ECLI:NL:TGZRAMS:2026:200 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9174

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:200
Datum uitspraak: 21-08-2026
Datum publicatie: 21-08-2026
Zaaknummer(s): A2025/9174
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen bedrijfsarts. De bedrijfsarts was de superviserend arts van de arbo-arts die betrokken was bij de verzuimbegeleiding. De klacht ziet onder meer op de verzuimbegeleiding, schending beroepsgeheim en bejegening. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond.

A2025/9174
Beslissing van 21 augustus 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 21 augustus 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: mr. M.P.K. van Bossé, werkzaam in Amsterdam,

tegen

C,
bedrijfsarts,
destijds werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de bedrijfsarts,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam in Hilversum.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1
Klaagster is sinds 2 juni 2025 ziekgemeld. Verweerder was de superviserend arts van de arbo-arts die betrokken was bij de verzuimbegeleiding van klaagster. Daarnaast waren adviseurs werkvermogen betrokken bij de verzuimbegeleiding. Verder was een andere bedrijfsarts, tevens medisch directeur van de arbodienst, in beeld bij klaagster. Klaagster verwijt verweerder dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar jegens haar heeft gehandeld op diverse gebieden.

1.2
Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1
Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-het klaagschrift d.d. 23 oktober 2025 met de bijlagen, gericht tegen C in zijn hoedanigheid van superviserend bedrijfsarts en tegen E in zijn hoedanigheid van bedrijfsarts en tevens medisch directeur van F (zaaksnummer A2025/9175), ontvangen op 28 oktober 2025;
-de aanvullende toelichting op het klaagschrift, ontvangen op 26 november 2025;
-het verweerschrift met de bijlagen 1 tot en met 4;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, dat gelijktijdig in beide voornoemde zaken is gehouden op 17 maart 2026.

2.2
Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

2.3
De voornoemde klacht tegen E zal afzonderlijk worden beoordeeld.

3.Wat is er gebeurd?

3.1
Sinds maart 2023 is klaagster werkzaam bij G als Engineering Manager II-Software.

3.2
Op 2 juni 2025 is klaagster ziekgemeld. Haar werkgever heeft voor haar verzuimbegeleiding H (hierna: de arbodienst) ingeschakeld.

3.3
Verweerder (hierna: de bedrijfsarts) verrichtte in opdracht van de arbodienst werkzaamheden als superviserend bedrijfsarts in het kader van verzuimbegeleiding. Vanaf 1 februari 2023 was de bedrijfsarts supervisor van een arbo-arts (niet in opleiding tot bedrijfsarts). Deze arbo-arts (hierna: de arbo-arts) was betrokken bij de verzuimbegeleiding van klaagster. Uit de door de bedrijfsarts overgelegde supervisieovereenkomst volgt dat sprake was van een niveau 3 als bedoeld in het NVAB Standpunt Delegatie van taken door de bedrijfsarts en supervisie (2022). Dat ‘niveau 3’ betekent dat de arbo-arts op basis van diens kennis, ervaring en bekwaamheid in staat wordt geacht grotendeels zelfstandig te functioneren. Klaagster heeft geen tuchtrechtelijke klacht ingediend tegen de arbo-arts.

3.4
Op 20 juni 2025 heeft klaagster een eerste consult gehad met I, adviseur werkvermogen.

3.5
Op 18 augustus stond een consult gepland bij de arbo-arts, waarbij klaagster om onbekende reden niet is verschenen.

3.6
Op 29 augustus 2025 vond dit consult wel plaats, waarna een probleemanalyse is opgesteld.

3.7
Op 5 oktober 2025 - zijnde daags voor een op 6 oktober 2025 geagendeerd consult van klaagster met J, adviseur werkvermogen - heeft klaagster een e-mail gestuurd naar het e-mailadres van J, bestaande uit een bericht dat in de aanhef geadresseerd is aan de bedrijfsarts. Daarin benoemt klaagster haar zorgen over de verzuimbegeleiding en re-integratie ontwikkelingen. Ook accentueert zij het belang van actualisering van de probleemanalyse gezien door haar ondergane medische onderzoeken en haar actuele medische situatie en capaciteiten. Ook geeft zij aan dat zij hierover met de bedrijfsarts wil spreken.


