ECLI:NL:TGZRAMS:2026:201 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9497

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:201
Datum uitspraak: 21-08-2026
Datum publicatie: 21-08-2026
Zaaknummer(s): A2025/9497
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. De klager was uitgenodigd voor een fysiek consult met de bedrijfsarts voor een claimbeoordeling na ziekmelding. De klacht van klager ziet kort gezegd op de communicatie daarover. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

A2025/9497
Beslissing van 21 augustus 2026
 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 21 augustus 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klager,

tegen

C,
bedrijfsarts,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam in Utrecht.

1. Waar gaat de zaak over?

1.1
De klager was uitgenodigd voor een fysiek spreekuur consult met de bedrijfsarts voor een claimbeoordeling na ziekmelding. De klacht van klager ziet kort gezegd op de communicatie daarover.

1.2
Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is, maar dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1
Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 december 2025;
- het verweerschrift met de bijlage.

2.2
Partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Zij hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2.3
Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.


3. Wat is er gebeurd?

3.1
Klager is na zijn ziekmelding door de verzuimafdeling van E uitgenodigd en ingepland op het fysieke spreekuur van de bedrijfsarts op 11 december 2025 om 11.45 uur voor een claimbeoordeling. Dit zou het eerste (fysieke) contactmoment zijn tussen de bedrijfsarts en klager.

3.2
Op 10 december 2025 heeft klager zich per e-mail aan de verzuimafdeling van E afgemeld voor dit spreekuur “wegens medische redenen”.

3.3
Op 11 december 2025 is klager niet op het spreekuur verschenen. De bedrijfsarts heeft na ongeveer 20 minuten wachten telefonisch contact opgenomen met klager en een telefoongesprek met hem gevoerd.

3.4
Per e-mail van 11 december 2025 om 12:18 uur aan de bedrijfsarts heeft klager zijn in 3.2. genoemde afmelding aan de bedrijfsarts bevestigd.

3.5
De bedrijfsarts heeft in een formulier ‘Rapportage Claimbeoordeling Ziektewet’, gedateerd op 11 december 2025, onder de vraag ‘Wat zijn de huidige beperkingen?’ ingevuld: “A geeft aan niet op het spreekuur te kunnen komen. Hij wil eerst weten wie ik ben (in formele zin). Ik heb hem mijn BIG-nr gegeven. Ik adviseer een nieuwe spreekuurafspraak in te plannen.”

3.6
Per e-mail van 11 december 2025 om 12:29 uur heeft E aan klager onder meer meegedeeld: “Je bent zonder geldige reden geen medewerking verleend tijdens het gesprek met de bedrijfsarts. (..) Als gevolg hiervan hebben wij besloten de uitbetaling van ziekengeld met ingang van 05 december 2025 te schorsen/op te schorten totdat je bij de bedrijfsarts op consult bent geweest en E van een volledig consult is voorzien.”

3.7
Per e-mail aan de bedrijfsarts van 12 december 2025 heeft klager bij de bedrijfsarts “een formele klacht” ingediend “over de claimbeoordeling die u heeft vastgelegd op 11 december 2025 (…)”.

3.8
Per e-mail van 18 december 2025 heeft E klager uitgenodigd voor een fysiek consult ter claimbeoordeling bij de bedrijfsarts op 29 januari 2026.

4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1
Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij:
a) niet heeft geluisterd naar de instructies van klager;
b) geen gebruik heeft gemaakt van het afgesproken communicatiemiddel;
c) niet zorgvuldig is geweest in het uitvoeren van de beoordeling;
d) zijn positie als arts heeft misbruikt;
e) onduidelijk is geweest over zijn rol;
f) de mogelijkheden voor een consult niet heeft benut.


4.2
De bedrijfsarts heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klacht voor zover deze betrekking heeft op handelen dan wel bejegening waarbij de bedrijfsarts niet betrokken is geweest. Subsidiair heeft de bedrijfsarts het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3
Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Beoordelingskader
5.1
De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de bedrijfsarts geldende beroepsnormen en professionele standaarden. Daarnaast geldt als uitgangspunt dat zorgverleners uitsluitend tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2
Het college zal nu de klachtonderdelen bespreken en toetsen aan dit beoordelingskader.

Klachtonderdelen a) niet luisteren naar instructies van klager, b) niet gebruikmaken van het afgesproken communicatiemiddel, f) niet benutten van de mogelijkheden voor een consult
5.3
Klager stelt dat de bedrijfsarts zijn schriftelijke afmelding van 10 december 2025 voor het spreekuur van 11 december 2025 heeft genegeerd. Ook stelt klager dat hij aan zijn casemanager reeds alternatieve mogelijkheden had benoemd die de bedrijfsarts zou kunnen overwegen om het consult alsnog correct te laten verlopen, maar dat de bedrijfsarts toch heeft aangegeven dat de afspraak moest worden verzet.
De bedrijfsarts voert aan dat hij voorafgaand aan het spreekuur niet op de hoogte was van de schriftelijke afmelding van klager en dat hij daarom klager, toen hij niet was verschenen op het spreekuur, heeft gebeld. Volgens de bedrijfsarts zei klager in dat telefoongesprek dat hij alleen wilde communiceren via een beveiligde verbinding en heeft de bedrijfsarts daarop meegedeeld aan klager dat voor de beoordeling van klager een nieuw fysiek spreekuurcontact noodzakelijk was.

