ECLI:NL:TGZRAMS:2026:209 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8914
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:209 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-08-2026 |
| Datum publicatie: | 28-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8914 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster is niet-ontvankelijk voor zoverre zij namens haar zoon klaagt over zijn behandeling, klachtonderdeel d. Het college is van oordeel dat niet is gebleken dat de huisarts onzorgvuldig heeft gehandeld in het monitoren van de medicatie en in de verwijzingstrajecten. Ook de andere klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond. |
A2025/8914
Beslissing van 28 augustus 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 28 augustus 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam te B,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. S. Dirkzwager, werkzaam te Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De huisarts is sinds april 2020 huisarts en sinds september 2020 werkzaam bij
huisartsenpost (HAP) D. Sinds april 2022 is hij praktijkhouder van HAP D. De huisarts
heeft voor het eerst contact met klaagster in januari 2022. Klaagster klaagt over
de behandeling van de huisarts. Daarnaast vindt zij dat hij haar zoon, destijds 12
jaar oud, onjuist heeft behandeld.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is ten aanzien van de klacht over de behandeling van haar zoon. Voor de overige klachtonderdelen is klaagster ontvankelijk, maar zijn de klachtonderdelen kennelijk ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 13 augustus 2025;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 16 september 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 9 januari 2026;
- de reactie naar aanleiding van het mondeling vooronderzoek van (de gemachtigde
van) de huisarts met bijlagen, ontvangen op 24 februari 2026;
- een aanvullend stuk van (de gemachtigde van) de huisarts, ontvangen op 31 maart
2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de
zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De huisarts heeft voor het eerst contact met klaagster in januari 2022. De eerste
notitie in het huisartsenjournaal betreft een verzoek van klaagster om een spoedverwijzing
naar een oogarts, die de huisarts heeft gegeven. Op 28 januari 2022 schrijft de
huisarts een
recept voor herhaalmedicatie voor. Vervolgens heeft de huisarts in de periode van
februari
2022 tot november 2024 alleen contact met klaagster via ontvangen verzoeken om
herhaalrecepten.
3.2 In februari 2025 verneemt de huisarts van de wijkagent en de echtgenoot van
klaagster dat er zorgen zijn over klaagster. De huisarts neemt contact op met klaagster
en
spreekt een huisbezoek af. Dat vindt plaats op 24 februari 2025. Tijdens dit rustig
verlopen
huisbezoek bespreekt de huisarts een aantal hulpvragen met klaagster, waaronder
een
verwijzing naar de GGZ, het plannen van een uitstrijkje, controle van de medicatie
en
behandeling van haar zoon. Na dit bezoek vinden nog enkele contacten plaats waarin
gesproken wordt over verwijzingen en medicatie.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat hij:
a) Onjuiste medicatie heeft voorgeschreven zonder controle op interacties;
b) Noodzakelijke medische doorverwijzingen heeft geweigerd;
c) Een expliciete medische waarschuwing van de oogarts heeft genegeerd;
d) Onnodig diagnostisch onderzoek bij haar minderjarige zoon heeft laten doen;
e) Inzage in medische gegevens heeft geweigerd.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren
in de
klachtonderdelen die betrekking hebben op haar zoon en de klacht voor het overige
(kennelijk) ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Is klaagster ontvankelijk?
5.1 De huisarts heeft naar voren gebracht dat klaagster niet-ontvankelijk is in
de
klachtonderdelen betreffende haar zoon, omdat hij 17 jaar oud is en niet is gebleken
dat hij
instemt met de klacht.
5.2 Klachtonderdeel e, voor zover dit betreft de weigering van inzage in medische
gegevens van haar zoon, heeft klaagster ter gelegenheid van het mondeling vooronderzoek
ingetrokken.
5.3 Het college overweegt dat de zoon, geboren op 3 augustus 2008 en ten tijde van
het
indienen van de klacht 17 jaar oud, zelf bevoegd was om een klacht in te dienen.
Er is geen
machtiging van de zoon overgelegd en ook overigens is niet gebleken van zijn instemming
met het indienen van deze klacht. Klaagster kan daarom niet namens haar zoon klagen
over
zijn behandeling. Het college zal klachtonderdeel d daarom niet inhoudelijk bespreken
en
beslissen dat klaagster in dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk is.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.4 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts.
Bij de
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen
en
andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.5 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klaagster heeft in haar klaagschrift twee klachten genoemd, te weten het ontbreken
van een
onafhankelijke klachtenbehandeling bij de huisartsenpraktijk en het weigeren van
inzage in
medische gegevens over haar zoon, die zij ter gelegenheid van het mondeling vooronderzoek
heeft ingetrokken. Het college zal deze klachtonderdelen dan ook niet behandelen.
Klachtonderdeel a) onjuiste medicatie en ontbreken controle op interacties
5.6 Klaagster stelt dat de huisarts haar, naast bestaande medicatie (Haldol, Venlafaxine,
Temazepam en Lorazepam) de middelen Rosuvastatine en Nifedipine heeft voorgeschreven
zonder controle op interacties. Ter gelegenheid van het mondeling vooronderzoek
heeft zij
dit klachtonderdeel beperkt tot het medicijn Nifedipine. Zij meent dat de combinatie
hiervan
met de andere medicatie onverenigbaar is en tot hartkloppingen en ontstekingen heeft
geleid. Haar cardiologen in Marokko en in Nederland zouden dit hebben bevestigd.
Zij is in
2025 met Nifedipine gestopt en daarna zijn de ontstekingsklachten verdwenen. Zij
verwijt de
huisarts dat hij, hoewel zij meerdere keren klachten van hoge bloeddruk en cholesterol
heeft
gemeld, de bijwerkingen onvoldoende heeft gemonitord.
