ECLI:NL:TGZRAMS:2026:215 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9126

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:215
Datum uitspraak: 15-09-2026
Datum publicatie: 15-09-2026
Zaaknummer(s): A2025/9126
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundige. Klaagster was opgenomen in een GGZ-instelling vanwege onder meer suïcidaliteit en zelfbeschadigend gedrag. Klaagster verwijt verweerster dat zij bij haar – zonder wettelijke grondslag – onder dwang inwendig lichamelijk onderzoek heeft verricht. Het college stelt vast dat de lezingen van partijen over de uitvoering van het lichamelijk onderzoek uiteenlopen. De vraag die vervolgens voorligt is of het schouwen van de holtes dient te worden gezien als inwendig onderzoek. Het college oordeelt van niet. Verder is het gelet op de omstandigheden navolgbaar dat is overgegaan tot het schouwen van het lichaam. Verweerster heeft niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.

A2025/9126

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 15 september 2026 op de klacht van:

A,
wonende te B, klaagster,

tegen

C,
verpleegkundige, destijds werkzaam te D,
verweerster, hierna ook: de verpleegkundige, gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, werkzaam te 
Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster was opgenomen in een geestelijke gezondheidszorg (hierna: GGZ) instelling vanwege 
onder meer suïcidaliteit en zelfbeschadigend gedrag. Eind 2023 is er een crisismaatregel 
aangevraagd en opgelegd. Klaagster heeft een tuchtklacht ingediend tegen de zorgverleners, onder 
wie verweerster, die haar hebben gezien in de periode rondom de crisismaatregel. Klaagster verwijt 
verweerster dat op 6 februari 2024 bij haar – zonder wettelijke grondslag – onder dwang inwendig 
lichamelijk onderzoek is verricht, waardoor zij zwaar getraumatiseerd is.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. 
Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 oktober 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 31 maart 2026.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
Gelijktijdig met deze zaak zijn vier samenhangende klachten ingediend, bekend
onder zaaknummers A2025/9127 tot en met A2025/9130. De zaken zijn gelijktijdig in raadkamer behandeld.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   In mei 2023 is klaagster, geboren in 2002, in beeld gekomen bij de GGZ, aanvankelijk bij de 
crisisdienst. Ook na het starten van medicatie nemen de klachten van klaagster, waaronder 
suïcidaliteit, zelfbeschadigend gedrag en impulscontroleproblemen, toe.

3.2   Op 5 september 2023 is klaagster vrijwillig opgenomen op de afdeling Medium Care van E, een 
locatie van F, in D (hierna: de instelling), ter begeleiding en monitoring van de opbouw van de 
medicatie en om nader onderzoek te doen naar de eventuele aanwezigheid van een 
autismespectrumstoornis. Gedurende deze opname zijn de suïcidale gedachten van klaagster verergerd, 
waarna zij heeft ingestemd met overplaatsing naar de afdeling High Care met een gesloten deur 
beleid. Verweerster was destijds werkzaam op de afdeling High Care en was begeleidster van 
klaagster bij de dagelijkse zorg. Samen met het behandelteam probeerde zij klaagster te 
stabiliseren om een veilige plek voor haar te creëren.

3.3   De situatie van klaagster is vervolgens verslechterd door verschillende psychosociale 
stressoren. Na een eerste separatie in de nacht van 25 op 26 december 2023 vanwege een acuut 
verhoogd risico op suïcide, is er een crisismaatregel aangevraagd en verplichte zorg ingezet. De 
crisismaatregel is op 29 december 2023 tot en met 19 januari 2024 verlengd.

3.4   Nadat klaagster een time-out opname heeft in G in januari 2024, keert zij op 18 januari 2024 
terug op de afdeling High Care. Hier vindt een heropname-gesprek plaats met twee artsen, verweerder 
in de zaak met zaaknummer A2025/9127 en verweerster in de zaak met zaaknummer A2025/9129. Tijdens 
het gesprek is beoordeeld of het mogelijk is om vrijwillige zorg te verlenen aan klaagster. 
Klaagster heeft hierbij aangegeven niet te willen meewerken en diezelfde dag is geconstateerd dat 
zij zichzelf opnieuw heeft beschadigd, kennelijk met een (scheer)mesje. Na meerdere gesprekken is 
besloten om klaagster te “strippen” en te separeren. Er is geen mesje gevonden en later die avond 
heeft klaagster zich opnieuw beschadigd.

