ECLI:NL:TGZRAMS:2026:216 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9127
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:216 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-09-2026 |
| Datum publicatie: | 15-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9127 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klaagster was opgenomen in een GGZ-instelling vanwege onder meer suïcidaliteit en zelfbeschadigend gedrag. Klaagster verwijt verweerder dat bij haar – zonder wettelijke grondslag – onder dwang inwendig lichamelijk onderzoek is verricht en de arts medeverantwoordelijk was voor dit beleid. Het college stelt vast dat de lezingen van partijen over de uitvoering van het lichamelijk onderzoek uiteenlopen. De vraag die vervolgens voorligt is of het schouwen van de holtes dient te worden gezien als inwendig onderzoek. Het college oordeelt van niet. Verder is het gelet op de omstandigheden navolgbaar dat is overgegaan tot het schouwen van het lichaam. Verweerder heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. |
A2025/9127
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 15 september 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B, klaagster,
tegen
C,
arts, destijds ANIOS psychiatrie, destijds werkzaam te D, verweerder, hierna ook:
arts,
gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster was opgenomen in een geestelijke gezondheidszorg (hierna: GGZ) instelling
vanwege
onder meer suïcidaliteit en zelfbeschadigend gedrag. Eind 2023 is er een crisismaatregel
aangevraagd en opgelegd. Klaagster heeft een tuchtklacht ingediend tegen de zorgverleners,
onder
wie verweerder, die haar hebben gezien in de periode rondom de crisismaatregel.
Klaagster verwijt
verweerder dat op 6 februari 2024 bij haar – zonder wettelijke grondslag – onder
dwang inwendig
lichamelijk onderzoek is verricht, waardoor zij zwaar getraumatiseerd is.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure
is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 oktober 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 31 maart 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
Gelijktijdig met deze zaak zijn vier samenhangende klachten ingediend, bekend
onder zaaknummers A2025/9126 en A2025/9128 tot en met A2025/9130. De zaken zijn
gelijktijdig in raadkamer behandeld.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 In mei 2023 is klaagster, geboren in 2002, in beeld gekomen bij de GGZ, aanvankelijk
bij de
crisisdienst. Ook na het starten van medicatie nemen de klachten van klaagster,
waaronder
suïcidaliteit, zelfbeschadigend gedrag en impulscontroleproblemen, toe.
3.2 Op 5 september 2023 is klaagster vrijwillig opgenomen op de afdeling Medium
Care van E, een
locatie van F, in D (hierna: de instelling), ter begeleiding en monitoring van de
opbouw van de
medicatie en om nader onderzoek te doen naar de eventuele aanwezigheid van een
autismespectrumstoornis. Gedurende deze opname zijn de suïcidale gedachten van klaagster
verergerd,
waarna zij heeft ingestemd met overplaatsing naar de afdeling High Care met een
gesloten deur
beleid.
3.3 De situatie van klaagster is vervolgens verslechterd door verschillende psychosociale
stressoren. Na een eerste separatie in de nacht van 25 op 26 december 2023 vanwege
een acuut
verhoogd risico op suïcide, is er een crisismaatregel aangevraagd en verplichte
zorg ingezet. De
crisismaatregel is op 29 december 2023 tot en met 19 januari 2024 verlengd. Verweerder
is eind
december 2023 gevraagd door de behandelend psychiater van klaagster om (onder supervisie)
te
ondersteunen bij de zorg aan klaagster.
3.4 Nadat klaagster een time-out opname heeft in G in januari 2024, keert zij op
18 januari 2024
terug op de afdeling High Care. Hier vindt een heropname-gesprek plaats met twee
artsen, verweerder
en verweerster in de zaak met zaaknummer A2025/9129. Tijdens het gesprek is beoordeeld
of het
mogelijk is om vrijwillige zorg te verlenen aan klaagster. Klaagster heeft hierbij
aangegeven niet
te willen meewerken en diezelfde dag is geconstateerd dat zij zichzelf opnieuw heeft
beschadigd,
kennelijk met een (scheer)mesje. Na meerdere gesprekken is besloten om klaagster
te “strippen” en
te separeren. Er is geen mesje gevonden en later die avond heeft klaagster zich
opnieuw beschadigd.
3.5 Op 19 januari 2024 is besloten dat behandeling op vrijwillige basis niet mogelijk
is.
