ECLI:NL:TGZRAMS:2026:232 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9600

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:232
Datum uitspraak: 06-10-2026
Datum publicatie: 06-10-2026
Zaaknummer(s): A2025/9600
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klager heeft bij het CIZ een aanvraag gedaan voor 24-uurszorg. De arts heeft als medisch adviseur bij het CIZ hierover advies gegeven. Klager meent dat dit advies niet op de juiste wijze tot stand is gekomen en dat hij bovendien zijn blokkerings- en correctierecht niet heeft kunnen uitoefenen. Het college is van oordeel dat klager wel het blokkeringsrecht toekwam, maar dat de arts klager niet in de gelegenheid heeft gesteld daarvan gebruik te maken is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Ook de overige klachtonderdelen zijn ongegrond.

A2026/9600

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 6 oktober 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klager,

tegen

C,
arts,
destijds werkzaam in D, verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde: E en F, werkzaam te G.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager heeft bij het CIZ een aanvraag gedaan voor 24-uurszorg. De arts werkt als medisch 
adviseur bij het CIZ. De klachten richten zich tegen het advies van de arts om de aanvraag af te 
wijzen. Klager meent dat dit advies niet op de juiste wijze tot stand is gekomen en dat hij 
bovendien zijn blokkerings- en correctierecht niet heeft kunnen uitoefenen. De arts heeft verweer 
gevoerd.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk niet ontvankelijk is en voor het 
overige kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de 
partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 26 januari 2026;
-  het verweerschrift met bijlagen;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 9 juli 2026.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten

3.1   Klager heeft op 31 augustus 2025 bij het CIZ een beroep gedaan op zorg in het kader van de 
Wet langdurige zorg (hierna: Wlz), omdat hij vindt dat hij 24 uur per dag zorg nodig heeft.

3.2   De arts werkt als medisch adviseur bij het CIZ. De arts heeft over klagers aanvraag op 22 
december 2025 een medisch advies opgesteld, na ontvangst van een machtiging van klager om medische 
stukken op te vragen en nadat over klager medische informatie van de huisarts was ontvangen.

3.3  Op basis van het advies van de arts heeft het CIZ de aanvraag op 23 december 2025 afgewezen.

4. De klacht
4.1   Het college gaat uit van de klachten zoals die tijdens het mondeling vooronderzoek zijn 
besproken. Klager verwijt de arts dat zij:
a) geen ruimte heeft gegeven voor het inroepen van het blokkeringsrecht en correctierecht;
b) haar standpunten niet deugdelijk heeft onderbouwd;
c) bij de behandeling van het dossier van klager bevooroordeeld was en ten opzichte van een eerdere 
aanvraag geen totale heroverweging heeft gemaakt;
d) bij de beantwoording van de vraag of zorg nodig was geen eigen diagnose heeft gesteld;
e) haar advies in de vorm van een beslissing heeft opgesteld;
f) in andere zaken adviezen heeft gegeven waartegen rechtsmiddelen zijn ingesteld;
g) geen andere zorgverleners heeft benaderd.

4.2  De arts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid klachtonderdeel f) in andere zaken adviezen gegeven waartegen rechtsmiddelen zijn 
ingesteld

5.1   Klager heeft zich op het standpunt gesteld dat er in CIZ-zaken vaker rechtsmiddelen worden 
ingesteld tegen adviezen, al of niet van deze arts. Klager meent dat dit in zijn klachtzaak 
onderzocht moet worden. Het college is van oordeel dat klager in dit onderdeel van zijn klacht niet 
ontvankelijk verklaard moet worden. Het college kan uitsluitend klachten behandelen over de 
zorgverlening van de arts in een concrete situatie. Het verzoek van klager staat in een te ver 
verwijderd verband van zijn klachtzaak en is voor de afdoening daarvan niet relevant. Dit betekent 
dat klager niet ontvankelijk moet worden verklaard in dit klachtonderdeel.

De criteria voor de beoordeling bij de overige klachtonderdelen
5.2  De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden.

De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.3  Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college 
behandelt hierna de klachtonderdelen van klager.