5.4
Het college kan op basis van deze versies van wat er is gebeurd enerzijds van klager en anderzijds van de bedrijfsarts en ook overigens op grond van het dossier niet feitelijk vaststellen dat de afmelding van klager de bedrijfsarts heeft bereikt. Dat betekent dat het college ook niet tot het oordeel kan komen dat het de bedrijfsarts persoonlijk kan worden verweten dat hij de afmelding van klager heeft genegeerd. Mogelijk is de afmeldingsmail van klager aan de verzuimafdeling niet doorgestuurd aan de bedrijfsarts. Maar dat, wat daarvan ook zij, zou in de gegeven omstandigheden niet aan de bedrijfsarts persoonlijk kunnen worden toegerekend. Daarbij komt dat de bedrijfsarts juist heeft gehandeld door toen hem duidelijk was dat klager niet verscheen op het spreekuur met hem te bellen om een toelichting te vragen en met hem het vervolg te bespreken.


5.4 Ook mocht de bedrijfsarts, reeds nu het ging om een eerste kennismaking en een consult bedoeld voor een claimbeoordeling, kiezen voor een fysiek spreekuurcontact in plaats van een online consult in wat voor vorm ook. Het was aan de bedrijfsarts zelf om deze keuze te maken en hij kon in de gegeven omstandigheden deze keuze dus ook maken. De bedrijfsarts hoefde daarom geen gehoor te geven aan het voorstel dan wel instructie van klager om het ingeplande fysieke contact om te zetten in een online consult zoals voorgesteld door klager, bijvoorbeeld via (beeld)bellen via beveiligde telefoonverbinding of een beveiligd medisch portal. De bedrijfsarts heeft dat in het telefoongesprek ook aan klager toegelicht, zoals klager erkent in zijn klachtbrief van 12 december 2025. Dat klager zijn voorstel eerder met de casemanager had besproken, maakt dit niet anders.
Concluderend kunnen de klachtonderdelen a), b) en f) niet slagen.

Klachtonderdelen c) onzorgvuldige uitvoering van de beoordeling, d) misbruik positie als arts
5.5
Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij op 11 december 2025 een claimbeoordeling heeft ingevoerd in het werknemersportaal, ondanks het feit dat klager de afspraak had afgezegd en zonder dat zijn klachten waren besproken. Verzoeken van klager tot inzage en rectificatie zouden zijn genegeerd.

5.6
Het college stelt vast dat uit het door de bedrijfsarts ingevulde formulier ‘Rapportage Claimbeoordeling Ziektewet’ (zie overweging 3.5 hiervoor) niet kan worden afgeleid dat er een inhoudelijke claimbeoordeling is gedaan door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft in het formulier niets ingevuld dat daarop duidt. Onder de vraag ‘Wat zijn de huidige beperkingen?’ heeft hij alleen samengevat wat hij feitelijk in het telefoongesprek met klager heeft besproken. Ook overigens volgt niet uit het dossier dat de bedrijfsarts enige bedrijfsgeneeskundige beoordeling inzake klager heeft gedaan. Het kan zijn dat het gebruik van genoemd formulier voor dit doel verwarrend is geweest voor klager. Maar dit maakt in de gegeven omstandigheden niet dat de bedrijfsarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Uit het voorgaande volgt ook dat de bedrijfsarts - anders dan door klager is verzocht - de registratie dat klager niet aanwezig was niet behoefde te corrigeren.

5.7
Klager verwijt de bedrijfsarts dat hij zijn positie als arts heeft misbruikt om eenzijdige beslissingen te nemen, zonder de klachten van klager voorafgaand volledig en correct te hebben geïnventariseerd. Uit de voorgaande overwegingen van het college over de klachtonderdelen volgt dat er geen feitelijke grondslag kan worden vastgesteld voor deze verwijten. Daarbij merkt het college nog op dat in het dossier evenmin aanknopingspunten zijn voor een aan de bedrijfsarts te maken tuchtrechtelijk verwijt ten aanzien van (de inhoud van) de door E op 11 december 2025 aan klager gestuurde e-mail (hiervoor weergegeven in overweging 3.6), wat daar verder van zij.

5.8
De klachtonderdelen c) en d) kunnen dus niet slagen.

Klachtonderdeel e) onduidelijkheid rol bedrijfsarts
5.9
Klager voert aan dat het hem onduidelijk was of de arts optrad in de rol van claimarts dan wel van bedrijfsarts. Klager stelt dat hij reeds eerder door een bedrijfsarts was beoordeeld, dat hij inmiddels ziek uit dienst was, en dat het hem niet duidelijk was waarom hij opnieuw door een andere arts beoordeeld moest worden.

5.10
Het college stelt vast dat uit de vastlegging van het telefoongesprek door de bedrijfsarts in het formulier ‘Rapportage Claimbeoordeling Ziektewet’ (zie overweging 3.5) volgt dat de bedrijfsarts van klager heeft begrepen dat klager niet wist wie hij was (in formele zin) en dat de bedrijfsarts daarop aan klager zijn BIG nummer heeft gegeven. De bedrijfsarts heeft in het verweerschrift ook aangevoerd dat hij in het telefoongesprek aan klager heeft uitgelegd wat zijn rol als bedrijfsarts inhield en wat de specifieke reden was voor het geplande fysieke spreekuur. Ook in de uitnodiging voor het nieuwe spreekuur (hiervoor genoemd in overweging 3.8) staat vermeld dat klager is uitgenodigd voor een consult bij hem in zijn hoedanigheid van “bedrijfsarts”. Naar het oordeel van het college zijn er dus geen vaststaande feiten of omstandigheden die erop wijzen dat de bedrijfsarts over zijn rol onjuiste of verwarrende informatie heeft verstrekt. Ook dit klachtonderdeel faalt.

Slotsom
5.11
De slotsom is dat de klacht tegen de bedrijfsarts op alle onderdelen kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 21 augustus 2026 door P.J. van Eekeren, voorzitter, L.W.M. Creemers, lid-jurist, R.P. van Straaten, E. Gorissen en M. Prenger, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door H.S.S. Isfour, secretaris.