Klaagster heeft geweigerd het mesje af te geven en in de dagen hierna is meermaals
sprake van
automutilatie, maar is geen mesje gevonden. Op 24 januari 2024 heeft de rechtbank
besloten tot
voortzetting van de crisismaatregel tot en met 14 februari 2024.
3.6 Ook hierna zijn er nog verschillende momenten dat klaagster zichzelf beschadigt,
wegloopt van
de afdeling en is aangetroffen bij het spoor dan wel treinstation. Er vindt op
5 februari 2024 een voortgangsgesprek plaats met verweerster in de zaak met zaaknummer
A2025/9126
(hierna: de verpleegkundige), verweerder en verweerster in de zaak met zaaknummer
A2025/9129. Er is
met behulp van een “moreel beraad” een behandelplan vastgesteld. Na het voortgangsgesprek
is
klaagster weggerend, waarna zij is tegengehouden bij het spoor. Die nacht is klaagster
gespannen,
beschadigt zij zich opnieuw en weigert zij wederom het mesje af te geven.
3.7 Er is vervolgens telefonisch overleg tussen de begeleiding en de crisisdienst.
De
dienstdoende arts van de crisisdienst, verweerster in de zaak met zaaknummer A2025/9130,
heeft met
klaagster gesproken. Ook heeft deze arts overleg met de dienstdoende psychiater,
verweerster in de
zaak met zaaknummer A2025/9128. In dit gesprek is onder meer gesproken over de vraag
of volgens het
beleid “inwendig onderzoek” noodzakelijk is. Vanwege onderbezetting was inwendig
onderzoek echter
niet mogelijk. Daarom is door de dienstdoende arts van de crisisdienst in overleg
en afstemming met
de psychiater besloten om voor de nacht intensieve controles uit te voeren met cameratoezicht.
Overdag dient het behandelteam een herbeoordeling van het beleid te maken op basis
van de situatie
van dat moment.
3.8 De volgende ochtend, op 6 februari 2024, heeft de verpleegkundige vanwege mogelijke
bloedingen maandverband gegeven aan klaagster. Later in de ochtend is er een herbeoordeling
van de
situatie van klaagster met het behandelteam, de verpleegkundige, verweerder, verweerster
in de zaak
met zaaknummer A2025/9129 en een tweede vrouwelijke verpleegkundige. In het gesprek
is geprobeerd
klaagster te overtuigen om het mesje af te geven, maar dit lukt niet. Klaagster
is medegedeeld dat
zij opnieuw zal worden “gestript” als zij het mesje niet afgeeft, maar klaagster
bleef weigeren.
Met akkoord van klaagster is zij vervolgens aangemeld voor overplaatsing naar Hoog
Intensieve
Beveiligde Zorg. Na dit gesprek gaat de verpleegkundige over tot het “strippen”
van klaagster, in
aanwezigheid van een andere vrouwelijke collega.
4. De overwegingen van het college
4.1 Het is het college duidelijk dat klaagster door een zeer moeilijke periode
is gegaan. De
impact die de gehele situatie en meer specifiek het “strippen” op haar heeft gehad
en nog steeds
heeft, is groot. Ook ziet het college dat verweerder en de overige zorgverleners
zich in deze zeer
complexe situatie hebben ingespannen om klaagster goede hulp te verlenen.
De criteria voor de beoordeling
4.2 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
4.3 Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Hiertoe
overweegt het college als volgt.
De beoordeling van de klacht
4.4 Klaagster verwijt de arts dat op 6 februari 2024 bij haar – zonder wettelijke
grondslag –
onder dwang inwendig lichamelijk onderzoek is verricht, waardoor zij zwaar getraumatiseerd
is. De
verpleegkundige zou dit hebben verricht en klaagster acht verweerder hiervoor medeverantwoordelijk.
Klaagster heeft onder meer verwezen naar een (door haar geïnitieerde beschikking)
van de rechtbank van 20 december 2024 (ECLI:RBAMS:2024:8141) waarin onder andere uiteen
is gezet dat sprake is geweest van onderzoek in het lichaam en dat de Wet verplichte
geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) hier geen wettelijke grondslag voor
biedt. Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft klaagster aangegeven dat zij zich
herinnert dat
zij een vaginaal toucher heeft ondergaan. Ook heeft klaagster aangegeven dat zij
moest bukken, op
haar hand moest blazen en dat het verder gegaan is zoals zij bij de rechtbank heeft
verklaard.
