ECLI:NL:TGZRAMS:2026:231 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9623

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:231
Datum uitspraak: 06-10-2026
Datum publicatie: 06-10-2026
Zaaknummer(s): A2026/9623
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht tegen een arts. Klaagster werd in het kader van de verzuimbegeleiding begeleid door de arts. Klaagster verwijt de arts onder andere onvoldoende begeleiding bij een second opinion en schending van de vertrouwelijkheid. Het college oordeelt dat ook nadat de verzuimbegeleiding door een collega was overgenomen, de bedrijfsarts de voortgang van het verzoek om een second opinion had moeten controleren en zo nodig zijn supervisor of de arbodienst tot vervolgactie had moeten bewegen. Ook had de arts niet bij de werkgever mogen aangeven dat klaagster geen toestemming gaf voor het opvragen van medische informatie. Dit is niet zonder meer informatie die de werkgever nodig heeft. Waarschuwing.

A2026/9623

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing van 6 oktober 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klaagster,

tegen

C,
destijds arts niet in opleiding tot specialist bedrijfsgeneeskunde (ANIOS), destijds werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. L. Greebe, werkzaam te Utrecht.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Klaagster werd in het kader van de verzuimbegeleiding begeleid door de arts. Klaagster 
verwijt de arts onder andere dat hij het re-integratieadvies onterecht heeft teruggedraaid, haar 
onder druk heeft gezet om te re-integreren, niet onafhankelijk is geweest, zijn beroepsgeheim heeft 
geschonden en geen gehoor heeft gegeven aan haar wens om een second opinion uit te laten voeren. De 
arts heeft verweer gevoerd.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is en legt de arts de 
maatregel van een waarschuwing op. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. 
Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 januari 2026;
-  het verweerschrift met de bijlagen;
-  het proces-verbaal van het op 4 juni 2026 gehouden mondelinge vooronderzoek;
-  de brief van klaagster van 28 juli 2026 met bijlagen, binnengekomen op 4 augustus 2026;
-  de brief van klaagster van 11 augustus 2026, met het verzoek om E te horen als getuige;
-  de brief van klaagster van 13 augustus 2026, met het verzoek om F te horen als getuige.

2.2   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 25 augustus 2026. De partijen zijn 
verschenen. De arts werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor klaagster was een tolk aanwezig. De 
partijen en de gemachtigde hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Van het horen van de door 
klaagter gevraagde getuigen is met toestemming van klaagster afgezien.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Op 20 augustus 2024 meldde klaagster zich ziek bij haar werkgever in verband met postnatale 
klachten. De arts, werkzaam bij arbodienst G, was tussen september 2024 en mei 2025 betrokken in 
het kader van klaagsters verzuimbegeleiding samen met een ‘adviseur werkvermogen’ en onder 
supervisie van een bedrijfsarts.

3.2   Op 17 september 2024 vond een eerste (online) consult tussen klaagster en de arts. De arts 
noteerde in het medisch dossier hierover (alle citaten voor zover van belang en letterlijk 
weergegeven):
 

’’Beperkingen:
angst en paniek waardoor niet goed autorijden. Concenteren gaat heel moeilijk. Zelfzorg. Kan niet 
goed nadenken en focussen. Is nu aan het focussen op zelfzorg en zorg voor baby. (..)

Beleid:
- momenteel nog niet inzetbaar voor eigen taken en daar er nog in het geheel geen contact is 
geweest met haar werk adviseer ik dat als een eerste stap
- advies steunend contact met werknemer
- nu focus op herstel en therapie van de angst en paniekklachten en PP-depressie
- 2-4 weken revisie
- uitleg dat voorzichtige reintegratie therapeutisch kan zijn. Eerst werkverhouding aan werken’’

