ECLI:NL:TGZRAMS:2026:236 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9844

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:236
Datum uitspraak: 09-10-2026
Datum publicatie: 09-10-2026
Zaaknummer(s): A2026/9844
Onderwerp: Grensoverschrijdend gedrag
Beslissingen: Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd tegen een verpleegkundige, werkzaam in de ggz. De verpleegkundige heeft gedurende ongeveer een maand een persoonlijke en seksuele relatie gehad met een cliënte die werd behandeld in de ggz-instelling waar verweerder destijds als verpleegkundige werkte. Dit contact heeft plaatsgevonden na de klinische opname, waar cliënte op dat moment nog wel ambulant werd behandeld. De verpleegkundige heeft het hem verweten gedrag direct erkend, meegewerkt aan het onderzoek van de IGJ, reflecterend vermogen getoond en zich in alle fasen open en toetsbaar opgesteld. Hij heeft een behandeltraject gevolgd bij een psycholoog en werkt op dit moment niet als verpleegkundige. Afwijking uitgangspunt onvoorwaardelijke schorsing. Geheel voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaar, waarbij onder meer als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verpleegkundige een supervisietraject dient te volgen.

A2026/9844
Beslissing van 9 oktober 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM


Beslissing van 9 oktober 2026 op de klacht van:

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, klaagster, hierna ook te noemen: de IGJ,
gemachtigden: dhr. M. Mak en mw. mr. L. Antonides,


tegen


A,
verpleegkundige, destijds werkzaam in B, verweerder.


1. Waar gaat de zaak over?

1.1   Verweerder heeft gedurende ongeveer een maand een persoonlijke en seksuele relatie gehad met 
een cliënte die werd behandeld in de ggz-instelling waar verweerder destijds als verpleegkundige 
werkte. Hij viel af en toe in op de gesloten afdeling waar zij in verband met suïcidaliteit was 
opgenomen. Na de klinische behandeling heeft verweerder met de cliënte afgesproken om twee maanden 
geen contact te hebben. Kort voor het einde van die periode werd het contact (op initiatief van de 
cliënte) hervat en vervolgens ontstond een seksuele relatie tussen hen. De cliënte werd op dat 
moment nog ambulant bij de instelling behandeld. De instelling heeft verweerder vanwege de relatie 
ontslagen. Verweerder erkent het hem door de IGJ verweten seksueel grensoverschrijdende gedrag. Hij 
heeft een behandeltraject gevolgd bij een psycholoog en werkt op dit moment niet als 
verpleegkundige.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is. Hierna vermeldt het college eerst 
hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 30 maart 2026;
-  het verweerschrift;
- een nader stuk van verweerder, ontvangen op 15 juli 2026;

-    het per e-mail van 20 augustus 2026 van de IGJ ontvangen stuk, dat productie 6 bij het 
klaagschrift vervangt.

2.2   Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hen geboden gelegenheid om onder leiding van een 
secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek).

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 28 augustus 2026, waar partijen zijn 
verschenen en hun standpunten hebben toegelicht. De IGJ is vertegenwoordigd door voornoemde 
gemachtigden.

3. De feiten

3.1   Verweerder heeft sinds januari 2023 als verpleegkundige gewerkt bij een instelling voor 
geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen (hierna: de instelling). Daaraan voorafgaand heeft 
verweerder in het kader van een dagbestedingstraject als begeleider bij de instelling gewerkt.

3.2   Er ontstond een vriendschappelijke band tussen verweerder en een cliënte die in de instelling 
klinisch werd behandeld wegens suïcidaliteit (hierna: de cliënte). De cliënte was sinds begin 2024 
bij de instelling in behandeling na aanmelding vanuit de crisisdienst en was opgenomen van 4 maart 
2024 tot 23 mei 2024 op een gesloten afdeling waar verweerder af en toe inviel. Verweerder heeft 
dit contact besproken met het afdelingshoofd (een psychiater die ook de behandelaar van cliënte 
was) en kreeg het advies om niet meer op die afdeling te werken. Ook is gesproken over een in acht 
te nemen afkoelingsperiode, waarbij onduidelijk bleef hoe lang die zou moeten zijn. Het contact is 
vervolgens verbroken, maar weer hervat na een (nieuwe) suïcidepoging van de cliënte.

3.3   Na het einde van de klinische behandeling gaf verweerder de cliënte zijn telefoonnummer en 
sprak met haar af om twee maanden geen contact te hebben. De cliënte werd op dat moment nog 
ambulant behandeld bij de instelling.

3.4   Medio juli 2024 nam de cliënte contact op met verweerder. Van augustus 2024 tot medio 
september 2024 kregen zij een persoonlijke en seksuele relatie. Nadat de relatie door verweerder 
werd verbroken, is de cliënte opnieuw bij de instelling opgenomen en heeft zij daar verteld over de 
relatie. Verweerder is per 12 februari 2025 door de instelling ontslagen.

3.5   Op 3 oktober 2024 heeft de IGJ een melding van de instelling over verweerder ontvangen en 
onderzoek gedaan, wat heeft geleid tot een rapport van 25 november 2025.

