ECLI:NL:TGZRAMS:2026:230 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9157
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:230 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-10-2026 |
| Datum publicatie: | 06-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9157 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat zij haar klachten niet serieus heeft genomen, niet tijdig medische informatie heeft ingewonnen en druk heeft uitgeoefend om te re-integreren. Het college stelt voorop dat het beter was geweest als de bedrijfsarts klaagster fysiek had gezien. De werkgever waar de bedrijfsarts voor werkte had echter als beleid dat gesprekken telefonisch plaatsvonden omdat de arbodienst landelijk werkt en de reisafstand in veel gevallen te groot is om werknemers op een fysiek spreekuur te beoordelen. Een bedrijfsarts die onder deze omstandigheden moet werken, moet daarop alert zijn door waarborgen te creëren die maken dat toch een zo goed mogelijk beeld kan worden gevormd. Dat heeft de bedrijfsarts voldoende gedaan. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond. |
A2025/9157
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 6 oktober 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B, klaagster,
gemachtigden: mr. T. Schouten, werkzaam in Roermond, en C,
tegen
D,
bedrijfsarts,
destijds werkzaam in E,
verweerster, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam te Hilversum.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster is gedurende bijna twee jaar door de bedrijfsarts begeleid tijdens
haar verzuim.
Klaagster verwijt de bedrijfsarts onder andere dat zij haar klachten niet serieus
heeft genomen,
niet tijdig medische informatie heeft ingewonnen en druk heeft uitgeoefend om te
re-integreren. De
bedrijfsarts voert verweer.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de bedrijfsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna
licht het college
de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 8 december 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 25 augustus 2026. Partijen zijn
verschenen,
bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten
mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college
en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 Klaagster viel in maart 2023 ziek uit wegens somatische en psychische klachten.
Zij kreeg
diverse multidisciplinaire en specialistische behandelingen. Gedurende de periode
daarna zijn
vooral haar psychische klachten in ernst toegenomen.
3.2 De bedrijfsarts was op zelfstandige basis werkzaam bij een landelijke arbodienst
en
verantwoordelijk voor de verzuimbegeleiding die startte in mei 2023. Daarnaast waren
twee
praktijkondersteuners van de arbodienst (zgn. ‘werkhervatting specialist’) betrokken
bij de
begeleiding via taakdelegatie.
3.3 De contacten tussen klaagster en de bedrijfsarts bestonden uit vijf telefonische
consulten op
7 juni, 18 oktober, 13 december 2024, 4 februari en 1 april 2025. Daarnaast vond
op 15 december
2023 een fysiek spreekuur plaats in de buurt van klaagsters woonplaats door een
basisarts (onder
supervisie van een verzekeringsarts), op 31 mei 2024 volgde een verzekeringsgeneeskundige
expertise
tijdens een huisbezoek door een verzekeringsarts, en op 28 november 2024 vond een
spreekuur plaats
door een andere verzekeringsarts in de buurt van klaagsters woonplaats.
3.4 Eind juli 2023 werd de re-integratie tijdelijk opgeschort in verband met een
intensieve
behandeling (revalidatietraject) en een toename van de beperkingen. Uit een vervolgens
opgestelde
kritische Functionele Mogelijkhedenlijst (hierna: FML) volgde dat ondanks beperkingen
re-integratie
mogelijk was in de vorm van passend werk met een opbouw in duur. Met klaagster werd
de afspraak
gemaakt dat zij op arbeidstherapeutische basis een half uur per week zou inloggen
op de laptop van
haar werk.
3.5 Nadat de situatie van klaagster was verslechterd werd de re-integratie van klaagster
in
februari 2024 opnieuw opgeschort. Uit een arbeidsdeskundig onderzoek van 2 maart
2024 bleek dat er
een oriëntatietraject in het tweede spoor opgestart diende te worden. Hiervoor werd
in april 2024
een haalbaarheidsonderzoek gedaan, maar in verband met de grote toename van met
name psychische
beperkingen bij klaagster werd in overleg met de bedrijfsarts de intake ten behoeve
van het tweede
spoor opgeschort.
3.6 Om de belastbaarheid in kaart te brengen vond er op 31 mei 2024 een verzekeringsgeneeskundig
onderzoek plaats bij klaagster thuis. Klaagster belandde in een crisis, waarna zij
via de huisarts
antidepressiva medicatie kreeg voorgeschreven vanwege suïcidale gedachten en werd
verwezen naar
psychotherapie.
3.7 Uit de rapportage van 18 juni 2024 van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek
kwam naar voren
dat er mogelijkheden waren voor fysiek en mentaal weinig belastend werk. Dat advies
nam de bedrijfsarts over, waarna werd gestart met de intake voor het tweede spoor.