3.3  Het online vervolgconsult was op 9 oktober 2024. In het medisch dossier staat daarover het 
volgende:

’’(..)
Heeft sinds het vorige consult een aantal gesprekken gehad met de werkgever. Dit voelde nog erg bot 
voor haar. Strekking was kom je terug of niet.
(..)
Ik voel heel veel weerstand bij mw tav start maken met RI. Gesprek over belang van start met RI en 
dat herstel en RI hand in hand dienen te gaan. Bespreek wel met werkgever de werkgerelateerde 
factoren die dit in de weg staan. Dit is mijn dwingende advies.
Onderzoek:
komt nu niet mentaal zwak op mij over, wel strijdbaar. Verzorgd uiterlijk. komt met argumenten 
waarom ze niet kan werken en vanuit eerdere ervaringen. Uiteindelijk patstelling in de situatie: ik 
adviseer start te maken met RI. Zij is het hier niet mee eens. Dit wekt bij mij wel irritatie op en 
ik vind de gedachtengang en resolute weerstand tegen de start van RI ook niet invoelbaar.

Advies op echt een start te maken met RI werkzaamheden
- 2 x 1 uur per week lichte werkzaamheden zonder tijdsdruk en verantwoordelijkheden
- advies om echt met werkgever te spreken over de werkgerelateerde factoren evt met een 
onpartijdige derde persoon/ mediation
- medewerker is het hier niet mee eens.

- 4 weken revisie ivm weerstand bij mij op het fysieke spreekuur’’

3.4  Op 13 november 2024 vond er opnieuw een (online) consult plaats. De arts noteerde over het 
consult:

’’De situatie rondom haar gezondheid is stabiel. Weinig verandering in. Zit nu sinds 6 weken aan de 
medicatie. (..)
Heeft nog wel wat paniekklachten, maar zijn minder erg. Verteld dat ze is gestopt met psycholoog 
vanwege kosten en weinig effect. Heeft nu alleen behandeling en gesprekken met haar huisarts
(..) is terughoudend om nu details te verstrekken voor opvragen MI (..)
Advies:
- koffiemoment inplannen met werkgever om eerste stapjes van RI in aangepaste werkzaamheden te gaan 
verkennen. Advies om dit in een constructieve empathische wijze vorm te geven/
- advies om wel psychologische hulp te zoeken. Bijvoorbeeld via HA of evt via TMM: gefaciliteerd 
door werkgever indien gewenst.
- vervolgconsult 4-6 weken AW’er voor evaluatie van de situatie: is er contact gelegd en een basis 
voor opbouw RI gelegd?’’

3.5   Bij het consult op 9 januari 2025 met de adviseur werkvermogen gaf klaagster aan een second 
opinion aan te willen vragen of een deskundigenoordeel.

3.6   Vervolgens was er een online consult met de arts op 20 januari 2025. Hierbij zei klaagster 
geen vertrouwen te hebben in de contacten met de arts en de adviseur werkvermogen, en de 
begeleiding als erg onprettig te ervaren. De arts noteerde over het consult:

’’(..)
Geen medische argumenten wat mij betreft op basis van de informatie die ik nu krijg om nu niet met 
reintegratie te starten. Eventueel dus in een andere omgeving ivm de belemmering die ze ervaart 
voor RI op haar eigen werkplek.
Ze wil desgevraagd niet meewerken aan opvragen medische informatie. (..)
advies:
- wg en wn in gesprek gaan over de eerder belemmerende factoren
- 2e spoor advies indien RI binnen haar eigen werkgever niet van start gaat.
- dan vvc voor IZP en ADO- sprake van conflict? Zegt zelf van niet
- gesprek en uitleg over 2e spoor als optie indien belemmeringen om te starten met RI op de eigen 
werkplek onoverbrugbaar blijven ( zoals tot op heden is gebleken)
- 4-6 weken vvc AW om voortgang te evalueren indien blijvende stagnatie (..)’’

3.7   Tijdens het consult op 31 maart 2025 gaf klaagster opnieuw aan ontevreden te zijn over de 
verzuimbegeleiding en zij verzocht om een second opinion. De arts gaf vervolgens uitleg over de 
mogelijkheid van een deskundigenoordeel. Ook vroeg de arts nogmaals toestemming voor het delen van 
gegevens van klaagsters behandelaar vanwege de ontstane situatie van stagnatie in herstel en 
re-integratie. Klaagster wilde geen toestemming geven om medische informatie op te vragen. De arts 
heeft daarop overleg gevoerd met de superviserend bedrijfsarts.