Klachtonderdeel a) geen ruimte gegeven voor het inroepen van het blokkeringsrecht en correctierecht
5.4   Het blokkeringsrecht is geregeld in artikel 7:464 lid 2, onder b, BW. Deze bepaling ziet 
onder meer op medische beoordelingen als bedoeld in artikel 7:446 lid 4 BW: handelingen ter 
beoordeling van de gezondheidstoestand van een persoon, verricht in opdracht van een ander dan die 
persoon in verband met onder meer de vaststelling van aanspraken of de toelating tot een 
voorziening.

5.5   De arts heeft zich op het standpunt gesteld dat klager geen blokkeringsrecht toekwam en heeft 
zich daarbij beroepen op de beschikking van de Hoge Raad van 1 december 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1670) 
en de daaraan voorafgaande conclusie van de advocaat-generaal (ECLI:NL:PHR:2022:762). Die zaak 
betrof echter een andere situatie. Het ging om een medisch advies aan een 
aansprakelijkheidsverzekeraar over de vraag of een eerdere medische behandeling lege artis was 
uitgevoerd. De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijk advies geen beoordeling van de 
gezondheidstoestand als bedoeld in artikel 7:446 lid 4 BW betreft. Ook de advocaat-generaal 
benadrukte dat het in die zaak ging om de beoordeling van een eerdere medische behandeling en niet 
om de beoordeling van de gezondheidstoestand van de patiënt, en noemde medische onderzoeken ten 
behoeve van indicatiestellingen op grond van onder meer de Wlz juist als voorbeeld van 
beoordelingen waarop artikel 7:446 lid 4 BW ziet.

5.6   In de onderhavige situatie heeft de arts aan de hand van medische gegevens de 
gezondheidstoestand van klager beoordeeld in verband met de vaststelling van zijn aanspraak op zorg 
op grond van de Wlz. Een dergelijke beoordeling valt naar haar aard binnen het bereik van artikel 
7:446 lid 4 BW. Dat de arts klager niet zelf heeft onderzocht maar haar beoordeling uitsluitend op 
reeds beschikbare medische stukken heeft gebaseerd, maakt dat niet anders. Voor medische 
beoordelingen in het kader van de Wlz is het blokkeringsrecht niet bij wet uitgesloten.

5.7   Het college is van oordeel dat klager het in artikel 7:464 lid 2, onder b, BW neergelegde 
blokkeringsrecht toekwam.

5.8   De vaststelling dat klager het blokkeringsrecht toekwam, brengt echter niet zonder meer mee 
dat de arts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door hem niet in de gelegenheid te stellen 
daarvan gebruik te maken. Hoewel voor de toepasselijkheid van het blokkeringsrecht bepalend is wat 
de arts heeft beoordeeld en niet of zij klager zelf heeft onderzocht of nieuwe medische gegevens heeft verzameld, acht het college voor de vraag naar de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van belang dat hierover in de tuchtrechtspraak eerder anders is geoordeeld. Zo is in ECLI:NL:TGZRGRO:2015:45 geoordeeld dat het blokkeringsrecht niet van 
toepassing was op een uitsluitend op reeds beschikbare medische informatie gebaseerd partijrapport, 
mede omdat geen aanvullend onderzoek bij de betrokkene was verricht. Die situatie verschilt van de 
onderhavige Wlz-beoordeling, waarin de gezondheidstoestand van klager zelf werd beoordeeld met het 
oog op de vaststelling van zijn aanspraak op Wlz-zorg. Dat verschil verklaart waarom het college in 
deze zaak tot een andere conclusie komt over de toepasselijkheid van het blokkeringsrecht. De 
genoemde uitspraak laat echter wel zien dat in de tuchtrechtspraak aan het uitsluitend 
dossiermatige karakter van een medische beoordeling betekenis is toegekend bij de beantwoording van 
die vraag. Tegen deze achtergrond kan de arts niet tuchtrechtelijk worden verweten dat zij niet 
heeft onderkend dat het blokkeringsrecht ook op de onderhavige beoordeling van toepassing was.