3.8 De bedrijfsarts vroeg gedurende de begeleiding van klaagster op meerdere momenten
medische
informatie op bij onder meer klaagsters revalidatiearts, fysiotherapeut, GGZ-behandelaar
en
huisarts.
3.9 Op 28 november 2024 vond opnieuw een consult door een verzekeringsarts plaats
in de buurt van
de woonplaats van klaagster. De verzekeringsarts beoordeelde dat klaagster voorlopig
arbeidsongeschikt was gelet op haar medische situatie en beperkingen. Het advies
was om de
re-integratie stop te zetten en geen contact meer op te nemen met klaagster, in
afwachting van de
WIA-beoordeling.
4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1 Klaagster verwijt de bedrijfsarts:
a) structurele nalatigheid in het serieus nemen van suïcidale signalen, ondanks
meldingen/waarschuwingen door klaagster zelf en haar huisarts;
b) weigering of nalatigheid in het tijdig inwinnen van medische informatie van behandelaren,
ondanks toestemming en herhaalde verzoeken;
c) aanhoudende druk tot re-integratie, ondanks psychische instabiliteit en herhaalde
crisissituaties tijdens en na consulten.
4.2 De bedrijfsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren,
omdat zij niet
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 Het college stelt voorop dat de ziekte veel impact heeft gehad en nog steeds
heeft op
klaagster. Het is duidelijk dat klaagster zeer beperkt wordt in haar dagelijkse
bezigheden, en zich
slechts kan handhaven dankzij de steun van haar naasten. Desondanks moet het college
de ingediende
klacht beoordelen aan de hand van zakelijke criteria.
De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd
genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel a) en c) structurele nalatigheid in het serieus nemen van suïcidale
signalen,
ondanks meldingen/waarschuwingen door klaagster zelf en haar huisarts en aanhoudende
druk tot re-integratie, ondanks psychische instabiliteit en herhaalde crisissituaties
tijdens en na consulten
5.2 De klachtonderdelen a) en c) lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Klaagster
verwijt de
bedrijfsarts met name dat zij klaagster nooit fysiek of zelfs maar via een videoverbinding
heeft
gezien en daardoor geen goed beeld heeft kunnen krijgen van haar verslechterende
mentale
gezondheid.
Het college stelt voorop dat het inderdaad beter was geweest als de bedrijfsarts
klaagster zelf een
of meerdere keren fysiek had gezien, zeker toen klaagsters psychische problemen
verergerden en er
ook sprake was van suïcidaliteit. De arbodienst waar de bedrijfsarts op dat moment
voor werkte had
echter als beleid dat gesprekken tussen de bedrijfsarts en de werknemer telefonisch
plaatsvonden.
Dit heeft te maken met het feit dat de arbodienst landelijk werkt en de reisafstand
daardoor in
veel gevallen te groot is om werknemers op een fysiek spreekuur te beoordelen. Het
gevaar van een
dergelijk beleid is dat bij deze manier van consultaties, zeker bij complexe problematiek,
relevante signalen gemist kunnen worden. Een bedrijfsarts die onder deze omstandigheden
moet
werken, moet daarop alert zijn door waarborgen te creëren die maken dat toch een
zo goed mogelijk
beeld kan worden gevormd.
5.3 Het college is van oordeel dat de bedrijfsarts, binnen de beperkingen die waren
gegeven door
de werkwijze van haar werkgever, voldoende invulling heeft gegeven aan deze waarborgen.
Naast de
vijf telefonische consulten die zij met klaagster heeft gevoerd heeft zij drie fysieke
onderzoeken
laten plaatsvinden waarbij klaagster werd gezien door een verzekeringsarts en een
basisarts die
onder supervisie van een verzekeringsarts werkt.
Dat de bedrijfsarts door deze handelwijze belangrijke signalen van klaagster zou
hebben gemist is
het college niet gebleken. De bedrijfsarts heeft op basis van de door haar gevoerde
gesprekken en
de andere gesprekken aanvankelijk besloten dat een lichte mate van
re-integratie mogelijk was. Vanaf juli 2023 heeft zij echter meermalen geadviseerd
om de
re-integratie van klaagster op te schorten, en in november 2024 is besloten - gezien
de psychische
nood waarin klaagster verkeerde - om de re-integratiepogingen helemaal te staken
in afwachting van
de beoordeling voor een WIA-uitkering.
Achteraf is gebleken dat klaagster veel druk heeft ondervonden van de beoordelingsmomenten,
in
combinatie met het advies van de bedrijfarts om toch te proberen om te re-integreren.