5.7 De huisarts heeft aangevoerd dat de medicatie al was voorgeschreven vanaf 2019
(Rosuvastatine) en vanaf 2021 (Nifedipine). In die periode was hij niet de huisarts
van
klaagster. Hij voert verder aan dat er geen relevante interactie is tussen de genoemde
middelen, zoals ook door de apotheker is bevestigd, en dat hij steeds heeft gehandeld
conform de professionele standaard.
5.8 Het college is van oordeel dat niet is gebleken dat de huisarts onzorgvuldig heeft
gehandeld. Hij heeft de reeds aan klaagster voorgeschreven medicatie met herhaalrecepten
voortgezet. De gangbare voorschrijfsystemen signaleren eventuele onverenigbaarheid
van
medicijnen en dat was kennelijk niet het geval. Daarnaast controleert ook de apotheker
de
combinatie van voorgeschreven medicijnen en die heeft evenmin aangegeven dat de
verschillende medicijnen niet verenigbaar waren. Dat de cardiologen van klaagster
zouden
hebben bevestigd dat sprake is van onverenigbaarheid van de medicijnencombinatie
en dat
deze hebben geleid tot bijwerkingen is niet nader onderbouwd. Overigens heeft klaagster
de
combinatie van de genoemde medicijnen drie jaar lang gebruikt en heeft zij in die
periode
geen klachten hierover geuit. Uit het huisartsenjournaal kan worden opgemaakt dat
klaagster zelf niet op afspraken bij de huisarts is verschenen en zich gedurende
langere tijd
aan controle heeft onttrokken. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) weigeren van doorverwijzingen
5.9 Klaagster verwijt de huisarts dat hij vanaf 2019 herhaaldelijk heeft geweigerd
haar
door te verwijzen naar een cardioloog en psychiater. Zij wilde een blanco verwijsbrief
omdat
zij zelf de keuze voor een psychiater wilde maken. Nadat zij de huisarts tijdens
het
huisbezoek om een verwijzing naar een cardioloog had gevraagd, duurde het drie maanden
voor zij een verwijzing kreeg.
5.10 De huisarts heeft aangevoerd dat er nooit langer dan enkele weken tussen de
aanvraag en een verwijzing heeft gezeten. Klaagster had een voorkeur voor een cardioloog
in het Erasmusziekenhuis, maar die verwijzing, zoals de huisarts voorspeld had,
werd
afgewezen. Daarnaast heeft de huisarts verwijzingen naar andere ziekenhuizen verzorgd,
waar klaagster wel bij een cardioloog terecht kon. Ook voor de verwijzing naar een
GGZinstelling
heeft de huisarts diverse verwijzingen gegeven. Klaagster werd bij enkele
instellingen afgewezen en zij wilde niet naar de grootste GGZ-instelling. Daarop
heeft de
huisarts haar geadviseerd contact op te nemen met haar zorgverzekeraar. Het is goed
mogelijk dat klaagster langer heeft moeten wachten op een consult in verband met
de
wachtlijsten.
5.11 Het college overweegt dat de huisarts inzichtelijk heeft gemaakt dat hij binnen
redelijke tijd verwijzingen naar een cardioloog heeft gegeven. Dat het langer heeft
geduurd
tot klaagster een consult bij een cardioloog kreeg, lag buiten zijn macht. De verwijzingen
naar een GGZ-instelling zijn deels afgewezen in verband met de complexiteit van
de
zorgvraag of door een aanmeldstop. Ook dat valt de huisarts niet te verwijten. De
huisarts
heeft naar het oordeel van het college in beide verwijzingstrajecten zorgvuldig
gehandeld.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) negeren waarschuwing oogarts
5.12 Klaagster verwijt de huisarts dat hij geen actie heeft ondernomen op een brief
van de
oogarts waarin deze schrijft dat de oogklachten (traanklierzwelling) van klaagster
medicamenteus kunnen zijn, mogelijk bij haar dagelijkse cannabisgebruik.
5.13 De huisarts voert hiertegen aan dat dit geen (expliciete) waarschuwing is.
5.14 Het college is met de huisarts van oordeel dat in de door klaagster genoemde
opmerking van de oogarts geen waarschuwing te lezen is. Ook kan in de brief van
de oogarts
aan de huisarts van 29 augustus 2025 niet, zoals klaagster stelt, worden gevonden
dat de
oogarts er bij de huisarts op aandringt onderzoek te doen naar klaagsters hart-
en
vaatklachten en ontstekingen. Deze brief, waarop klaagster tijdens het mondeling
vooronderzoek zich kennelijk baseerde, bleek een brief van de oogarts gericht aan
een
internist te zijn. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) weigeren inzage medische gegevens
5.15 Klaagster verwijt de huisarts dat hij haar mondelinge en schriftelijke verzoeken
om
inzage in correspondentie met E (praktijk voor psychologie en pedagogie) heeft geweigerd,
alsmede alle andere relevante dossierstukken.
5.16 De huisarts voert aan dat hij steeds inhoudelijk heeft gereageerd op de verzoeken
van klaagster en heeft aangegeven dat zij haar volledige dossier kan inzien. Hij
heeft haar
daarin niet belemmerd.
5.17 Het college is van oordeel dat klaagster dit verwijt onvoldoende heeft onderbouwd
en
ziet geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat klaagster is belemmerd in het
inzien
van haar dossier. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.18 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk
is in
klachtonderdeel d. De overige onderdelen van de klacht zijn kennelijk ongegrond.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel
d;
- verklaart de klacht voor het overige kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 28 augustus 2026 door J.J. Dijk, voorzitter, C.H.
van Dijk,
lid-jurist, I. Weenink, G.J. Dogterom en M.C. Wolfs-Smits, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan
door S. Verdaasdonk, secretaris.