3.8
Op 6 oktober 2025 heeft het consult plaatsgevonden met (alleen) J. Daarbij is sprake is geweest van een escalatie. J heeft op 6 oktober 2025 een schriftelijke terugkoppeling opgesteld naar aanleiding van dit consult.

3.9
Bij e-mails van 7 en 9 oktober 2025 heeft de gemachtigde van klaagster een klacht ingediend bij de arbodienst ter attentie van de arbo-arts en de bedrijfsarts. Deze e-mails werden gestuurd naar de mailadressen K en L. De klacht heeft betrekking op de bejegening door J en de kwaliteit van de geboden verzuimbegeleiding. In de e-mail van 7 oktober 2025 wordt onder meer benoemd dat de door klaagster in haar e-mail van 5 oktober 2025 aangegeven recente medische diagnoses en persoonlijke omstandigheden alsmede door haar aangereikte handvatten voor aanpassing van de probleemanalyse niet in het gesprek van 6 oktober 2025 zijn betrokken en evenmin in de schriftelijke terugkoppeling daarvan. In de e-mail van 7 oktober 2025 verzoekt klaagster voorts om inzage in het medisch dossier. Verder geeft klaagster in die e-mail aan dat als de kwestie niet voortvarend en naar tevredenheid wordt opgelost, zij om een second opinion zal verzoeken.

3.10
Op 15 en 21 oktober 2025 heeft klaagster een brief ontvangen van de HR-afdeling van haar werkgever.

3.11
Op 15 oktober 2025 heeft E (hierna: E), bedrijfsarts en tevens medisch directeur van de arbodienst, in een e-mail aan de gemachtigde van klaagster met als kop ‘Re: Klacht & inzageverzoek namens A meegedeeld dat hij op 14 oktober 2025 met de gemachtigde heeft gesproken, dat is toegezegd om klaagster opnieuw uit te nodigen, op haar verzoek, voor eventuele bijstelling van het advies van de arbodienst op basis van nieuwe informatie, dat de uitnodiging bij de arbo-arts van 5 november naar voren is gehaald naar (het college begrijpt) 24 oktober, dat E met mw. J heeft gesproken, dat ze het verloop meenemen in de coaching, dat zij ook altijd kunnen leren, dat klaagster wordt uitgenodigd om alle medische informatie mee te nemen naar het spreekuur en dat ze hopelijk het vertrouwen kunnen herstellen.

3.12
Op 15 oktober 2025 heeft de arbodienst klaagster uitgenodigd voor een spreekuur op 24 oktober 2025 met “de stafarts/bedrijfsarts E ( …) in het kader van de verzuimbegeleiding”.

3.13
Op 28 oktober 2025 heeft het college het voornoemde klaagschrift d.d. 23 oktober 2025 van klaagster ontvangen.

4. De klacht en de reactie van de bedrijfsarts
4.1
Klaagster verwijt de bedrijfsarts:
a) tekortschieten in de verzuimbegeleiding en re-integratie;
b) schending beroepsgeheim en miskenning van het noodzakelijkheidscriterium;
c) weigering mee te werken aan een second opinion;
d) onbehoorlijke bejegening en gebrekkige communicatie;
e) geen afschrift van het medisch dossier;
f) versnipperde verzuimbegeleiding en onvoldoende toezicht daarop;
g) niet serieus nemen van de klacht van klaagster.

4.2
De bedrijfsarts heeft alle klachtonderdelen betwist en het college verzocht de klacht integraal ongegrond te verklaren.

4.3
Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1
De vraag is of de bedrijfsarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de bedrijfsarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen. Daarbij wordt rekening gehouden met de voor de bedrijfsarts geldende wettelijke bepalingen, professionele normen, richtlijnen en de stand van de wetenschap ten tijde van het verweten handelen.

5.2
De omstandigheid dat hij als superviserend bedrijfsarts bij de verzuimbegeleiding betrokken was, brengt niet mee dat iedere handeling van de arbo-arts zonder meer aan hem kan worden toegerekend. Wel rustte op hem een eigen verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige inrichting en uitvoering van de supervisie, zijn bereikbaarheid als supervisor en zijn handelen op de momenten waarop zijn betrokkenheid als bedrijfsarts was aangewezen.

5.3
Het college komt tot de conclusie dat alle klachtonderdelen falen. Per klachtonderdeel zal het college dit oordeel toelichten.