3.5   Op 19 januari 2024 is besloten dat behandeling op vrijwillige basis niet mogelijk is. 
Klaagster heeft geweigerd het mesje af te geven en in de dagen hierna is meermaals sprake van 
automutilatie, maar is geen mesje gevonden. Op 24 januari 2024 heeft de rechtbank besloten tot 
voortzetting van de crisismaatregel tot en met 14 februari 2024.

3.6   Ook hierna zijn er nog verschillende momenten dat klaagster zichzelf beschadigt, wegloopt van 
de afdeling en is aangetroffen bij het spoor dan wel treinstation. Er vindt op 5 februari 2024 een 
voortgangsgesprek plaats met verweerster en de eerdergenoemde twee artsen. Er is met behulp van een 
“moreel beraad” een behandelplan vastgesteld. Na het voortgangsgesprek is klaagster weggerend, 
waarna zij is tegengehouden bij het spoor. Die nacht is klaagster gespannen, beschadigt zij zich 
opnieuw en weigert zij wederom het mesje af te geven.

3.7   Er is vervolgens telefonisch overleg tussen de begeleiding en de crisisdienst. De 
dienstdoende arts van de crisisdienst, verweerster in de zaak met zaaknummer A2025/9130, heeft met 
klaagster gesproken. Ook heeft deze arts overleg met de dienstdoende psychiater, verweerster in de 
zaak met zaaknummer A2025/9128. In dit gesprek is onder meer gesproken over de vraag of volgens het 
beleid “inwendig onderzoek” noodzakelijk is. Vanwege onderbezetting was inwendig onderzoek echter 
niet mogelijk. Daarom is door de dienstdoende arts van de crisisdienst in overleg en afstemming met 
de psychiater besloten om voor de nacht intensieve controles uit te voeren met cameratoezicht. 
Overdag dient het behandelteam een herbeoordeling van het beleid te maken op basis van de situatie 
van dat moment.

3.8   De volgende ochtend, op 6 februari 2024, heeft verweerster vanwege mogelijke bloedingen 
maandverband gegeven aan klaagster. Later in de ochtend is er een herbeoordeling van de situatie 
van klaagster met het behandelteam, verweerster en de twee artsen en een tweede vrouwelijke 
verpleegkundige. In het gesprek is geprobeerd klaagster te overtuigen om het mesje af te geven, 
maar dit lukt niet. Klaagster is medegedeeld dat zij opnieuw zal worden “gestript” als zij het 
mesje niet afgeeft, maar klaagster bleef weigeren. Met akkoord van klaagster is zij vervolgens 
aangemeld voor overplaatsing naar Hoog Intensieve Beveiligde Zorg. Na dit gesprek gaat verweerster 
over tot het “strippen” van klaagster, in aanwezigheid van een andere vrouwelijke collega.

4. De overwegingen van het college
4.1   Het is het college duidelijk dat klaagster door een zeer moeilijke periode is gegaan. De 
impact die de gehele situatie en meer specifiek het “strippen” op haar heeft gehad en nog steeds 
heeft, is groot. Ook ziet het college dat verweerster en de overige zorgverleners zich in deze zeer 
complexe situatie hebben ingespannen om klaagster goede hulp te verlenen.

De criteria voor de beoordeling
4.2   De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. 
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling 
wordt rekening gehouden met de voor de verpleegkundige geldende beroepsnormen en andere 
professionele standaarden.

4.3  Het college oordeelt dat de verpleegkundige niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. 
Hiertoe overweegt het college als volgt.

De beoordeling van de klacht
4.4   Klaagster verwijt de verpleegkundige dat op 6 februari 2024 bij haar – zonder wettelijke 
grondslag – onder dwang inwendig lichamelijk onderzoek is verricht, waardoor zij zwaar 
getraumatiseerd is. Klaagster heeft onder meer verwezen naar een (door haar geïnitieerde) 
beschikking van de rechtbank van 20 december 2024 (ECLI:RBAMS:2024:8141) waarin onder andere uiteen 
is gezet dat sprake is geweest van onderzoek in het lichaam en dat de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) hier geen wettelijke grondslag voor biedt. Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft klaagster 
aangegeven dat zij zich herinnert dat zij een vaginaal toucher heeft ondergaan. Ook heeft klaagster 
aangegeven dat zij moest bukken, op haar hand moest blazen en dat het verder gegaan is zoals zij 
bij de rechtbank heeft verklaard.

