ECLI:NL:TGZRAMS:2026:207 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9152
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:207 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-08-2026 |
| Datum publicatie: | 28-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9152 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een huisarts. Samenhangende klacht met zaaknummer A2025/9147. Het college concludeert dat de huisarts te lang is blijven uitgaan van de aanvankelijke werkdiagnose aspecifieke mictieklachten, daar waar er meerdere signalen waren die tot een heroverweging daarvan hadden moeten leiden. In ieder geval had het gegeven dat patiënt zich bij het eerste consult meldde met mictieklachten (waaronder pijn) in combinatie met het aantreffen van erytrocyten in de urine ertoe moeten leiden dat na enkele weken het urine onderzoek was herhaald en dat een urinesedimentbepaling was verricht. En in die zin was de eerste werkdiagnose ook onvolledig althans gebaseerd op onvolledig onderzoek. Klachtonderdeel a en c slagen, met uitzondering van het onvoldoende serieus nemen van de pijnklachten. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond. Volgt een waarschuwing. |
A2025/9152
Beslissing van 28 augustus 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing van 28 augustus 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam te D,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 De klacht betreft de zorgverlening aan de broer van klager (hierna: patiënt)
die zich op 15 januari 2025 voor het eerst meldde bij de huisarts met mictieklachten,
vervolgens meerdere keren voor die klachten met in ernst toenemende pijn bij de huisarts
is teruggeweest en uiteindelijk, nadat hij op 2 mei 2025 met spoed in het ziekenhuis
was opgenomen, op 18 mei 2025 is overleden aan een zich zeer agressief ontwikkelende
tumor met metastases. Volgens klager heeft de huisarts de aanvankelijke (werk)diagnose
aspecifieke mictieklachten onvoldoende heroverwogen, terwijl er in de periode tussen
het eerste consult en de opname in het ziekenhuis meerdere signalen voor een dergelijke
heroverweging aanwezig waren. De huisarts voert verweer.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels gegrond is en legt de huisarts de maatregel op van waarschuwing. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 21 oktober 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het journaal van patiënt.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van
het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij
geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 17 juli 2026. Gelijktijdig met
deze
zaak is een samenhangende klacht ingediend bekend onder zaaknummer A2025/9147, de
zaken zijn gelijktijdig op zitting behandeld. De partijen zijn verschenen, waarbij
de huisarts
werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen hebben hun standpunten mondeling
toegelicht. Klager heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere
partij
overhandigd.
3. De feiten
3.1 De huisarts en E (verweerster in de samenhangende zaak, hierna: de collegahuisarts)
zijn beide praktijkhoudend huisarts te D, waar zij een duo-praktijk voeren. Patiënt
was in hun praktijk ingeschreven.
3.2 Patiënt kwam op 15 januari 2025 op het spreekuur bij de huisarts wegens
mictieklachten die al enkele weken bestonden. Een rectaal toucher liet, behoudens
een licht
vergrote prostaat, geen afwijkingen zien. Een urinekweek liet 2+ witte bloedcellen
zien, 1+
erytrocyten en was nitriet negatief. Eenzelfde test enkele dagen later leidde tot
hetzelfde
beeld. Een kweek en PSA lieten geen afwijkingen zien.
3.3 Op 28 januari 2025 kwam patiënt opnieuw op het spreekuur, dit keer bij de collegahuisarts,
wegens aanhoudende mictieklachten. Bij die gelegenheid is ook de mentale
gezondheid van patiënt besproken. Geadviseerd is om te starten met
bekkenbodemfysiotherapie.
3.4 Op 11 februari 2025 heeft patiënt zich bij de collega-huisarts gemeld met
toenemende klachten betreffende moeizame mictie met krampen in het perineum. Bij
het
rectaal toucher werd een gladde vergrote prostaat aangetroffen. Geadviseerd is om
te
starten met de bekkenbodemfysiotherapie. Verder is tamsulosine op proef voorgeschreven,
eventueel met PCM. Bij een consult op 26 februari 2025 bij de huisarts meldde patiënt
dat de
mictie wat beter ging met tamsulosine en dat hij was gestart met
bekkenbodemfysiotherapie. Hij had nog wel perineale pijnen.
3.5 Tijdens een consult op 13 maart 2025 bij de collega-huisarts gaf patiënt aan een
toename van bekken klachten te hebben wegens hoesten. Verder had hij frequent
krampende pijn vanuit de blaas richting penis en na het plassen vanuit het perineum
met
een pijnscore 8-9. Daarop heeft de collega-huisarts via teleconsultatie advies ingewonnen
bij
een uroloog die aangaf dat een verwijzing zinvol was.
