling van klager conform de Wet verplichte geestelijke
gezondheidszorg (Wvggz) werd voorbereid door de ggz-instelling, is op 31 oktober
2024 de
behandeling van klager gestart op vrijwillige basis. Dit gebeurde nadat klager zelf
telefonisch
contact met de ggz-instelling had opgenomen.
3.2 Klager verzocht de ggz-instelling om medicatie in verband met aanhoudende slaapproblemen.
De
dienstdoende psychiater heeft vervolgens de verschillende medicamenteuze opties
met klager
besproken. In gezamenlijk overleg is besloten te starten met een lage dosering olanzapine
(5 mg).
3.3 De verpleegkundig specialist, die sinds 2016 bij de ggz-instelling in een FACT1-team
(bemoeizorg) werkt, heeft op 4 november 2024 een intakegesprek gevoerd met klager.
Regiebehandelaar
was een psychiater uit het team van de verpleegkundig specialist.
3.4 Tijdens het intakegesprek met de verpleegkundig specialist is een anamnese afgenomen
en
psychiatrisch onderzoek verricht. Uit het onderzoek kwam naar voren dat klager kampte
met
posttraumatische stressklachten en klachten die zijn geduid als paranoïde-psychotische
klachten.
Tijdens het onderzoek is ook gesproken over de medicamenteuze behandeling (olanzapine).
Klager
verzocht de verpleegkundig specialist tijdens het consult ook om een verhoging van
de dosering van
zijn medicatie. In overleg met een waarnemend psychiater is de medicatie opgehoogd
naar 10 mg.
3.5 De verpleegkundig specialist heeft op 8 november 2024 het tweede gedeelte van
het
psychiatrisch onderzoek verricht, waarbij de traumaklachten van klager nader zijn
uitgevraagd.
Vanwege de slaapproblemen van klager is op zijn verzoek gestart met aanvullende
medicamenteuze
behandeling te weten 25 mg promethazine.
3.6 De regiebehandelaar en de verpleegkundig specialist hebben klager op 11 november
2024 gezien,
waarbij onder andere klachten zijn besproken die als psychotisch zijn geduid en
de medicatie is
geëvalueerd. Wegens aanhoudende slaapproblemen werd op verzoek van klager de medicamenteuze
behandeling van olanzapine op 15 november 2024 opgehoogd naar 12,5 mg. Op 18 november
2024 gaf
klager aan dat beter met hem ging. Nadat klager vroeg om verhoging van de dosering
is met hem
afgesproken dat (nog) niet te doen.
3.7 Tijdens een afspraak van klager met de behandelend psycholoog op 27 november
2024 is
vastgesteld dat klager PTSS-klachten had, waarna op 4 december 2024 een traumabehandeling
(o.a.
EMDR) is gestart. Op 20 december 2024 sprak de verpleegkundig specialist klager
over verbetering
van zijn klachten na deze EMDR-sessies. De traumabehandeling is vervolgens op 15
januari 2025 met
een positief resultaat afgerond.
3.8 Vanaf 17 januari 2025 is de olanzapine op verzoek van klager afgebouwd naar
10 mg, omdat hij last had van bijwerkingen. Op 10 februari 2025 is besloten de medicatie
op verzoek
van klager versneld af te bouwen naar 7,5 mg. Vanaf 11 april 2025 is verder afgebouwd
naar 5 mg. De
behandeling met olanzapine is eind juni 2025 door de verpleegkundig specialist beëindigd.
3.9 Vanwege slaapproblemen is klager op 17 juli 2025 gestart met lorazepam. De startdosis
van 1
mg is door de waarnemend psychiater opgebouwd naar 2,5 mg op 24 juli 2025 (voor
de duur van twee
weken). Op 4 augustus 2025 is mirtazapine voorgeschreven. De startdosis van 7,5
mg is na enkele
dagen opgehoogd tot 15 mg. Deze medicatie is op 11 augustus 2025 door de waarnemend
psychiater
direct gestaakt, omdat de klachten die klager had konden wijzen op een ernstige
bijwerking van
mirtazapine. Na bloedonderzoek bleek dit niet het geval en is klager geadviseerd
eerst uit te
zieken.
3.10 De medisch specialist heeft op 15 augustus 2025 telefonisch met klager besproken
dat de
uitslag van het bloedonderzoek goed was. Op verzoek van klager is de mirtazapine
(15 mg) herstart.
3.11 Klager uitte eind augustus 2025 zijn onvrede over de diagnosestelling en de
ingezette
behandeling bij een collega van de verpleegkundig specialist. Op 16 september 2025
heeft klager
kenbaar gemaakt geen contact meer te willen met de ggz-instelling.
4. De klacht en de reactie van de verpleegkundig specialist
4.1 Kort en zakelijk weergegeven heeft de verpleegkundig specialist volgens klager
onjuist
gehandeld, omdat zij:
a) onzorgvuldig is geweest in het verrichten van de diagnostiek en de (medicamenteuze)
behandeling;
b) onvoldoende regie heeft gevoerd;
c) de verplichtingen inzake informed consent, dossiervorming, dossierinzage en beroepsgeheim
niet
is nagekomen, en
d) onzorgvuldig heeft gehandeld bij de afhandeling van de klacht.
4.2. Bij de brief van 3 juni 2026, ontvangen op 4 juni 2026, heeft klager het verwijt
dat ziet op
dossierinzage tijdens de klachtenprocedure die bij de ggz-instelling is gevoerd
ingetrokken naar
aanleiding van wat tijdens het mondeling vooronderzoek is besproken. Dat betekent
dat het onder
4.1c vermelde ‘dossierinzage’ vervalt.