4.5   Dat verweerster inwendig onderzoek (vaginaal of rectaal toucher) heeft uitgevoerd bij 
klaagster, is expliciet weersproken. Verweerster heeft uiteengezet dat het een vaste werkwijze was 
om bij patiënten met een stevige verdenking op het bezit van gevaarlijke voorwerpen of drugs de 
openingen en holten van het onderlichaam te schouwen. Dit werd uitgevoerd door de verpleging. Deze 
verdenking was bij klaagster zeer sterk. Verweerster heeft verder aangegeven dat zij bij klaagster 
heeft geschouwd door klaagster te vragen haar scheurjurk uit te trekken, te bukken en op haar hand 
te blazen. Verweerster had een dergelijke wijze van “strippen” al vaker uitgevoerd. Verweerster 
meent dat zij op het moment van handelen zorgvuldig en conform de professionele standaard heeft 
gehandeld, meer specifiek volgens de werkinstructies die op dat moment van toepassing waren bij de 
instelling en zoals zij dit in haar opleiding heeft geleerd. Desgevraagd heeft verweerster 
aangegeven dat er bij de instelling geen officieel document voorhanden was over de precieze 
uitvoering van een dergelijk onderzoek. Tot slot is tijdens het mondeling vooronderzoek naar voren 
gebracht dat het destijds niet bekend was dat het schouwen van de holtes binnen het strafrecht 
onder inwendig onderzoek valt en dat het van belang is dat er duidelijkheid komt over hoe dit in de 
GGZ moet worden toegepast.

4.6   Het college begrijpt dat met het hiervoor genoemde “strippen” van klaagster, het ontdoen van 
kleding is bedoeld en dat schouwen het kijken naar het lichaam betreft. Verder stelt het college 
vast dat de lezingen van klaagster en verweerster over de precieze uitvoering van het schouwen op 6 
februari 2024 uiteenlopen. Het is vaste tuchtrechtelijke rechtspraak dat in een geval als dit, 
waarbij sprake is van het woord van de één tegen het woord van de ander, geen oordeel door het 
college kan worden gevormd. Aan het woord van de één kan immers niet meer waarde worden gehecht dan 
aan het woord van de ander. Het college gaat dan ook uit van het bukken en blazen door klaagster. 
Dat sprake is geweest van vaginaal of rectaal toucher is op basis van de stukken niet vast te 
stellen. De vraag die voorligt is of het schouwen van de holtes dient te worden gezien als inwendig 
onderzoek (ook wel visitatie).

4.7   In de beschikking van de rechtbank van 24 januari 2024 waarbij de crisismaatregel ten aanzien 
van klaagster is verlengd, is onder meer het onderzoek aan kleding of lichaam als vorm van 
verplichte zorg noodzakelijk geacht door de rechtbank om het nadeel af te wenden. De ‘Leidraad 
vormen van verplichte zorg’ van de Rechtspraak (versie 11 december 2020) gaat in op deze vorm van 
verplichte zorg zoals neergelegd in artikel 3:2, tweede lid onder e, van de Wvggz. Bij het 
onderzoek aan kleding of lichaam is omschreven (alle citaten voor zover van belang en letterlijk 
weergegeven): ‘het uitwendig schouwen en onderzoek van de kleding en/of het lichaam van betrokken’ 
en in de leidraad is expliciet vermeld dat visitatie niet is toegestaan. Op grond van de beschikking van de rechtbank mochten de behandelaren, waaronder verweerster, onderzoek aan het lichaam van klaagster verrichten.