3.6   Verweerder is vanaf 13 januari 2025 onder behandeling geweest bij een psycholoog. Hij heeft 
een traject gericht op sociale angst en een vermijdende persoonlijkheid gevolgd en afgerond.

3.7   Verweerder is vanaf 1 april 2025 gaan werken als coördinerend verpleegkundige, in een senior 
positie op een psychogeriatrische afdeling bij een instelling voor ouderenzorg. Hij heeft deze 
werkgever tijdens zijn proeftijd op de hoogte gesteld van de reden van vertrek bij zijn vorige 
werkgever en het onderzoek door de IGJ. Deze instelling heeft tegenover de IGJ verklaard zeer 
tevreden te zijn over het functioneren van de verpleegkundige, maar heeft het na de mededeling van 
verweerder niet aangedurfd om het dienstverband na de proeftijd te verlengen.

3.8  Sinds oktober 2025 is verweerder werkzaam als begeleider in de gehandicaptenzorg.

4. De klacht

4.1   De IGJ verwijt verweerder dat hij als verpleegkundige zijn professionele grenzen heeft 
overschreden door tijdens de zorgrelatie dan wel kort na de directe behandelrelatie 
vriendschappelijk en seksueel contact aan te gaan met een cliënte zonder een passende 
afkoelingsperiode in acht te nemen.

4.2   Verweerder erkent wat hem verweten wordt. Hij heeft spijt van wat er gebeurd is, heeft 
diverse maatregelen getroffen om herhaling te voorkomen en laat het oordeel over een passende 
maatregel over aan het college.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1   De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. 
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling 
wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden.

Beoordeling van de klacht
5.2   De kern van de klacht is het seksueel grensoverschrijdend handelen door verweerder tijdens de 
zorgrelatie dan wel kort na de directe behandelrelatie, zonder een passende afkoelingstermijn in 
acht te nemen.

5.3   Het college overweegt als volgt. In de stukken waaraan het handelen van verweerder volgens de 
IGJ moet worden getoetst (onder meer: de gedragscode van de instelling, de beroepscode V&VN uit 
2015 en de brochure ‘het mag niet, het mag nooit’ uit 2023) is geen vaste afkoelingstermijn 
genoemd. In laatstgenoemde brochure is vermeld dat de duur van de afkoelingsperiode afhankelijk is 
van de situatie. Hoe intensiever de zorgrelatie is (geweest) en hoe kwetsbaarder de cliënt, des te 
langer de afkoelingsperiode moet zijn. Aan een oordeel over de duur van de afkoelingstermijn komt het college hier echter niet toe, gelet op het volgende.

5.4   Het begin van de afkoelingsperiode ligt niet bij de beëindiging van de persoonlijke 
behandelrelatie maar bij de beëindiging van de behandelrelatie met de instelling waar de 
zorgverlener werkt1. Zolang een cliënt nog in behandeling is bij collega’s van die instelling, 
bestaat er een afhankelijkheidsrelatie tussen die collega’s en die cliënt. Die afhankelijkheid kan 
niet los worden gezien van de positie van de cliënt ten opzichte van de bij dezelfde instelling 
werkzame zorgverlener. Dat betekent voor het onderhavige geval dat verweerder de persoonlijke en 
seksuele relatie met de cliënte is aangegaan tijdens de zorgrelatie. De afkoelingsperiode was op 
dat moment nog niet gestart. De cliënte ontving immers nog ambulante zorg van de instelling. 
Daarmee heeft verweerder, zoals ook door hem is erkend, gehandeld in strijd met de beroepsnormen en 
in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet BIG had behoren te betrachten. 
De klacht is dan ook gegrond.

Maatregel
5.5   Wat betreft de op te leggen maatregel overweegt het college als volgt. Het college stelt 
voorop dat de reden dat het aangaan van een intieme relatie met een (ex-)cliënt niet is toegestaan 
hierin is gelegen dat in een dergelijke relatie sprake is van een ongelijkwaardige verhouding 
waarin een cliënt zich in een afhankelijke, kwetsbare positie bevindt. Bij cliënten in de ggz is 
bovendien sprake van een verhoogde kwetsbaarheid.

5.6   Volgens vaste jurisprudentie is in geval van seksueel grensoverschrijdend gedrag in beginsel 
ten minste een schorsing van de inschrijving in het BIG-register passend en geboden. Bij de keuze 
voor dat uitgangspunt is maatgevend dat de maatregel voldoende preventieve werking moet hebben om 
herhaling te voorkomen.