Een fysiek
gesprek had die druk mogelijk weggenomen of verminderd, en mogelijk had zo’n gesprek
de
bedrijfsarts dan tot een andere afweging gebracht over de reactiverende adviezen
die zij gaf. Daar
staat tegenover dat klaagster door haar mentale ontreddering niet uitsluitend druk
ondervond van de
gesprekken met de bedrijfsarts, maar ook van andere gebeurtenissen.
5.4 Het college vindt niet dat de bedrijfsarts de suïcidale signalen van klaagster
niet serieus
zou hebben genomen, ondanks meldingen/waarschuwingen door klaagster zelf en haar
huisarts.
Weliswaar staat vast dat de geestelijke en lichamelijke gezondheid van klaagster
er ten tijde van
de consulten met de bedrijfsarts steeds op is achteruitgegaan, maar dat betekent
nog niet dat dit
aan de bedrijfsarts is te wijten. Uit de notities van de consulten blijkt dat de
bedrijfsarts zich terdege realiseerde dat klaagster suïcidale gedachten had, waarbij
de bedrijfsarts meermalen een afweging over de ernst daarvan heeft gemaakt. Het feit dat
er een terugvalplan was gemaakt en de afspraak dat klaagster op korte termijn bij
de huisarts
terecht kon bij het optreden van suïcidale gedachten hebben de bedrijfsarts doen
concluderen dat er
geen directe dreiging was.
Klaagster gaf ter zitting aan dat de gedachten wel degelijk concreet waren. Maar
het college kan
niet vaststellen wat er tijdens de contacten precies is verteld door klaagster,
omdat het college
daar niet bij was. Los van het feit dat een precieze reconstructie van de gesprekken/consulten
niet
mogelijk is, moet in aanmerking worden genomen dat een en ander heeft plaatsgevonden
in een
interactie tussen mensen en daarmee ook altijd onderhevig is aan persoonlijke interpretatie.
Van
aanhoudende -ongeoorloofde- druk tot re-integratie is naar het oordeel van het college
geen sprake geweest. De bedrijfsarts heeft naast het diverse malen gegeven advies
om de re-integratie op te schorten slechts zeer lichte
re-integratiewerkzaamheden geadviseerd, zoals het door klaagster kort inloggen op
haar laptop. Het
college kan de bedrijfsarts volgen in haar afweging hierbij dat zij klaagster ondanks
haar
problemen hierdoor enig perspectief wilde blijven bieden en haar niet al onmiddellijk
wilde
wegzetten als voorlopig niet meer bemiddelbaar voor werkzaamheden.
Al met al is het college van oordeel dat de afwegingen van de bedrijfsarts niet
tuchtrechtelijk
verwijtbaar zijn. De klachtonderdelen a) en c) zijn ongegrond.
Klachtonderdeel b) weigering of nalatigheid in het tijdig inwinnen van medische informatie
van
behandelaren, ondanks toestemming en herhaalde verzoeken
5.5 Door de bedrijfsarts is in augustus en september 2023 en in januari 2024 medische
informatie
opgevraagd bij klaagsters revalidatiearts, de fysiotherapeut, de GGZ-praktijk en
- in januari 2024 - de huisarts. Niet alle door de bedrijfsarts opgevraagde medische
informatie is
ontvangen, de GGZ-praktijk liet weten dat zij geen medische informatie zouden verstrekken.
Ook in
april, augustus en oktober 2024 is (aanvullende) medische informatie verkregen en
de bedrijfsarts
heeft in april 2024 telefonisch over klaagster gesproken met de praktijkondersteuner
GGZ van
klaagsters huisarts. De huisarts heeft uiteindelijk zelf de informatie van de GGZ-praktijk
meegestuurd, zodat de bedrijfsarts daar ook kennis van kon nemen. Het college is
op basis hiervan
van oordeel dat de bedrijfsarts zich bij de begeleiding van klaagster in voldoende
mate heeft
verstaan met de behandelaren van klaagster.
Dat sommige informatie niet tijdig ontvangen is kan de bedrijfsarts niet worden
verweten. Als
klaagster niettemin van mening was dat relevante informatie ontbrak, had zij die
ook zelf kunnen
delen met de bedrijfsarts. Bovendien weegt het college mee dat op meerdere momenten
de
re-integratie is opgeschort, zodat klaagster niet is benadeeld door het eventueel
ontbreken van
informatie. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond
is.
Publicatie
5.7 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat bedrijfsartsen mogelijk iets van deze zaak kunnen leren.
De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen
of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan Medisch Contact en het Tijdschrift voor Bedrijfs-
en
Verzekeringsgeneeskunde.
Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, L.J. Knap,
lid-jurist,
L. de Jong, J. Dogger en P. Eken, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema,
secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.