3.6 Op 25 maart 2025 heeft een herbeoordeling bij de collega-huisarts plaatsgevonden.
Bij het rectaal toucher werd een gladde vergrote prostaat aangetroffen met net voorbij
de
kringspier een pijnlijke plek en aan de buitenzijde ook drukpijn. Patiënt is doorverwezen
naar
de uroloog.
3.7 Op 31 maart 2025 heeft de bekkenbodemfysiotherapeut aangegeven dat hij bij
inwendig handelen anaal een harde plek voelde die groter en harder lijkt te zijn
geworden.
De fysiotherapeut heeft gevraagd om een verwijzing naar de maag/lever/darm arts.
3.8 Op 7 april 2025 heeft een telefonisch consult plaatsgevonden. Patiënt had nog
steeds
veel mictieklachten. Naar aanleiding van de opmerking van de bekkenbodemfysiotherapeut
is patiënt doorverwezen naar proctologie, wat volgens de huisarts beter was dan
een
doorverwijzing naar de maag/lever/darm arts.
3.9 In een e-consult via het patiëntenportaal heeft patiënt op 9 april 2025 aangegeven
dat de apotheek de door patiënt gebruikte doseringen pijnstillers erg hoog vond.
Daarop
heeft de huisarts geantwoord dat de pijnstillers in standaarddoseringen werden
voorgeschreven en dat dit geen bezwaar was.
3.10 Op 22 april 2025 is patiënt gezien door een proctologisch arts. Deze heeft een
forse
prostaat geconstateerd, maar geen inwendige afwijkingen. Geadviseerd werd om het
bezoek
aan de uroloog af te wachten.
3.11 Op 24 april 2025 heeft patiënt zich wegens toenemende klachten bij de collegahuisarts
gemeld. Zij heeft direct contact opgenomen met de dienstdoende uroloog die aangaf
dat patiënt nog diezelfde dag kon komen om retentie en een urineweginfectie uit
te sluiten.
De afspraak op de poli urologie van 2 mei 2025 kon echter niet worden vervroegd.
De
collega-huisarts verwees patiënt naar het ziekenhuis om retentie en een urineweginfectie
uit
te sluiten.
3.12 Op 25 april 2025 heeft de collega-huisarts telefonisch contact met patiënt
opgenomen die aangaf dat met de bladderscan van de blaas iets “groots” was gezien,
maar
dat dit kon wachten tot de afspraak op de poli. Daarop heeft de collega-huisarts
de uroloog
gebeld die aangaf dat er een vermoeden van een abces was. Voorts heeft zij de proctologisch
chirurg gebeld voor een spoedbeoordeling. Nog diezelfde dag is patiënt opgenomen
in het
ziekenhuis.
3.13 Op 28 april 2025 is gebleken dat sprake was van een groot proces achter de
prostaat: verdringing van blaas en rectum. Er was ook sprake van verdenking van
longmetastates. Op 29 april 2025 was patiënt weer thuis en heeft hij telefonisch
contact
gehad met de collega-huisarts.
3.14 Op 2 mei 2025 is patiënt (met spoed) opgenomen in het ziekenhuis wegens
progressieve pijnklachten. Aldaar is de toestand van patiënt snel verslechterd en
is hij op
18 mei 2025 overleden.
3.15 Op 17 juni 2025 heeft klager samen met zijn moeder een nabestaandengesprek
gevoerd met de huisarts en en de collega-huisarts.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts dat hij:
a) patiënt niet tijdig heeft doorverwezen naar een medisch specialist en de veronderstelde
diagnose (aspecifieke mictieklachten) niet adequaat en volgens de richtlijnen heeft
behandeld;
b) bij diverse lichamelijke onderzoeken een drukpijnlijke plek (rectaal) heeft gemist
en een
intercollegiale waarschuwing van de bekkenbodemfysiotherapeut heeft genegeerd;
c) de toenemende pijnklachten onvoldoende serieus heeft genomen en niet adequaat
heeft
gehandeld;
d) zich aangaande de klachten teveel heeft laten leiden door assumpties en/of
vooringenomenheid omtrent eerdere psychologische / psychosomatische klachten en
onvoldoende het ingezette beleid en behandelplan in samenspraak met patiënt heeft
geëvalueerd.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Patient is op relatief jonge leeftijd onverwacht overleden aan een tumor met
metastases. Het is duidelijk dat klager door het zich zeer snel voortschrijdende
ziekteproces
overdonderd is geweest en dat hij nog veel verdriet heeft van het verlies van zijn
broer. Ter
zitting is ook duidelijk geworden dat het beloop grote indruk op de huisarts heeft
gemaakt.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden.
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
5.3 Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. In dit geval was de patiënt in zorg
bij de
huisarts en bij de collega-huisarts, die een gezamenlijke praktijk voeren, en is
hij
afwisselend door beiden gezien. De klachten tegen beiden zijn gelijkluidend en de
huisarts en
de collega-huisarts hebben ook gezamenlijk verweer gevoerd. Het college ziet daarin
aanleiding om de klachten tegen beide huisartsen op gelijke wijze te behandelen.
Klachtonderdelen a en c) uitblijven tijdige heroverweging werkdiagnose, doorverwijzing
en
pijnbeleid
5.4 De eerste en de derde klacht worden gezamenlijk behandeld, omdat die er (in
ieder
geval grotendeels) in essentie op neer komen dat de aanvankelijke werkdiagnose niet
tijdig
is heroverwogen, gelet op het verloop van het ziektebeeld en toenemende pijnklachten.
Die
klacht slaagt gedeeltelijk gelet op het volgende.
5.5 Bij het eerste consult meldde patiënt zich met klachten over toenemende frequentie
en pijn bij mictie. In de urine van patiënt werden erytrocyten aangetroffen en een
na enkele
dagen herhaald urine-onderzoek leverde hetzelfde beeld op. Een urineweginfectie
bleek
evenwel niet aanwezig. Hoewel er toen (en ook bij latere consulten) geen waarschijnlijke
oorzaak was, heeft er na de hiervoor genoemde urine onderzoeken, geen nieuw urine
onderzoek meer plaatsgevonden en evenmin heeft een urinesedimentbepaling
plaatsgevonden. De Landelijke Eerstelijns Afspaak (LESA) Laboratoriumdiagnostiek
van het
Nederlands Huisarts Genootschap adviseert dat echter wel. Als er rode bloedcellen
in de
urinesedimentbepaling gevonden worden, luidt het advies in de LESA om door te verwijzen
naar de uroloog, zeker bij mannen boven de veertig met risicofactoren voor maligniteit.
Eén van die risicofactoren is blijkens voormelde LESA het hebben van irritatieve
mictieklachten of urineopslagklachten. Dat laatste was, gelet op de klachten die
patiënt op
de volgende consulten presenteerde, het geval. Doorverwijzing naar de uroloog heeft
uiteindelijk wel plaatsgevonden, maar dit was pas twee maanden na het eerste consult
terwijl patiënt daarna nog meerdere malen op consult is geweest met persisterende
en in
ernst toenemende klachten. Patiënt kon na die doorverwijzing pas na ongeveer anderhalve
maand bij de uroloog terecht. Toen de klachten en met name de pijn in ernst toenamen
en
de collega-huisarts weer contact opnam met de dienstdoende uroloog, kon de afspraak
van
patiënt bij de poli urologie niet worden vervroegd. Omdat de aanwezigheid van erytrocyten
niet was opgevolgd kon informatie daarover, die mogelijk de dienstdoende uroloog
had
bewogen tot een spoedafspraak, niet worden verstrekt.
5.6 De conclusie van het voorgaande is dat de huisarts te lang is blijven uitgaan
van de
aanvankelijke werkdiagnose, daar waar er meerdere signalen waren die tot een
heroverweging daarvan hadden moeten leiden. In ieder geval had het gegeven dat patiënt
zich bij het eerste consult meldde met mictieklachten (waaronder pijn) in combinatie
met het
aantreffen van erytrocyten in de urine ertoe moeten leiden dat na enkele weken het
urine
onderzoek was herhaald en dat een urinesedimentbepaling was verricht. En in die
zin was de
eerste werkdiagnose ook onvolledig althans gebaseerd op onvolledig onderzoek. In
zoverre
slagen de klachten.
5.7 Voor zover de huisarts wordt verweten dat hij de pijnklachten van patiënt
onvoldoende serieus heeft genomen, oordeelt het college als volgt. De huisarts heeft
de
pijnklachten weldegelijk serieus genomen en ook getracht die pijn te bestrijden.
Verder is
patiënt doorverwezen naar de uroloog en de proctoloog en heeft ook telefonisch overleg
met
de uroloog plaatsgevonden. In zoverre slaagt de klacht niet. Zoals hiervoor al uiteen
is
gezet, hadden die (toenemende) pijnklachten er echter toe moeten leiden dat de
aanvankelijke diagnose werd heroverwogen en dat is in ongeveer twee maanden na de
eerste diagnose niet gebeurd. In zoverre slaagt de klacht wel.
Klachtonderdeel b) missen van drukpijnlijke plek bij rectaal toucher en negeren
waarschuwing bekkenbodemfysiotherapeut.
5.8 Klager verwijt de huisarts dat hij bij meerdere lichamelijke onderzoeken een
drukpijnlijke plek (vlak boven de kringsspier) heeft gemist. Hij verwijt hem ook
dat hij een
intercollegiale waarschuwing van de bekkenbodemfysiotherapeut die de betreffende
plek wel
voelde, heeft genegeerd.
5.9 Deze klacht slaagt niet. Voor wat betreft het door klager gestelde missen van
een
drukpijnlijke plek geldt dat, zoals klager zelf ook aangeeft, niet iedere afwijking
direct
voelbaar hoeft te zijn. Daarbij is het ook goed mogelijk dat wat de
bekkenbodemfysiotherapeut voelde, bij de eerdere consulten bij de huisarts en de
collegahuisarts
nog niet voelbaar was. De mededeling van de bekkenbodemfysiotherapeut is door
(in dit geval) de huisarts opgepakt in die zin dat patiënt is doorverwezen naar
een
proctologisch chirurg. Een dergelijke doorverwijzing lag ook meer voor de hand dan
een
doorverwijzing naar een maag/lever/darm arts zoals door de bekkenbodemfysiotherapeut
was gesuggereerd.
Klachtonderdeel d) psychische voorgeschiedenis
5.10 Volgens klager heeft de huisarts zich aangaande de klachten te veel laten leiden
door
assumpties en vooringenomenheid omtrent eerdere psychologische en/of psychosomatische
klachten en onvoldoende het ingezette beleid en behandelplan in samenspraak met
patiënt
geëvalueerd.
5.11 Deze klacht slaagt niet. De huisarts heeft terecht aangevoerd dat ook
psychosomatiek meegenomen moet worden in het klinisch redeneren en dat daar gelet
op de
aard van de klachten en de voorgeschiedenis van patiënt (die door klager niet wordt
ontkend) ook aanleiding voor was. Uit het medisch dossier van patiënt volgt ook
niet dat de
huisarts in die psychosomatiek is blijven steken en geen oog meer had voor andere
mogelijke oorzaken.
Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachten a en c (grotendeels) gegrond
zijn en
dat de andere klachtonderdelen ongegrond zijn.
Maatregel
5.13 Omdat een deel van de klachten gegrond is, moet het college beoordelen of een
maatregel op zijn plaats is en zo ja, welke.
5.14 Het verwijt aan de huisarts komt er in de kern op neer dat hij een eerste diagnose
niet (eerder) heeft heroverwogen, terwijl hij daarvoor meerdere signalen kreeg.
Daarbij
heeft mede een rol gespeeld dat is nagelaten om een urinesedimentbepaling te doen
nadat
tweemaal erytrocyten in de urine waren gevonden zonder verklaarbare oorzaak. Later
is bij
het persisteren van de klachten van patiënt nagelaten alsnog een herhaling van de
dipslide
te doen, gevolgd door een urinesedimentbepaling. In die zin heeft de huisarts niet
de zorg
verleend die van een een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts verwacht
mag
worden. Daarom is zijn handelen tuchtrechtelijk verwijtbaar en ligt oplegging van
een
maatregel in de rede.
5.15 In het voordeel van de huisarts weegt het volgende mee:
- de huisarts heeft zich opgesteld als empathische en betrokken huisarts die de
klachten van
patiënt serieus heeft genomen en heeft gezocht naar de juiste behandeling;
- de huisarts heeft zich toetsbaar opgesteld, de casus met de collega-huisarts,
collega’s en in
intervisie besproken en leerpunten benoemd, zoals:
i) er beter op toezien dat een patiënt met een doorlopende klacht steeds door dezelfde
arts
wordt gezien,
ii) beter uitvragen naar de pijn bij een niet eisende patiënt en
iii) de aanwezigheid van erytocyten in de urine opvolgen;
- de huisarts heeft geen tuchtrechtelijk verleden.
5.16 Gelet op het voorgaande acht het college de maatregel van waarschuwing op zijn
plaats.
Publicatie
5.17 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere huisartsen mogelijk iets kunnen leren van deze
zaak
kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere
tot
personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht voor wat betreft de onderdelen a en c (zoals is overwogen
in 5.5. en
5.6) gegrond;
- legt de huisarts de maatregel op van waarschuwing;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch
Contact.
Deze beslissing is gegeven door J.J. Dijk, voorzitter, C.H. van Dijk, lid-jurist,
I. Weenink,
G.J. Dogterom en M.C. Wolfs-Smits, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door S. Verdaasdonk,
secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026.