4.5 Dat de verpleegkundige inwendig onderzoek (vaginaal of rectaal toucher) heeft
uitgevoerd bij
klaagster, is expliciet weersproken. De verpleegkundige heeft verklaard dat het
een vaste werkwijze
was om bij patiënten met een stevige verdenking op het bezit van gevaarlijke voorwerpen
of drugs de
openingen en holten van het onderlichaam te schouwen. Verweerder was niet aanwezig
bij het
“strippen” van klaagster, dit werd uitgevoerd door de verpleging. Verweerder heeft
wel ingestemd
met de uitvoering hiervan, samen met verweerster in de zaak met zaaknummer A2025/9129.
In het
verweerschrift is uiteengezet wat de afweging is geweest om hiermee in te stemmen
en aangevoerd dat
er op dat moment geen minder ingrijpende middelen of alternatieven waren om de veiligheid
voor
klaagster te waarborgen. Beide artsen hebben geoordeeld, mede in navolging van de
beoordeling die
de crisisdienst in de nacht van
5 op 6 februari 2024 heeft gedaan, dat het noodzakelijk was om het mesje te vinden
en om ernstige
beschadiging van intieme delen uit te sluiten. Hiertoe was het onvermijdelijk dat
klaagster opnieuw
“gestript” moest worden. Dit vinden zij nog steeds. Achteraf bezien is wel aangegeven
dat de wijze
van uitvoering van het “strippen” nader had moeten worden afgestemd met de verpleegkundige.
4.6 Het college begrijpt dat met het hiervoor genoemde “strippen” van klaagster,
het ontdoen van
kleding is bedoeld en dat schouwen het kijken naar het lichaam betreft. Verder stelt
het college
vast dat de lezingen van klaagster en de verpleegkundige over de precieze uitvoering
van het
schouwen op 6 februari 2024 uiteenlopen. Het is vaste tuchtrechtelijke rechtspraak
dat in een geval
als dit, waarbij sprake is van het woord van de één tegen het woord van de ander,
geen oordeel door
het college kan worden gevormd. Aan het woord van de één kan immers niet meer waarde
worden gehecht
dan aan het woord van de ander. Het college gaat dan ook uit van het bukken en blazen
door
klaagster. Dat sprake is geweest van vaginaal of rectaal toucher is op basis van
de stukken niet
vast te stellen. De vraag die voorligt is of het schouwen van de holtes dient te
worden gezien als
inwendig onderzoek (ook wel visitatie) en of de arts een tuchtrechtelijk verwijt
kan worden gemaakt
voor het instemmen met het schouwen.
4.7 In de beschikking van de rechtbank van 24 januari 2024 waarbij de crisismaatregel
ten aanzien
van klaagster is verlengd, is onder meer het onderzoek aan kleding of lichaam als
vorm van
verplichte zorg noodzakelijk geacht door de rechtbank om het nadeel af te wenden.
De ‘Leidraad
vormen van verplichte zorg’ van de Rechtspraak (versie 11 december 2020) gaat in
op deze vorm van
verplichte zorg zoals neergelegd in artikel 3:2, tweede lid onder e, van de Wvggz.
Bij het onderzoek aan kleding of lichaam is omschreven (alle citaten voor zover van
belang en letterlijk weergegeven): ‘het uitwendig schouwen en onderzoek van de kleding en/of het lichaam van betrokken’
en in de leidraad is expliciet vermeld dat visitatie niet is
toegestaan. Op grond van de beschikking van de rechtbank mochten de behandelaren
onderzoek aan het
lichaam van klaagster verrichten.
4.8 Over de precieze invulling van het onderzoek aan het lichaam is bij de instelling
niets
schriftelijk vastgelegd. Het beleidsdocument van de instelling ‘Werkwijze Insluiten’
(vastgesteld
in 2021) stelt het volgende: ‘Bij besluit tot klassiek insluiten van mij: ik kleed mij uit of als
ik dat niet doe of kan doen word ik uitgekleed waarbij de woordvoerder de regie
heeft en de overige
medewerkers stuurt.’ In de huisregels van de instelling is verder vastgesteld dat:
‘Het is niet
toegestaan om voorwerpen die een gevaar (kunnen) veroorzaken voor uzelf of anderen
mee te nemen, in
bezit te hebben of te gebruiken. Patiënten kunnen bij verdenking worden gecontroleerd
op
gevaarlijke of verboden voorwerpen (aan kleding of lichaam, volgens artikel 8:14
Wvggz).’