3.8  Tegelijkertijd diende klaagster een klacht in bij de arbodienst tegen de arts en de adviseur 
werkvermogen over de verzuimbegeleiding.

3.9   Uit de terugkoppeling die op 6 mei 2025 naar klaagster is verzonden volgt dat na overleg 
tussen de arbodienst en het UWV inzake de WAZO-toekenning werd besloten om het eerder gegeven 
advies om te re-integreren te wijzigen, in die zin dat de eerder voorgestelde 
re-integratiewerkzaamheden kwamen te vervallen.

3.10  Hierna is de verzuimbegeleiding van klaagster overgedragen aan een andere bedrijfsarts.

4. De klacht en de reactie van de arts
4.1  Klaagster verwijt de arts dat hij:
a) het medisch oordeel (re-integratieadvies) onvoldoende heeft onderbouwd en dit oordeel zonder 
medische basis heeft teruggedraaid;
b) druk heeft uitgeoefend om te re-integreren;
c) geen onafhankelijke rol heeft ingenomen;
d) onvoldoende informatie en begeleiding bij het verkrijgen van een second opinion heeft gegeven;
e) het medisch beroepsgeheim heeft geschonden door binnen het caseteam medicatie gegevens te delen;
f)  de vertrouwelijkheid heeft geschonden door in de rapportage op te nemen dat klaagster geen 
toestemming gaf om medische informatie op te vragen.

4.2   De arts heeft het college verzocht de klachten ongegrond te verklaren, dan wel 
klachtonderdeel d) gegrond te verklaren zonder oplegging van een maatregel.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1   De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. 
Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor 
hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) re-integratieadvies onvoldoende onderbouwd en onterecht teruggedraaid
5.2   Klaagster verwijt de arts dat hij het medisch oordeel (re-integratieadvies) van maart 2025 
onvoldoende heeft onderbouwd en dit oordeel op 6 mei 2025 zonder medische basis heeft 
teruggedraaid. De arts stelt zich op het standpunt dat het advies werd gewijzigd ten gevolge van de 
onrust tussen de arbodienst, de werkgever en klaagster die was ontstaan, na overleg met het UWV en 
de medisch directeur van de arbodienst. De arts is hier niet bij betrokken geweest.

5.3   Het college is van oordeel dat het re-integratieadvies voldoende is onderbouwd. De arts heeft 
tijdens het mondeling vooronderzoek toegelicht dat in de terugkoppeling van 6 mei 2025 abusievelijk 
staat opgenomen dat klaagster op het spreekuur van de arts is gesproken, en dat dit het gevolg was 
van het gehanteerde standaardformat van de brief. Dat deze standaardtekst niet is 
aangepast/weggelaten in de terugkoppeling is ongelukkig, maar niet klachtwaardig. Daarnaast vindt 
het college de wijziging in het re-integratieadvies, die was gebaseerd op overleg tussen de 
arbodienst en het UWV, rekeninghoudend met de ontstane situatie invoelbaar. Klaagster had reeds een 
klacht tegen de arts ingediend bij de arbodienst waaruit volgt dat er een vertrouwensbreuk was. 
Voor zover de arts nog bij het overleg en terugdraaien van het advies betrokken was heeft hij 
adequaat gehandeld en is van een tuchtrechtelijk verwijt geen sprake.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel b) en c) druk uitgeoefend bij re-integratie en geen onafhankelijke rol
5.4   Het college behandelt de klachtonderdelen b en c gezamenlijk, omdat beide betrekking hebben 
op de wijze waarop de arts is overgekomen bij klaagster.

