ECLI:NL:TGZRAMS:2026:214 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/10327
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:214 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-09-2026 |
| Datum publicatie: | 14-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2026/10327 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Naar het oordeel van de voorzitter is het argument van de PI dat de bijzondere setting waarin de medewerkers werkzaam zijn geen goede onderbouwing voor de beslissing om de naam van de verwerende partij niet te delen. Gezien de inhoudelijke beslissing ziet de voorzitter echter alsnog reden om de persoonsgegevens van deze beklaagde niet met klager te delen. Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht. |
A2026/10327
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 10 september 2026 naar aanleiding van de klacht van:
A,
verblijvende in B, klager,
tegen
een medewerker van de ambulance, volledige namen bekend bij het college,
destijds werkzaam in C, hierna ook: verweerder.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 25 maart 2026;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 10 juni 2026, waarin klager onder meer
zijn pogingen
om de namen van beklaagden te achterhalen uiteenzet en aangeeft tegen drie personen
een tuchtklacht
in te willen dienen;
- de brief namens C van 20 juni 2026, waarin is verzocht om geen persoonsgegevens
te verstrekken
aan klager.
2. Waar gaat de zaak over?
2.1 Klager heeft een klacht ingediend tegen in totaal drie personen die betrokken
waren bij de
zorg aan klager na een voorval in C op 2 juni 2024. Hierbij is, kort gezegd, een
ijzeren stang
losgeraakt van de muur en op het voorhoofd van klager terechtgekomen. Achteraf is
gebleken dat de
stang niet deugdelijk was gemonteerd. Klager verwijt de drie betrokkenen dat zij
nalatig zijn
geweest, doordat zij een verwijzing naar het ziekenhuis niet nodig vonden ondanks
het verzoek van
klager daartoe. Verweerder is één van de personen die dienst had bij de ambulance
en die (mede) zou
hebben besloten om klager niet naar het ziekenhuis te brengen.
2.2 De voorzitter is van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de
klacht.
‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen
en dat
duidelijk is dat de klacht niet inhoudelijk behoeft te worden besproken. Voor die
beslissing is
het volgende van belang.
3. De overwegingen
3.1 De voorzitter overweegt in de eerste plaats het volgende. Via C zijn door de
instelling die
ambulancezorg levert de persoonsgegevens van de betrokken ambulancemedewerkers verstrekt
aan het
college. Namens C is verzocht om (in de voorfase) geen persoonsgegevens te verstrekken
aan klager.
Uit de onderbouwing blijkt dat zij dit verzoek doen vanuit de bijzondere setting
waarin de
medewerkers werkzaam zijn.
3.2 De voorzitter oordeelt als volgt. In de beslissing van 24 maart 2026 ECLI:NL:TGZRAMS:2026:79
is omschreven dat afgeweken kan worden van het uitgangspunt dat de naam van de verwerende
partij
gedeeld wordt met de klagende partij, als er sprake is van objectieve, concrete
en gemotiveerde
zwaarwegende omstandigheden die aanleiding geven om de openbaarmaking van de persoonsgegevens
van
betrokkenen te beperken. De voorzitter is van oordeel dat het argument van C dat
de bijzondere
setting waarin de medewerkers werkzaam zijn geen goede onderbouwing is voor de beslissing
om de
naam van de verwerende partij niet te delen. Wat er ook zij van dit argument, het
is in zodanig
algemene zin gesteld dat het niet voldoet aan het genoemde vereiste van objectiviteit,
concreetheid
en gemotiveerdheid.
3.3 Gezien de inhoudelijke beslissing die in deze specifieke zaak volgt, ziet de
voorzitter
echter alsnog reden om de persoonsgegevens van deze beklaagde niet met klager te
delen. De
voorzitter is namelijk van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in
de klacht.
3.4 De persoon tegen wie de klacht is gericht, is niet ingeschreven in een van de
registers,
bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
(Wet
BIG) en is ook niet op grond van artikel 36a van die wet onderworpen aan tuchtrechtspraak
door het
college. Dat betekent dat het college de klacht niet inhoudelijk kan behandelen.
4. De beslissing
Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.
Deze beslissing is gegeven op 10 september 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt,
voorzitter, bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.