5.9  Het college weegt daarnaast mee dat klager zich tegen de verstrekking van de onderliggende 
medische informatie had kunnen verzetten en niet is gebleken dat hij dat heeft gedaan. Dit doet 
niet af aan zijn blokkeringsrecht ten aanzien van de onderhavige beoordeling, maar is wel van 
betekenis voor de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid.

5.10  Onder deze omstandigheden kan de arts van het niet aanbieden van het blokkeringsrecht geen 
tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Het klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdelen b), geen deugdelijke onderbouwing van standpunten; c) bevooroordeeldheid ten 
opzichte van een eerdere aanvraag, geen totale heroverweging gemaakt; d) bij de beantwoording van 
de vraag of zorg nodig was geen eigen diagnose gesteld; en e) advies in de vorm van een beslissing 
opgesteld

5.11  Deze klachtonderdelen zien op de totstandkoming van het advies en zullen gezamenlijk worden 
behandeld. Het college is van oordeel dat het hier gaat om een uitgebreid advies dat op een 
correcte wijze tot stand is gekomen. Uit het advies blijkt duidelijk dat de arts zich heeft 
gebaseerd op de informatie die door klager is aangeleverd, en dat zij daarnaast ook nog gericht 
aanvullende informatie heeft opgevraagd bij klagers huisarts. In het advies zijn ook eerdere 
brieven van behandeld specialisten betrokken. De arts heeft op basis van deze informatie, en de 
duiding daarvan, de conclusie kunnen trekken dat klagers situatie niet voldoet aan de eisen van de 
Wlz, omdat er geen sprake is van noodzaak voor 24-uurs zorg in nabijheid. Zij heeft daarbij vermeld 
dat klager soms enkele seconden een trance zegt te hebben, waardoor hij geen alarm kan slaan, maar 
dat dit zo laagfrequent gebeurt dat dit geen 24-uurs hulp vereist.
Weliswaar is in het advies ook vermeld dat klager eerder een aanvraag heeft gedaan die is 
afgewezen, maar het college ziet niet dat de arts zich door die eerdere afwijzing heeft laten 
leiden of dat zij geen volledige nieuwe afweging zou hebben gemaakt.

Het klopt dat de arts geen zelfstandige diagnose heeft gesteld, maar dat was ook niet haar taak. 
Door andere zorgverleners waren al diagnoses gesteld, in het kader van klagers aanvraag is het 
daarna de taak van de arts om op basis van die diagnoses een advies op te stellen.
Tot slot oordeelt het college wat betreft het verwijt van klager dat het advies in de vorm van een 
beslissing is opgesteld als volgt. De arts heeft op bladzijde 21 van haar advies enkele conclusies 
getrokken, waarbij zij op bladzijde 23 samenvattend heeft vermeld dat uit het onderzoek niet naar 
voren komt dat sprake is van een noodzaak van 24-uurs zorg in nabijheid. Het college kan deze 
gevolgtrekkingen niet anders lezen dan dat het daarbij om een advies gaat. Vervolgens is - op basis 
van het advies - door de onderzoeker, en niet door de arts, namens het CIZ een beslissing genomen.

Klachtonderdeel g) het niet benaderen van andere zorgverleners
5.12  De arts heeft informatie ingewonnen bij klagers huisarts, die moet worden beschouwd als 
klagers regiebehandelaar. De huisarts heeft niet gemeld dat klager nog bij anderen onder 
behandeling zou zijn. Weliswaar heeft klager gesteld dat er nog specialisten benaderd hadden moeten 
worden, maar hij heeft nergens aangegeven welke specialisten dat dan zouden moeten zijn. Onder deze 
omstandigheden was er voor de arts geen aanleiding om - bij wie dan ook - nog nadere informatie in 
te winnen.

Slotsom
5.13  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klager kennelijk niet ontvankelijk verklaard moet 
worden ten aanzien van klachtonderdeel f, en dat de overige onderdelen van de klacht kennelijk 
ongegrond zijn.

6 De beslissing

Het college:
-  verklaart klager kennelijk niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel f;
-  verklaart de klacht voor het overige kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 6 oktober 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
L.J. Knap, lid-jurist, L. de Jong, J. Dogger en P. Eken, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
M.C. Sijtsema, secretaris.