4.9 Het college heeft acht geslagen op de beschikking van de eerdergenoemde
rechtbank die door klaagster is overlegd, maar volgt deze niet. Hiertoe overweegt
het college als
volgt. De rechtbank heeft geoordeeld dat in dit geval sprake is geweest van een
onderzoek in het
lichaam. Hiertoe is onder meer overwogen dat ook het uitwendig schouwen van de openingen
en holten
van het onderlichaam een inbreuk is op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam,
nu dit een
verregaande inbreuk is op de lichamelijke integriteit van patiënten. Hierbij heeft
de rechtbank
aansluiting gezocht bij artikel 56, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Tot slot heeft
de rechtbank overwogen dat verweerster, in die procedure de instelling, binnen de
kaders van de
Wvggz heeft gehandeld, maar dat zij de beslissing tot het verlenen van verplichte
zorg als bedoeld
in artikel 8:9 van de Wvggz verkeerd heeft aangezegd door dit onderzoek aan het
lichaam te noemen
(artikel 3:2, tweede lid, onder e van de Wvggz) in plaats van onderzoek vallende
onder artikel 3:2,
tweede lid, onder a van de Wvggz. Daargelaten de vraag of de beschikking van de
rechtbank op een
juridisch juiste wijze is onderbouwd, maakt het college een zelfstandige tuchtrechtelijke
beoordeling. Het college ziet bij die beoordeling geen enkel aanknopingspunt om
het uitwendig
schouwen van het lichaam gelijk te stellen aan een onderzoek in het lichaam.
4.10 Uit het voorgaande volgt dat het schouwen van de holtes niet dient te worden
gezien als
inwendig onderzoek. Naar het oordeel van het college is in dit geval conform de
geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden gehandeld. De handelingen die
door de
verpleegkundige zijn uitgevoerd waren naar het oordeel van het college nodig voor
de veiligheid van
klaagster en de medewerkers. Verweerder heeft met het inzetten van dit middel, het
schouwen,
ingestemd. Zowel de verpleegkundige als de twee betrokken artsen hebben uitgelegd
wat de afweging
is geweest in deze specifieke situatie om tot het schouwen over te gaan. Er is geprobeerd
klaagster
te bewegen om het mesje af te geven, zonder resultaat, en dat anders zou worden
overgegaan tot het
schouwen is met klaagster besproken. Daarbij was klaagster bekend met suïcidaliteit
en zelfbeschadiging, was het mesje niet gevonden en was sprake van bloedverlies bij
klaagster, waarbij klaagster zei dat zij menstrueerde.
In dat geval is het naar oordeel van het college navolgbaar dat is overgegaan tot
het schouwen van
het lichaam van klaagster. Dat dit op klaagster veel indruk heeft gemaakt is voorstelbaar,
maar
maakt niet dat verweerder onjuist of tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Hoewel de
verpleegkundige het handelen zelfstandig heeft uitgevoerd (en dit ook mocht uitvoeren),
valt dit
handelen naar het oordeel van het college ook onder de verantwoordelijkheid van
verweerder als
degene die het beleid heeft bepaald met zijn collega.
4.11 Wel acht het college het wenselijk dat instellingen in de GGZ aandacht hebben
voor de
nauwkeurige vastlegging van het uitvoeren van dergelijke handelingen in bijvoorbeeld
een protocol,
aangezien die handelingen door patiënten als intiem of kwetsbaar kunnen worden ervaren.
Ook is het
van belang dat achteraf terug te lezen is hoe een en ander precies is uitgevoerd
en wat de afweging
is geweest.
Slotsom
4.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
Publicatie
4.13 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners en zorginstellingen mogelijk van deze zaak kunnen
leren. De
publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of
instanties
herleidbare gegevens.
5. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift voor Gezondheidsrecht,
Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact, V&VN Magazine en Nurse Academy
GGZ.
Deze beslissing is gegeven op 15 september 2026 door E.A. Messer, voorzitter,
A.M. van Hemert en H.J. Kolthof, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé,
secretaris.