5.7   De schorsing kan voorwaardelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer de beklaagde zorgverlener heeft 
getoond zich bewust te zijn van het verkeerde van zijn of haar gedragingen en bereid is zo nodig 
een behandeling te ondergaan om herhaling te voorkomen. Die omstandigheden doen zich hier voor. 
Verweerder heeft het hem verweten gedrag direct erkend, meegewerkt aan het onderzoek van de IGJ, 
reflecterend vermogen getoond en zich in alle fasen open en toetsbaar opgesteld. Ook heeft hij 
inzicht in de ratio van de norm getoond tijdens het onderzoek door de IGJ maar ook ter zitting met 
de opmerking dat in feite geen enkele termijn lang genoeg is om voldoende afstand van een 
(ex-)cliënt te creëren. Verder heeft verweerder een behandeltraject gevolgd bij een psycholoog voor 
problematiek (onder meer sociale angst) waarvan hij vermoedde dat dit heeft bijgedragen aan het hem 
verweten gedrag. Ter zitting heeft verweerder, die de wens heeft in de toekomst weer als 
verpleegkundige te werken, desgevraagd verklaard bereid te zijn tot het volgen van therapie of een 
traject als dit als bijzondere voorwaarde aan een voorwaardelijke schorsing wordt verbonden. Tot 
slot weegt het college bij het bepalen van de (duur van de) maatregel mee dat verweerder het ontstaan van een (toen nog) vriendschappelijke relatie met de cliënte met het afdelingshoofd van de instelling heeft besproken en dat hij de 
relatie niet direct na het einde van de directe behandelrelatie (en klinische behandeling) is 
gestart maar heeft gezocht naar een passende (zij het korte) termijn waarin het contact werd 
verbroken. Ook is verweerder door de instelling ontslagen en is zijn daaropvolgende dienstverband 
vanwege de onderhavige kwestie in de proeftijd – ondanks goed functioneren – beëindigd. Verweerder 
heeft dus al aanzienlijke negatieve gevolgen van zijn handelen ervaren.

5.8   Aan verweerder zal een geheel voorwaardelijke schorsing worden opgelegd voor de duur van twee 
maanden met een proeftijd van twee jaar, waarbij onder meer als bijzondere voorwaarde wordt gesteld 
dat verweerder een supervisietraject dient te volgen waarin aandacht is voor de thema’s afstand en 
nabijheid en persoonlijke en professionele grenzen binnen een zorgrelatie, met als doel om 
verweerder professioneel sterker te maken. Het college doelt op supervisie in de zin van een door 
een erkend supervisor begeleide leermethode, waarbij aan de hand van bespreking van concrete 
werkervaringen op deze ervaringen wordt gereflecteerd en daarvan wordt geleerd. Verweerder dient 
een supervisor te zoeken die geregistreerd is bij de landelijke beroepsvereniging voor supervisors.

Publicatie
5.9   In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere verpleegkundigen mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal 
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing

Het college:
-   verklaart de klacht gegrond;
-   schorst de bevoegdheid van verweerder om de aan de inschrijving in het BIG-register verbonden 
bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van twee maanden;
-   beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het college later anders 
mocht bepalen, omdat verweerder voor het einde van een proeftijd van twee jaren:
a) zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die 
hij als verpleegkundige behoort te betrachten, of in strijd is met hetgeen een behoorlijk 
beroepsbeoefenaar betaamt; en
b) zich niet heeft gehouden aan de navolgende bijzondere voorwaarden:
1. verweerder zal deelnemen aan een supervisietraject bij een erkende supervisor binnen de 
proeftijd van twee jaren. Verweerder doet binnen één maand na het ingaan van de proeftijd aan de 
IGJ opgave van de persoon van de supervisor;

2. verweerder informeert de IGJ uiterlijk drie maanden na het ingaan van de proeftijd over concreet 
geformuleerde supervisiedoelen, waarbij er in ieder geval aandacht is voor het thema afstand en 
nabijheid en persoonlijke en professionele grenzen binnen een zorgrelatie en (zelf)reflectie in dat 
kader. De doelen worden in samenspraak met de supervisor geformuleerd;
3. verweerder voert gedurende de proeftijd in ieder geval één keer per maand een gesprek met de 
supervisor;
4. verweerder informeert de IGJ iedere drie maanden schriftelijk, te starten drie maanden na het 
ingaan van de proeftijd, over de voortgang van het supervisietraject. Deze informatie, welke mede 
is ondertekend door de supervisor, moet in ieder geval omvatten: de aard, de globale inhoud, de 
voortgang en de frequentie van de supervisiegesprekken;
5. verweerder geeft de supervisor schriftelijk toestemming om de IGJ daarover direct te informeren 
indien het supervisietraject is afgebroken of gestopt;
6. verweerder informeert de IGJ door middel van een door de supervisor ondertekende en onderbouwde 
verklaring als de supervisor voor het verstrijken van de proeftijd van mening is dat de met de 
supervisiegesprekken te behalen doelen zijn bereikt;
-    draagt de IGJ op toezicht te houden op de algemene en bijzondere voorwaarden onder a) en b);
-    bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag waarop deze beslissing onherroepelijk is geworden en 
dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode dat verweerder in het register is 
ingeschreven en bevoegd is de daaraan verbonden bevoegdheden uit te oefenen;
-    bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften V&VN Magazine, De Verpleegkundig Specialist 
en Tijdschrift voor Gezondheidsrecht.

Deze beslissing is gegeven door P.M. de Keuning, voorzitter, A.P. den Exter, lid-jurist, D.M. van 
Etten, I.M. Bonte en W.M.E. Bil, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door A. Tingen, secretaris, en in 
het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026.