5.5   Het college gaat niet mee in het standpunt van klaagster dat de arts druk heeft uitgeoefend 
bij de re-integratie en geen onafhankelijke positie heeft ingenomen tijdens de verzuimbegeleiding. 
Het is onderdeel van zijn taak als arbo-arts om bij het doen van onderzoek naar functionele 
mogelijkheden en beperkingen de subjectieve waarnemingen in de eigen medische aantekeningen op te 
schrijven. Daarnaast heeft het college, anders dan klaagster meent, op grond van het dossier 
onvoldoende aanwijzingen dat de arts geen onafhankelijke rol heeft ingenomen en kan het college ook 
niet vaststellen dat de arts een onaanvaardbare druk heeft uitgeoefend op klaagster om te 
re-integreren. Dat klaagster dit anders heeft opgevat en het niet eens is met de 
re-integratieadviezen, dan wel de bewoordingen van de arts in de rapportages, maakt dat niet 
anders.
Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

Klachtonderdeel d) onvoldoende informatie en begeleiding bij verkrijgen second opinion
5.6   Op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet en 
artikel 2.14d van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft een werknemer, onder de daarvoor geldende 
voorwaarden, recht op een second opinion door een onafhankelijke bedrijfsarts over het advies van 
de behandelend bedrijfsarts. Dit recht is bedoeld om de werknemer de mogelijkheid te geven om een 
onafhankelijk medisch advies van een andere arts te krijgen zodat de werknemer vertrouwen houdt in 
de verzuimbegeleiding. De behandelend bedrijfsarts is verantwoordelijk voor een zorgvuldige 
behandeling van een verzoek om een second opinion. Dat betekent dat een dergelijk verzoek 
voortvarend wordt behandeld, dat de werknemer duidelijk wordt geïnformeerd over de procedure en dat 
de bedrijfsarts, als zich belemmeringen voordoen, zich actief inspant om de second opinion alsnog 
doorgang te laten vinden of de werknemer daarover zorgvuldig te informeren. Deze verplichtingen 
zijn nader uitgewerkt in de NVAB-Leidraad Second Opinion Bedrijfsarts (2019).

5.7   De arts was bekend met het verzoek om een second opinion en met het belang daarvan voor 
klaagster. Ook nadat de verzuimbegeleiding door een collega was overgenomen, had hij binnen zijn 
professionele verantwoordelijkheid de voortgang van klaagsters verzoek moeten controleren en zo 
nodig zijn supervisor of de arbodienst tot vervolgactie moeten bewegen. Het college weegt daarbij 
mee dat het overnemen van de begeleiding door een collega niet gelijk te stellen is met een second 
opinion, omdat een second opinion een onafhankelijk advies over het voorgaande traject inhoudt. 
Niet blijkt dat de arts heeft onderzocht of de second opinion na de overdracht van de 
verzuimbegeleiding was opgepakt of dat hij actie heeft ondernomen om alsnog een second opinion tot 
stand te brengen. Zijn verantwoordelijkheid eindigde onder deze omstandigheden niet bij de aanname 
dat aan de wens van een second opinion tegemoet was gekomen of zou gaan komen na de overdracht.
Klachtonderdeel d is gegrond.

Klachtonderdeel e) medisch beroepsgeheim geschonden
5.8   Volgens klaagster heeft de arts zijn medisch beroepsgeheim geschonden door medische 
informatie te delen met de adviseur werkvermogen van de arbodienst. De arts heeft aangevoerd dat 
het toegestaan was om deze informatie te delen met de adviseur werkvermogen, die als 
taakgedelegeerde van de bedrijfsarts werkzaam was. Het college volgt de arts hierin, want er is 
geen sprake van het schenden van het medisch beroepsgeheim bij het intern verlenen van toegang tot 
medische gegevens indien er gewerkt wordt onder taakdelegatie van de bedrijfsarts. Dit 
klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel f) vertrouwelijkheid geschonden door informatie in rapportage op te nemen
5.9   Op grond van artikel 7:457 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een arts gehouden tot 
geheimhouding van de gegevens die hem in zijn hoedanigheid als arts over de patiënt of werknemer 
bekend zijn geworden. Verstrekking van medische gegevens aan derden is slechts toegestaan met 
toestemming van de betrokkene of indien daarvoor een wettelijke grondslag bestaat. In het kader van 
de verzuimbegeleiding mag een bedrijfsarts of een onder diens verantwoordelijkheid werkzame 
arbo-arts aan de werkgever uitsluitend die informatie verstrekken die noodzakelijk is voor de 
uitvoering van diens wettelijke verplichtingen op het gebied van verzuimbegeleiding en 
re-integratie. Dit volgt tevens uit de professionele standaard, waaronder de Leidraad Bedrijfsarts 
en privacy en de Leidraad Privacy van de NVAB. Het college beoordeelt of de arbo-arts heeft 
gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende arts onder supervisie mocht worden 
verwacht.

