ECLI:NL:TGZRAMS:2026:210 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9571
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:210 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-08-2026 |
| Datum publicatie: | 28-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2026/9571 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Het college stelt voorop dat GGZ-instanties (en de daar werkende psychiaters) een eigen verantwoordelijkheid hebben waarop de huisarts geen toezicht heeft. Een huisarts heeft ook niet de expertise om de GGZ-hulpverlening te controleren, te sturen en/of te beoordelen. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond. |
A2026/9571
Beslissing van 28 augustus 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 28 augustus 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. P.H.N. Keuning-Taapken, werkzaam te Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De huisarts is werkzaam bij huisartsenpraktijk D in B. Klager is sinds 3 januari
2024 patiënt bij deze praktijk. Op verzoek van E van politie GGZ op 5 augustus 2024
heeft de huisarts een verwijzing naar de Parnassia Groep geregeld voor een traumabehandeling
voor klager. Nadat de huisarts bericht kreeg van de Parnassia Groep dat zij klager
niet kon bereiken, heeft de huisarts klager gemaild en gebeld. Daarna heeft de huisarts
geen contact meer gehad met de Parnassia Groep en evenmin met klager. Klager verwijt
de huisarts dat hij onvoldoende (zorgvuldige) zorg heeft verleend in de periode van
juni 2024 tot en met oktober 2024 toen sprake was van (dreigende) psychiatrische interventies.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 27 januari 2026;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de aanvullende stukken van klager, ontvangen op 16 april 2026;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 8 mei 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager is sinds 3 januari 2024 patiënt bij de huisartsenpraktijk van de huisarts.
3.2 Op 5 augustus 2024 heeft E van politie GGZ gebeld met de praktijk. Een doktersassistente stond hem te woord. E wilde naar aanleiding van een huisbezoek bij klager een traumabehandeling wegens PTSS voor klager inzetten bij de Parnassia Groep en vroeg om een verwijzing. De doktersassistente heeft dit aan de huisarts doorgegeven en de huisarts heeft dezelfde dag een verwijzing geregeld.
3.3 Op 19 september 2024 ontving de huisarts een brief van de Parnassia Groep met de informatie dat zij klager niet kon inschrijven en dat zij hem niet kon bereiken. Op 1 oktober 2024 heeft de Parnassia Groep met de praktijk gebeld met het verzoek contact op te nemen met klager. Door of namens de huisarts is klager hierna gemaild en gebeld met het verzoek contact op te nemen met de Parnassia Groep. Hierna heeft de huisarts geen contact meer gehad met de Parnassia Groep. De huisarts heeft in de periode van juni tot en met oktober 2024 geen verder contact met klager gehad.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts dat hij in de periode van juni 2024 tot en met oktober
2024:
a) Heeft nagelaten de medische regie op zich te nemen;
b) Geen hoor en wederhoor heeft toegepast;
c) Onvoldoende begrenzend is geweest toen signalen van een snelle en ingrijpende
psychiatrische duiding zichtbaar waren;
d) Passief is geweest in een context waarin meerdere instanties gelijktijdig betrokken
waren.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld.
Klachtonderdeel a) onvoldoende regie
5.3 Klager verwijt de huisarts dat hij in de maanden juni tot en met oktober 2024
heeft nagelaten regie te voeren op het moment dat signalen vanuit GGZ, wijkteam en/of
crisisdienst wezen op een opschaling richting psychiatrische interventies en een zorgmachtiging.
Klager meent dat bij dreigende dwangzorg de huisarts een onafhankelijke, toetsende
rol heeft.
5.4 De huisarts voert hiertegen aan dat hij een reguliere verwijzing zonder spoedindicatie heeft gegeven. Het ging om een niet-acute zorgvraag zonder aanwijzing van verplichte zorg. De huisarts betwist dat hij regie had moeten voeren over de verleende zorg door de Parnassia Groep. Hij is ook niet geïnformeerd over het verloop na de verwijzing.