4.8   Over de precieze invulling van het onderzoek aan het lichaam is bij de instelling niets 
schriftelijk vastgelegd. Het beleidsdocument van de instelling ‘Werkwijze Insluiten’ (vastgesteld 
in 2021) stelt het volgende: ‘Bij besluit tot klassiek insluiten van mij: ik kleed mij uit of als 
ik dat niet doe of kan doen word ik uitgekleed waarbij de woordvoerder de regie heeft en de overige 
medewerkers stuurt.’ In de huisregels van de instelling is verder vastgesteld dat: ‘Het is niet 
toegestaan om voorwerpen die een gevaar (kunnen) veroorzaken voor uzelf of anderen mee te nemen, in 
bezit te hebben of te gebruiken. Patiënten kunnen bij verdenking worden gecontroleerd op 
gevaarlijke of verboden voorwerpen (aan kleding of lichaam, volgens artikel 8:14 Wvggz).’

4.9  Het college heeft acht geslagen op de eerdergenoemde beschikking van de
rechtbank die door klaagster is overlegd, maar volgt deze niet. Hiertoe overweegt het college als 
volgt. De rechtbank heeft geoordeeld dat in dit geval sprake is geweest van een onderzoek in het 
lichaam. Hiertoe is onder meer overwogen dat ook het uitwendig schouwen van de openingen en holten 
van het onderlichaam een inbreuk is op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam, nu dit een 
verregaande inbreuk is op de lichamelijke integriteit van patiënten. Hierbij heeft de rechtbank 
aansluiting gezocht bij artikel 56, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Tot slot heeft 
de rechtbank overwogen dat verweerster, in die procedure de instelling, binnen de kaders van de 
Wvggz heeft gehandeld, maar dat zij de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg als bedoeld 
in artikel 8:9 van de Wvggz verkeerd heeft aangezegd door dit onderzoek aan het lichaam te noemen 
(artikel 3:2, tweede lid, onder e van de Wvggz) in plaats van onderzoek vallende onder artikel 3:2, 
tweede lid, onder a van de Wvggz. Daargelaten de vraag of de beschikking van de rechtbank op een 
juridisch juiste wijze is onderbouwd, maakt het college een zelfstandige tuchtrechtelijke 
beoordeling. Het college ziet bij die beoordeling geen enkel aanknopingspunt om het uitwendig 
schouwen van het lichaam gelijk te stellen aan een onderzoek in het lichaam.

4.10  Uit het voorgaande volgt dat het schouwen van de holtes niet dient te worden gezien als 
inwendig onderzoek. Naar het oordeel van het college is in dit geval conform de geldende 
beroepsnormen en andere professionele standaarden gehandeld. De handelingen die door verweerster 
zijn uitgevoerd waren naar het oordeel van het college nodig voor de veiligheid van klaagster en de 
medewerkers. Verweerster, evenals de andere twee artsen, hebben uitgelegd wat de afweging is 
geweest in deze specifieke situatie om tot het schouwen over te gaan. Er is geprobeerd klaagster te 
bewegen om het mesje af te geven, zonder resultaat, en dat anders zou worden overgegaan tot het 
schouwen is met klaagster besproken. Daarbij was klaagster bekend met suïcidaliteit en 
zelfbeschadiging, was het mesje niet gevonden en was sprake van bloedverlies bij klaagster, waarbij 
klaagster zei dat zij menstrueerde. In dat geval is het naar oordeel van het college navolgbaar dat 
is overgegaan tot het schouwen van het lichaam van klaagster. Dat dit op klaagster veel indruk 
heeft gemaakt is voorstelbaar, maar maakt niet dat verweerster onjuist of tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.11  Wel acht het college het wenselijk dat instellingen in de GGZ aandacht hebben voor de 
nauwkeurige vastlegging van het uitvoeren van dergelijke handelingen in bijvoorbeeld een protocol, 
aangezien die handelingen door patiënten als intiem of kwetsbaar kunnen worden ervaren. Ook is het 
van belang dat achteraf terug te lezen is hoe een en ander precies is uitgevoerd en wat de afweging 
is geweest.

Slotsom
4.12  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

Publicatie
4.13  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere zorgverleners en zorginstellingen mogelijk van deze zaak kunnen leren. De 
publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties 
herleidbare gegevens.

5. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, 
Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact, V&VN Magazine en Nurse Academy GGZ.

Deze beslissing is gegeven op 15 september 2026 door E.A. Messer, voorzitter, I.M. Bonte en
J.H. Hunink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.