ECLI:NL:TGZRAMS:2026:220 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9969
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:220 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-09-2026 |
| Datum publicatie: | 21-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2026/9969 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De klacht is onvoldoende duidelijk om in behandeling te kunnen nemen, zo is onder andere onbekend tegen wie de klacht zich richt. In de (gevraagde) aanvulling van de klacht noemt klager een andere zorgverlener en een andere behandeling dan in zijn initiële klaagschrift. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 15 september 2026 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende in B,
hierna te noemen: klager.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 20 april 2026;
- de brief van de secretaris van 9 juni 2026;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 25 juni 2026;
- de brief van de secretaris van 3 juli 2026;
- de brief van de secretaris van 20 juli 2026.
2. De overwegingen
2.1 De voorzitter moet beoordelen of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. De
voorzitter is van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht.
Voor die beslissing is het volgende van belang.
2.2 Uit het klaagschrift zoals ontvangen op 20 april 2026 volgt dat klager een klacht
heeft over een zorgverlener die vier of vijf jaar geleden werkzaam was in het C in
B. Klager schrijft dat hij de operatiekamer inging met de diagnose gebroken schouder
en dat hij eruit kwam met een verlamde rechterarm.
2.3 Een klaagschrift moet voldoen aan een aantal krachtens de wet gestelde eisen.
Omdat het klaagschrift niet aan die eisen voldoet, heeft de secretaris van het college
klager bij brief van 9 juni 2026 gevraagd om een aantal vragen te beantwoorden, waaronder
de vraag tegen wie de klacht zich richt (de naam van de zorgverlener) en wat de klacht
precies is die klager heeft over deze zorgverlener.
2.4 Klager heeft hierop gereageerd per brief binnengekomen op 25 juni 2026. Hierin schrijft klager dat de klacht betreft “tandarts D [straat], B, organisatie E.” Verder schrijft klager dat hij bij deze tandarts is geweest toen hij nog geen gebitsprothese had, dat bij de vijfde afspraak de baliemedewerkster zei dat de tandarts afwezg was en bij de zesde afspraak een verpleegkundige zei dat de afspraak niet doorging.
2.5 Klager is er door de secretaris per brief van 3 juli 2026 op gewezen dat zijn klacht nog altijd onvoldoende duidelijk is om in behandeling te kunnen nemen en dat het ook onbekend is tegen wie de klacht zich richt. Uit zijn initiële klaagschrift volgt immers dat de klacht gaat over een operatie aan zijn schouder in het C en in de aanvulling van zijn klacht noemt hij dat de klacht zich richt tegen een tandarts werkzaam bij E. In deze brief van 3 juli 2026 zijn opnieuw een aantal vragen aan klager gesteld met het verzoek deze vragen te beantwoorden voor 17 juli 2026.
2.6 Op de brief van 3 juli 2026 heeft klager – ondanks herinnering per brief van 20 juli 2026 – niet gereageerd. Dit betekent dat nog steeds niet duidelijk is tegen wie de klacht is gericht en wat de beklaagde wordt verweten.
2.7 Daarom is klager kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.
3. De beslissing
Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.
Deze beslissing is gegeven op 15 september 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, bijgestaan door R. van der Vaart, secretaris.