5.5 Het college stelt voorop dat GGZ-instanties (en de daar werkende psychiaters) een eigen verantwoordelijkheid hebben waarop de huisarts geen toezicht heeft. Een huisarts heeft ook niet de expertise om de GGZ-hulpverlening te controleren, te sturen en/of te beoordelen. Daar komt bij dat klager de huisarts niet heeft gevraagd om hem op een of andere wijze bij te staan in de onderhavige periode en de huisarts ook niet door Parnassia Groep op de hoogte is gesteld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel b) geen hoor en wederhoor
5.6 Volgens klager heeft de huisarts in strijd met de professionele standaard informatie
en signalen over klager van de GGZ en/of het wijkteam niet met klager besproken en
geverifieerd. De huisarts heeft volgens klager de professionele plicht tot hoor en
wederhoor zodra hij informatie ontvangt die kan leiden tot psychiatrische duiding,
zorgescalatie of beperking van de autonomie.
5.7 De huisarts voert hiertegen aan dat hij geen kenbare signalen van de GGZ over een behandeling, opschaling van zorg of verplichte zorg betreffende klager heeft ontvangen.
5.8 Het college stelt voorop dat de huisarts niet op de hoogte was van de ontwikkelingen in de onderhavige periode. Verder behoort het niet tot de taken van een huisarts om bij signalen en zorgen vanuit andere instanties deze te toetsen en hoor en wederhoor toe te passen. Een professionele standaard die hiertoe zou verplichten is het college niet bekend. Dit klachtonderdeel kan dan ook niet slagen.
Klachtonderdeel c) onvoldoende begrenzing gegeven
5.9 Klager vindt dat de huisarts, ook zonder direct consult, begrenzend had moeten
optreden toen signalen van een snelle en ingrijpende psychiatrische duiding zichtbaar
waren. Hij had moeten beoordelen of de psychiatrische duiding proportioneel was, of
alternatieve verklaringen voldoende waren onderzocht en of medicalisering niet te
snel werd ingezet.
5.10 De huisarts stelt zich op het standpunt dat bij psychiatrische interventies
de professionele beoordeling primair bij de psychiater, GGZ-zorgaanbieder of de crisisdienst
ligt. De huisarts is geen toezichthouder. Hij heeft klager een verwijzing gegeven
voor de specialistische GGZ en heeft daarna geprobeerd hem te activeren om contact
met de GGZ te leggen. Verder gaat zijn verantwoordelijkheid niet.
5.11 Het college is van oordeel dat ook dit klachtonderdeel niet kan slagen. Een huisarts heeft niet de expertise om de corrigerende rol, die klager van hem verwachtte, te vervullen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel d) passiviteit bij evidente systeemdruk
5.12 De huisarts heeft volgens klager de taak om bij een samenloop van instanties
(GGZ, wijkteam, crisisdienst) afstand te bewaren, te reflecteren en de patiënt te
beschermen tegen onnodige opschaling. De huisarts is verwijtbaar tekortgeschoten in
deze taak.
5.13 De huisarts voert hiertegen aan dat hij geen signalen of informatie heeft ontvangen over de uitgeoefende druk van meerdere instanties en de opschaling van zorg. Als hij op de hoogte was geweest had hij naar klager kunnen luisteren en hem kunnen adviseren.
5.14 Het college is ook ten aanzien van dit verwijt van oordeel dat een huisarts niet de taak, en evenmin de expertise, heeft om een superviserende, corrigerende rol te vervullen als sprake is van opschaling van zorg waarbij meerdere, specialistische instanties zijn betrokken. Daarbij geldt ook hier dat de huisarts niet op de hoogte was. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.15 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 28 augustus 2026 door J.J. Dijk, voorzitter, C.H.
van Dijk,
lid-jurist, I. Weenink, G.J. Dogterom en M.C. Wolfs-Smits, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris.