ECLI:NL:TGZRAMS:2026:204 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9172
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:204 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 25-08-2026 |
| Datum publicatie: | 25-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9172 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Grotendeels gegronde klacht tegen een dermatoloog. De dermatoloog heeft klaagster behandeld met botulinetoxine injecties in de oksels in verband met overmatig transpireren. De dermatoloog heeft klaagster voorafgaand aan de behandeling onvoldoende geïnformeerd, de behandelrelatie zonder gewichtige reden en zonder inachtneming van de daarvoor geldende zorgvuldigheidseisen beëindigd, onzorgvuldig gehandeld bij de verslaglegging en is tekortgeschoten in de communicatie over de klachtenafhandeling en het BIG-registratienummer. Gelet op de ernst en de samenhang van de gegrond bevonden klachtonderdelen, het ontbreken van inzicht in het eigen handelen en een opgelegde berisping in een eerdere tuchtzaak, legt het college een voorwaardelijke schorsing van zes maanden op. |
A2025/9172
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 25 augustus 2026 op de klacht van:
A,
wonende te B, klaagster,
tegen
C,
dermatoloog, werkzaam te D,
verweerster, hierna ook: de dermatoloog, gemachtigde: mr. J.M. de Vries, werkzaam
te Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is door haar huisarts doorverwezen naar de dermatoloog, omdat zij
een behandeling
wenste van axillaire hyperhidrosis. Klaagster heeft eerst een intakeconsult gehad,
waarna tijdens
een vervolgafspraak een behandeling met botulinetoxine injecties in de oksels is
uitgevoerd.
1.2 Klaagster verwijt de dermatoloog dat zij tijdens de intake en de behandeling
onprofessioneel
heeft gehandeld, de behandelrelatie eenzijdig heeft beëindigd, onjuiste informatie
heeft opgenomen
in het medisch dossier en in de brieven aan de huisarts, tekort is geschoten in
de communicatie
over het BIG-registratienummer van de dermatoloog en in de klachtenafhandeling en
geen duidelijke
klachtenprocedure faciliteert.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels gegrond is. Aan de dermatoloog
wordt de
maatregel van een voorwaardelijke schorsing opgelegd. Hierna vermeldt het college
eerst hoe de
procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 28 oktober 2025;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 24 november 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- aanvullende stukken van klaagster, binnengekomen op 25 februari 2026, met een brief
van haar
behandelend gz-psycholoog en psychiater, schermafdrukken van een Whatsapp-gesprek
en
schermafdrukken van het BIG-register;
- het proces-verbaal van het op 10 maart 2026 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- aanvullende stukken van klaagster, binnengekomen op 28 april 2026, met een usb-stick
van
geluidsopnamen en een verwijsbrief van de huisarts;
- het verzoek van klaagster om proceskostenveroordeling en aanvullende bewijsstukken,
binnengekomen op 30 juni 2026.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 14 juli 2026. De partijen zijn
verschenen. De
dermatoloog werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en de gemachtigde
van de dermatoloog
hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster heeft op 27 mei 2025, na verwijzing van haar huisarts, een intakeconsult
gehad bij
de dermatoloog, tevens praktijkhoudster, in verband met een behandeling van hyperhidrosis
(overmatig transpireren). Klaagster had voor de kliniek van de dermatoloog gekozen
omdat zij op
zoek was naar een zorgaanbieder waar de behandeling voor vergoeding door haar zorgverzekeraar
in
aanmerking kwam.
3.2 De dermatoloog noteerde in het medisch dossier:
“22-05-2025 (…)
afspraak op 04-0702025 voor de hyperhidrosiis in de oksel ( 4 Eh per 0.1cc nacl
) botuline R50EH
2 keer per jaar mag de bahndleing doen uitgeleg gedaan”
3.3 In een brief aan de huisarts van 30 mei 2025 schreef de dermatoloog:
“Op 22 mei 2025 zag ik op mijn spreekuur bovengenoemde patiënt i.v.m. Klachten van
overmatig
zweten, gelokaliseerd in de oksels/handen. (…)
Patient werd op dezelfde dag met Botuline injectie voor beide oksels 50 eenheden,
4 eenheden /0,1
ml behandeld. (…)”.
3.4 Op 4 juli 2025 kwam klaagster voor de behandeling bij de dermatoloog. Voordat
de behandeling
werd uitgevoerd, werd een informed consent-formulier getekend waarop stond dat de
behandeling
“Hyperhidrosis” werd uitgevoerd op 4 juli 2025 en dat een informatiefolder schriftelijk
is
ontvangen.
3.5 Tijdens en na de behandeling heeft klaagster gevraagd hoeveel eenheden botulinetoxine
de
dermatoloog had gebruikt.
3.6 Na de behandeling heeft klaagster aan de balie bij een medewerker nogmaals gevraagd
naar de
eenheden. Klaagster is, nadat zij de kliniek had verlaten, vervolgens terug naar
binnen gegaan om
de verpakking van de botulinetoxine te verkrijgen.
3.7 In het medisch dossier noteerde de dermatoloog diezelfde dag:
”Patient vraagt aan het einde van consult nogmaals welke dosering is geplaatst we
hebben
bovenstaande informatie doorgegeven tijdens consult vraagt patiënt aan de dermatoloog
welke afkomst
ze heeft echter is dit niet van belang tijdens consult”.
3.8 In de brief aan de huisarts van 8 juli 2025 schreef de dermatoloog:
“Bovengenoemde patiente bezocht op 5 juli 2025 ons spreekuur in verband met de behandeling
van
hyperhidrosis. (…)
Na afloop van de behandeling vroeg patiente nogmaals hoeveel eenheden er gebruikt
waren. De arts
heeft dit duidelijk herhaald. Tevens stelde patiente vervolgens een persoonlijke
vraag aan de arts
over diens afkomst, hetgeen de arts als niet passend ervoer binnen de context van
het consult.
Na het consult meldde patiente zich bij de balie dat zij niet geïnformeerd was over
het aantal
gebruikte eenheden, ondanks dat deze informatie tijdens en na de behandeling duidelijk
is
verstrekt.
De arts vond het geen fijne ervaring en verwijst patient terug naar de huisarts.
(…)”
3.9 Medio september 2025 nam klaagster kennis van een verwijsbrief die in verband
met een andere
zorgvraag was opgesteld en waarin ook haar medische voorgeschiedenis was opgenomen.
Daaruit bleek
haar voor het eerst dat de dermatoloog de behandelrelatie had beëindigd. Klaagster
was daarvan niet
eerder in kennis gesteld.
3.10 Op 19 september 2025 heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met de kliniek
van de
dermatoloog met het verzoek haar het BIG-registratienummer van de dermatoloog te
verstrekken.
Klaagster kon de dermatoloog niet met haar naam, zoals vermeld op de website van
de kliniek, in het
BIG-register vinden. Na meerdere telefoongesprekken met verschillende medewerkers
van de kliniek,
ontving klaagster het BIG-registratienummer niet.
3.11 Op 22 september 2025 heeft klaagster opnieuw telefonisch contact opgenomen met
de kliniek,
ditmaal met het verzoek om de contactgegevens van de onafhankelijke klachtenfunctionaris.
Aan
klaagster werd medegedeeld dat zij dit verzoek per e-mail diende in te dienen via
het algemene
e-mailadres van de kliniek, zoals weergegeven op de website van de kliniek.
3.12 Klaagster heeft vervolgens geprobeerd om een klacht bij de kliniek in te dienen.
Daarbij
constateerde zij dat het op de website vermelde e-mailadres voor klachten niet functioneerde.
Naar aanleiding daarvan nam zij opnieuw telefonisch contact op met de kliniek, maar heeft
toen geen contact met de kliniek kunnen krijgen.
4. De klacht en de reactie van de dermatoloog
4.1 Klaagster verwijt de dermatoloog dat zij:
a) tijdens de intake en de behandeling onprofessioneel heeft gehandeld;
b) de behandelrelatie eenzijdig heeft beëindigd;
c) onjuiste informatie heeft opgenomen in het medisch dossier en in de brieven aan
de huisarts;
d) tekort is geschoten in de klachtenafhandeling en de communicatie over het BIG-registratienummer;
e) geen duidelijke klachtenprocedure faciliteert.
4.2 De dermatoloog heeft verweer gevoerd en het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of dermatoloog zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende dermatoloog. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) Onprofessioneel handelen tijdens intake en behandeling
5.2 Uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, is het college gebleken dat
klaagster
voorafgaand aan de behandeling onvoldoende is geïnformeerd over de aard en inhoud
van de
voorgenomen behandeling van hyperhidrosis met botulinetoxine injecties. De dermatoloog
heeft de
mogelijke complicaties en bijwerkingen niet met klaagster besproken en evenmin de
beschikbare
behandelingsalternatieven. Hierdoor heeft geen zorgvuldig proces van samen beslissen
(shared
decision making) kunnen plaatsvinden. Ook uit het door klaagster ondertekende informed
consent-formulier blijkt niet welke concrete behandeling van de hyperhidrosis zou
worden
uitgevoerd. Op het formulier is uitsluitend de aandoening ‘hyperhidrosis’ vermeld.
In het medisch
dossier staat wel dat de dermatoloog uitleg heeft gegeven, maar daaruit blijkt niet
welke uitleg is
gegeven en wat door de dermatoloog met klaagster is besproken.
5.3 Het college is van oordeel dat de dermatoloog daarmee onvoldoende invulling
heeft gegeven aan
haar informatieplicht en heeft nagelaten klaagster in staat te stellen een weloverwogen
keuze te
maken over de voorgenomen behandeling. Dit is in strijd met de uitgangspunten van
informed consent
en samen beslissen (shared decision making).
5.4 Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel b) Het eenzijdig beëindigen van de behandelrelatie
5.5 Het college stelt vast dat de dermatoloog op 8 juli 2025, enkele dagen na
de behandeling, in
haar brief aan de huisarts heeft vermeld dat zij klaagster terugstuurde naar de
huisarts en daarmee
dus de behandelrelatie wilde beëindigen. Als reden daarvoor heeft de dermatoloog
opgenomen dat zij
de behandeling "geen fijne ervaring" vond, wat verband hield met de aanhoudende
vragen van
klaagster over de toegepaste dosering en een door klaagster gestelde persoonlijke
vraag. De
dermatoloog heeft in haar verweerschrift aangevoerd dat geen sprake was van een
beëindiging van een
bestaande behandelovereenkomst, maar van de aanzegging dat zij, indien een vervolgbehandeling
noodzakelijk zou blijken, geen nieuwe behandelovereenkomst met klaagster zou aangaan.
De
dermatoloog heeft daarbij erkend dat zij klaagster hierover had behoren te informeren.
5.6 Het college overweegt als volgt. Uit het medisch dossier blijkt dat tijdens
de intake met
klaagster is besproken dat de behandeling zo nodig tweemaal per jaar kon worden
uitgevoerd.
Vaststaat voorts dat dit de eerste behandeling van klaagster betrof en dat de dermatoloog
al vier
dagen na die behandeling besloot de behandelrelatie (eenzijdig) te beëindigen. Onder
deze
omstandigheden kan het onderscheid dat de dermatoloog maakt tussen het beëindigen
van een bestaande
behandelovereenkomst en het niet-aangaan van een toekomstige behandelovereenkomst
haar niet baten.
Feitelijk heeft de dermatoloog besloten geen verdere zorg meer aan klaagster te
willen verlenen.
5.7 Uit het medisch dossier blijkt verder niet van een gewichtige reden die een
eenzijdige
beëindiging van de behandelrelatie rechtvaardigt. Volgens de KNMG-richtlijn “Niet-aangaan
of
beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst (2021)” is beëindiging
door een arts
slechts toegestaan indien daarvoor gewichtige redenen bestaan en dient de arts daarbij
grote
terughoudendheid te betrachten, mede gelet op de gezondheidstoestand van en de
afhankelijkheidsrelatie met de patiënt. Ter zitting noemde de dermatoloog aanvullende
omstandigheden die haar tot de beëindiging van de behandelrelatie brachten, namelijk
dat klaagster
de verpakking van de botulinetoxine uit de prullenbak zou hebben gestolen en dat
medewerkers aan de
balie klaagster als onprettig hadden ervaren. Deze omstandigheden vinden echter
geen steun in het
medisch dossier of andere objectieve stukken en zijn daarom voor het college niet
verifieerbaar.
5.8 Daar komt bij dat de dermatoloog de zorgvuldigheidseisen die gelden bij beëindiging
van een
behandelrelatie niet in acht heeft genomen. Klaagster is niet vooraf gewaarschuwd
dat beëindiging
van de behandelrelatie werd overwogen, zij is niet over de beëindiging geïnformeerd
en haar is geen
redelijke termijn geboden om desgewenst een andere behandelaar te vinden. Integendeel,
klaagster
heeft pas geruime tijd later, via een aan de huisarts gerichte verwijsbrief in verband
met een
andere zorgvraag, kennisgenomen van het feit dat de dermatoloog de behandelrelatie
(eenzijdig) had
beëindigd. Daarbij weegt het college mee dat de dermatoloog wist dat klaagster zich
juist tot haar had gewend omdat de behandeling binnen haar praktijk onder de verzekerde
zorg viel. Onder deze omstandigheden heeft de
dermatoloog niet de zorgvuldigheid betracht die van haar mocht worden verwacht.
5.9 Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel c) Onjuiste verslaglegging in het medisch dossier en in de brieven
aan de huisarts
5.10 Het college stelt vast dat de aan de huisarts verzonden brieven feitelijke
onjuistheden
bevatten. Zo komen de daarin vermelde data niet overeen met de feitelijke gang van
zaken en is in
de brief naar aanleiding van de intake vermeld dat de behandeling diezelfde dag
heeft
plaatsgevonden, terwijl dat niet het geval was. De dermatoloog heeft in haar verweerschrift
uitgelegd dat dit kwam doordat de brief automatisch is gegenereerd. Ter zitting
verklaarde zij dat
de brieven door de assistente worden opgesteld en dat zij deze normaliter achteraf
controleert. In
dit geval heeft die controle kennelijk niet plaatsgevonden.
5.11 Het college is van oordeel dat de dermatoloog hiermee onzorgvuldig heeft gehandeld.
Het
behoort tot de eigen professionele verantwoordelijkheid van de behandelend arts
om erop toe te zien
dat medische correspondentie aan andere zorgverleners juist en volledig is. Dat
de brieven door een
assistente zijn opgesteld of automatisch zijn gegenereerd, doet aan die persoonlijke
verantwoordelijkheid niet af. Daar komt bij dat de onjuistheden niet zijn gecorrigeerd
nadat deze
aan het licht waren gekomen.
5.12 Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel d) Tekortschieten in de communicatie over de klachtenafhandeling en
het
BIG-registratienummer
5.13 Vaststaat dat de dermatoloog voor klaagster niet vindbaar was in het BIG-register,
omdat zij
daarin met haar voornaam als achternaam stond geregistreerd. Klaagster heeft herhaaldelijk
telefonisch verzocht om verstrekking van het BIG-registratienummer van de dermatoloog
of de naam
waaronder de dermatoloog was geregistreerd, maar deze informatie is haar niet verstrekt.
De
dermatoloog heeft erkend dat dit niet juist is geweest. Voorts is gebleken dat klaagster
zich met
haar klacht tot meerdere e-mailadressen - die op de website van de kliniek stonden
vermeld - heeft
gewend, waarvan één op dat moment niet langer in gebruik was.
5.14 Het college is van oordeel dat de dermatoloog als praktijkhoudster verantwoordelijk
is voor
een deugdelijke organisatie van de praktijk en voor een correcte afhandeling van
verzoeken van
patiënten als hier aan de orde. Daartoe behoort dat medewerkers beschikken over
de juiste
informatie en dat een patiënt desgevraagd het BIG-registratienummer van de behandelaar
kan
verkrijgen of kan achterhalen.
5.15 Daar komt bij dat het college niet heeft kunnen vaststellen dat de dermatoloog
haar
registratiegegevens in het BIG-register inmiddels heeft laten corrigeren. Tijdens
het mondeling
vooronderzoek op 10 maart 2026 heeft de dermatoloog aangekondigd daartoe een verzoek
bij het
CIBG/BIG-register te zullen indienen, maar ter zitting heeft de dermatoloog desgevraagd
niet kunnen
bevestigen dat dit is gebeurd. De dermatoloog wist niet wat de status was en haar
assistente heeft
ter zitting meegedeeld dat er contact met het CIBG opgenomen was, maar dat er nog
geen verzoek was
ingediend. Ook hiervoor draagt de dermatoloog zelf de verantwoordelijkheid.
5.16 Dit klachtonderdeel is gegrond.
Klachtonderdeel e) Ontbreken van een duidelijke klachtenregeling
5.17 Ten aanzien van de klachtenregeling overweegt het college dat weliswaar is
gebleken dat de
communicatie over de afhandeling van de klacht niet steeds zorgvuldig is verlopen
(zie
klachtonderdeel d), maar dat niet is komen vast te staan dat de kliniek niet beschikte
over een
duidelijke of deugdelijke klachtenregeling. Vaststaat dat klaagster uiteindelijk
contact heeft
gehad met de onafhankelijke klachtenfunctionaris. Daarnaast is gebleken dat op de
website van de
kliniek informatie is opgenomen over de klachtenregeling, de wijze waarop een klacht
kan worden
ingediend en de mogelijkheid om, indien een oplossing uitblijft, een geschil aan
de
Geschillencommissie Zorg voor te leggen. Dat op de website van de kliniek ook nog
een e-mailadres
stond dat niet langer in gebruik was, is onvoldoende om dit klachtonderdeel gegrond
te achten. Voor
de volledigheid merkt het college op dat het niet werkende e-mailadres inmiddels
van de website is
verwijderd.
5.18 Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.19 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel a) tot en met d) gegrond
zijn en
klachtonderdeel e) ongegrond.
Maatregel
5.20 Het college stelt vast dat de dermatoloog op meerdere onderdelen in strijd
heeft gehandeld
met de zorg die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar
mag worden
verwacht. Zij heeft klaagster voorafgaand aan de behandeling onvoldoende geïnformeerd,
de
behandelrelatie zonder gewichtige reden en zonder inachtneming van de daarvoor geldende
zorgvuldigheidseisen beëindigd, onzorgvuldig gehandeld bij de verslaglegging en
is tekortgeschoten
in de communicatie over de klachtenafhandeling en het BIG-registratienummer.
5.21 Bij het bepalen van de op te leggen maatregel weegt het college mee dat de dermatoloog
ter
zitting onvoldoende blijk heeft gegeven van inzicht in het onzorgvuldige karakter
van haar
handelen. In plaats van daarop te reflecteren, heeft zij zich meermalen in negatieve
bewoordingen
over klaagster uitgelaten, gewezen op de psychische gesteldheid van klaagster en
het handelen van haar medewerkers aangevoerd ter rechtvaardiging van haar eigen (niet)
handelen. Het college heeft geen blijk gezien van zelfreflectie, begrip voor de positie
van klaagster of besef van haar eigen professionele verantwoordelijkheid. Het college
betrekt daarbij ook dat aan de dermatoloog recentelijk (ECLI:NL:TGZRAMS:2026:16) een
berisping is opgelegd wegens
het onvoldoende betrekken van een patiënt bij de besluitvorming over de behandeling
(shared
decision making). Deze maatregel dateert weliswaar van na de indiening van de onderhavige
klacht en
de gebeurtenissen waarop de klacht is gebaseerd, maar ter zitting heeft de dermatoloog
er geen
blijk van gegeven van de eerdere beslissing te hebben geleerd, hetgeen het college
zorgen baart.
5.22 Gelet op de ernst en de samenhang van de gegrond bevonden klachtonderdelen,
het ontbreken van
inzicht in het eigen handelen en de eerder opgelegde berisping acht het college
de maatregel van
een voorwaardelijke schorsing van zes maanden met een proeftijd van twee jaar passend
en geboden.
Publicatie
5.23 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere dermatologen mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie
zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare
gegevens.
Kostenveroordeling
5.24 Klaagster heeft verzocht de dermatoloog te veroordelen in de kosten die zij
heeft gemaakt in
deze procedure, bestaande uit de reiskosten voor het mondeling vooronderzoek en
de zitting, de
aanschaf van een USB-stick en verzendkosten voor het toezenden van stukken aan het
college. Een
kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk) gegrond
verklaart en aan de
zorgverlener een maatregel oplegt.
5.25 Het college concludeert dat uitsluitend de reiskosten voor vergoeding in aanmerking
komen en
veroordeelt de dermatoloog in de forfaitair vastgestelde reiskosten van klaagster
ten bedrage van € 100,-.
5.26 Het college zal de dermatoloog veroordelen dit bedrag – nadat deze uitspraak
onherroepelijk
is geworden – te voldoen op de bankrekening van klaagster, binnen vier weken nadat
zij schriftelijk
het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening waarop het bedrag
kan worden
gestort heeft laten weten.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel a) tot en met d) gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- schorst de bevoegdheid van de dermatoloog om de aan de inschrijving in het register
verbonden
bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van zes maanden;
- beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het college
later anders
mocht bepalen omdat de dermatoloog zich voor het einde van een proeftijd van twee
jaren schuldig
heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die
zij als
dermatoloog behoort te betrachten, of in strijd is met hetgeen een behoorlijk dermatoloog
betaamt;
- bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag dat deze beslissing onherroepelijk
is geworden;
- bepaalt dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode dat de dermatoloog
in het
register is ingeschreven en bevoegd is de daaraan verbonden bevoegdheden uit te
oefenen;
- veroordeelt de dermatoloog in de vastgestelde kosten van klaagster van € 100,-
en gelast haar
dit bedrag te voldoen op de bankrekening van klaagster binnen vier weken nadat zij
haar
schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening waarop
dit bedrag kan
worden gestort heeft laten weten;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door W.A.H. Melissen, voorzitter, L.J. Knap, lid-jurist,
R.J. Borgonjen, E.J.M. van Leent en M.B. Visch, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
C.I.M. de Haan, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.