5.10  In de terugkoppeling van 31 maart 2025 is aan de werkgever meegedeeld dat klaagster geen 
toestemming had gegeven voor het opvragen van informatie bij haar behandelaar. De arts heeft 
toegelicht dat hij in situaties zoals deze waar sprake is van een stagnerende re-integratie, het 
relevant vindt om aan te geven of een werknemer coöperatief is in de verzuimbegeleiding. Naar het 
oordeel van het college vormt dit, gezien het genoemde wettelijk kader, geen voldoende rechtvaardiging voor het met de werkgever delen dat klaagster geen toestemming gaf voor het opvragen van de medische informatie. De vraag of een werknemer toestemming geeft voor het opvragen van medische informatie bij een behandelaar betreft 
de medische begeleiding en is niet zonder meer informatie die de werkgever nodig heeft. Klaagster 
had het wettelijk recht om geen toestemming te geven. De arts had niet bij de werkgever mogen 
aangeven dat er weerstand bij klaagster bestond.
Klachtonderdeel f is gegrond.

Slotsom
5.11  Uit het voorgaande volgt dat klachtonderdelen d) en f) gegrond zijn en de andere 
klachtonderdelen ongegrond.

Maatregel
5.12  Nu de klacht gedeeltelijk gegrond is, moet het college beoordelen of en zo ja welke maatregel 
passend en geboden is. Het college rekent de arts aan dat hij, ondanks dat klaagster meerdere malen 
kenbaar maakte dat zij een second opinion wilde, geen actie heeft ondernomen om dat te faciliteren. 
Gelet op het belang van een second opinion voor een werknemer mocht van hem worden verwacht dat hij 
actief aan de wens van klaagster meewerkte, hieraan opvolging gaf en zo nodig zijn supervisor of de 
arbodienst tot verdere actie aanzette. Verder heeft de arts informatie verstrekt aan de werkgever 
van klaagster terwijl het delen van deze informatie niet op deze manier had gemogen. Van een arts 
mag worden verwacht dat hij zich bewust is van zijn beroepsgeheim en zich bij iedere terugkoppeling 
beperkt tot de informatie in algemene/neutrale bewoordingen die de werkgever voor de re-integratie 
redelijkerwijs nodig heeft. De mededeling dat klaagster geen toestemming had gegeven voor het 
opvragen van informatie bij zijn behandelaar voldoet niet aan dit vereiste.
Anderzijds weegt het college ook mee dat de arts weliswaar een ervaren arts is, maar als arbo-arts 
onervaren. Bovendien werkte de arts onder supervisie van de bedrijfsarts en gaat het college ervan 
uit dat de opleider de rapportages en adviezen mede heeft beoordeeld en de arts in beginsel op deze 
beoordeling mocht vertrouwen. Hoewel de supervisie niet ter toetsing voorligt en het voorgaande 
niet afdoet aan de eigen verantwoordelijkheid van de arts, weegt het naar het oordeel van het 
college wel mee in de uiteindelijk op te leggen maatregel. Daarbij heeft het college ook de indruk dat de arts zich bewust is geworden van de verbeterpunten en dat hij deze meeneemt in zijn huidige werkzaamheden. Dit alles maakt dat het college de maatregel van waarschuwing passend vindt.

Publicatie
5.13  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal 
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing

Het college:
-  verklaart klachtonderdeel d en f gegrond;
-  legt de arts de maatregel op van een waarschuwing;
-  verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
publicatie zal worden aangeboden aan Medisch Contact en het Tijdschrift voor Bedrijfs- en 
Verzekeringsgeneeskunde.

Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, L.J. Knap, lid-jurist, L. 
de Jong, J. Dogger en P. Eken, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema,
secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.