4.3 De verpleegkundig specialist heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.4 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de verpleegkundig specialist de zorg heeft verleend die van
haar verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundig
specialist GGZ. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verpleegkundig
specialist
geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt
dat
zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de verpleegkundig specialist niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Het college motiveert de uitspraak als volgt.
Klachtonderdeel a) onzorgvuldige diagnostiek en de (medicamenteuze) behandeling
5.3 De verpleegkundig specialist heeft op verschillende momenten (al dan niet
in aanwezigheid van
andere zorgverleners van het behandelteam) met klager gesproken. Er is een anamnese
afgenomen en
psychiatrisch onderzoek verricht. De (traumagerelateerde) klachten zijn nader uitgevraagd
en op
verzoek is gestart met (aanvullende) medicatie. Behandeling bestond uit farmacotherapie,
psycho-educatie en traumabehandeling. Bij evaluatie van de (psychotische en trauma)
klachten en
medicatie gaf klager aan zich beter en minder gejaagd te voelen. De verpleegkundig
specialist heeft
klager regelmatig gezien en heeft zich ingezet om de psychotische belevingen te
stabiliseren. De
wijzigingen in medicatie vonden plaats in overleg met de regiebehandelaar dan wel
waarnemend
psychiater en in samenspraak met klager. Olanzapine is op verzoek van klager afgebouwd.
Dat
gebeurde op zorgvuldige wijze, stapsgewijs. Wegens vermoedens van agranulocytose,
een ernstige
bijwerking van de medicatie (mirtazapine), werd bloedonderzoek verricht, waarna
de verpleegkundig
specialist de uitslag met klager besprak en de medicatie in overleg met klager heeft
herstart.
5.4 Naar het oordeel van het college volgt uit het (medisch) dossier dat de verpleegkundig
specialist uitvoerig en zorgvuldige diagnostiek en vervolgonderzoek heeft verricht,
in samenspraak
met de regiebehandelaar, overeenkomstig de DSM-5-classificatie, en telkens voortvarend
en adequaat
heeft gereageerd op de hulpvraag van klager door zijn klachten met hem te bespreken,
de (dosering
van) medicatie in overleg met klager aan te passen en hem traumabehandeling aan
te bieden.
5.5 Dit klachtonderdeel is daarmee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) onvoldoende regie
5.6 Anders dan de klager stelt, was de verpleegkundig specialist niet de regiebehandelaar.
Dat
was een psychiater. Nu de verpleegkundig specialist geen regiebehandelaar was, kan
haar geen
tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt wegens onvoldoende regievoering.
5.7 Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) niet-nakoming informed consent, dossiervorming en schending beroepsgeheim
5.8 Een belangrijk uitgangspunt van het gezondheidsrecht is dat de patiënt (of
cliënt)
toestemming geeft voor het uitvoeren van een medische behandeling. Om rechtsgeldig
toestemming te
geven heeft de patiënt goede en voldoende informatie nodig. Daarom moet, alvorens
toestemming wordt
gevraagd, de patiënt eerst geïnformeerd worden over de behandeling. De patiënt moet
op basis van de
gegeven informatie een weloverwogen beslissing kunnen nemen. De informatieplicht
van de arts en het
toestemmingsvereiste vormen een twee-eenheid, die ook wel ‘informed consent’ wordt
genoemd.
Informed consent is ook het uitgangspunt bij behandeling door een FACT-team2, hoewel
het daar,
zeker wanneer de behandeling meer het karakter van drang/bemoeizorg krijgt, een
voortdurend en soms
ingewikkeld proces is.
5.9 Vanaf het intakegesprek (4 november 2024) heeft de verpleegkundig specialist
klager voldoende
geïnformeerd over het gevoerde (medicatie)beleid. Zij heeft vervolgens op zorgvuldige
wijze
gedocumenteerd hoe klager is meegenomen in de besluitvorming. De aantekeningen in
het medisch
dossier en de expliciete bevestiging van het ingezette beleid door klager geven
het college geen
aanleiding om aan de vereiste informed consent te twijfelen.
5.10 De periodieke verslaglegging in het medisch dossier bevat, naar het college
voorkomt, een
adequate en objectieve weergave van het beloop van de behandeling en de gemaakte
keuzes. Daarmee
heeft de verpleegkundig specialist gehandeld overeenkomstig haar verslagleggingsplicht.
5.11 Schending van het beroepsgeheim is niet aan de orde, nu niet is gebleken dat
de
verpleegkundig specialist informatie over klager heeft gedeeld met niet bij de behandeling
betrokken derden.
5.12 Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) onzorgvuldig handelen bij afhandeling van de klacht
5.13 Voor zover klager vasthoudt aan zijn verwijt dat de verpleegkundig specialist
onzorgvuldig
heeft gehandeld in het kader van de door hem ingediende klacht bij de (onafhankelijke)
klachtencommissie, heeft hij dit verwijt onvoldoende onderbouwd. Het dossier bevat
geen
aanknopingspunten voor het oordeel dat de verpleegkundig specialist niet de nodige
zorgvuldigheid
heeft betracht bij de behandeling van de klacht van klager tijdens dat traject,
zodat ook dit
klachtonderdeel kennelijk ongegrond is.
Slotsom
5.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 9 oktober 2026 door P.M. de Keuning, voorzitter, A.P.
den Exter,
lid-jurist, D.M. van Etten, I.M. Bonte en W.M.E. Bil, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door A. Tingen, secretaris.