Klachtonderdeel a) tekortschieten in de verzuimbegeleiding en re-integratie
5.4
Dit verwijt ziet concreet op drie punten: i) het te laat opstellen van de probleemanalyse, ii) het niet actualiseren van de probleemanalyse en iii) het niet opstellen van een plan van aanpak.

5.5

ad i) het te laat opstellen van de probleemanalyse.
5.5.1
Voorop staat dat op grond van artikel 2 lid 2 van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar de werkgever binnen zes weken na de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid een oordeel van de bedrijfsarts over het desbetreffende ziektegeval verlangt. Deze termijn is een richttermijn. In de bedrijfsgeneeskundige praktijk kan hiervan worden afgeweken wanneer de specifieke omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, of wanneer de vertraging niet aan de bedrijfsarts is toe te rekenen (ECLI:NL:TGZCTG:2024:40).


5.5.2 Het college stelt vast dat de arbo-arts de probleemanalyse heeft opgesteld meteen na haar eerste spreekuur met klaagster op 29 augustus 2025. Dat is tien weken na het eerste verzuimconsult op 2 juni 2025, zodat voornoemde zes weken termijn met ruim tien weken is overschreden. Daarvan zijn twee weken te wijten aan een no show van klaagster op het spreekuur van de arbo-arts van 18 augustus 2025. Gezien de inschatting die de arbo-arts in deze beginfase van arbeidsongeschiktheid redelijkerwijs mocht maken ten aanzien van de aard en duur van het verzuim en gegeven de afwijkingsruimte die voornoemde regeling biedt, is het college van oordeel dat de arbo-arts deze overschrijding tuchtrechtelijk niet kan worden verweten. Evenmin kan de bedrijfsarts tuchtrechtelijk worden verweten dat hij in het kader van zijn toezichthoudende taak niet heeft aangestuurd op een eerdere probleemanalyse.

5.6
ad ii) het niet actualiseren van de probleemanalyse.

5.6.1
Voorop staat dat de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar niet voorziet in een uitdrukkelijke verplichting voor de bedrijfsarts om de probleemanalyse op een bepaald moment te actualiseren. Dit kan evenwel aangewezen zijn wanneer de medische situatie van de werknemer of de overige omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat het eerder geformuleerde oordeel niet langer als adequaat kan worden beschouwd.

5.6.2
Het college stelt vast dat klaagster in haar e-mails van 5 en 7 oktober 2025 onder meer heeft verzocht om een actualisering van de probleemanalyse gezien door haar ondergane medische onderzoeken en haar actuele medische situatie en capaciteiten. Beide e-mails zijn weliswaar in de aanhef geadresseerd aan de bedrijfsarts, maar de e-mail van 5 oktober 2025 is verstuurd naar het e-mailadres van J en die van 7 oktober 2025 naar mailadressen van de arbodienst.

5.6.3
De bedrijfsarts voert aan dat de e-mail van 5 oktober 2025 aan hem is gericht en weliswaar in het dossier is gezet maar niet aan hem is doorgezonden en dat hij hierover destijds ook overigens niet is geïnformeerd en de arbo-arts evenmin. De bedrijfsarts voert ten aanzien van de e-mail van 7 oktober 2025 aan dat ook deze e-mail, hoewel gericht aan de arbo-arts en aan hem, niet aan hen is doorgestuurd dat hij en de arbo-arts hierover pas voor het eerst op 15 oktober 2025 zijn geïnformeerd door E, die daags ervoor met de gemachtigde van klaagster had gesproken over de door klaagster in haar e-mails van 7 en 9 oktober 2025 verwoorde klacht en die inmiddels de hiervoor in ovw. 3.11 en 3.12 omschreven follow-up had gedaan.

5.6.4
Klaagster heeft tegen dit standpunt van de bedrijfsarts geen nader onderbouwd standpunt ingenomen. Het college kan bij deze stand van zaken niet vaststellen dat de bedrijfsarts dan wel de onder zijn supervisie staande arbo-arts - eerder dan op 15 oktober 2025 - op de hoogte was van de e-mails van klaagster van 5 en 7 oktober 2025. Naar het oordeel van het college mochten de arbo-arts en de bedrijfsarts op basis van de berichtgeving terzake door E aan hen op 15 oktober 2025 en diens follow up redelijkerwijs erop vertrouwen dat de klacht op dit punt adequaat zou worden opgepakt door E.


5.6.5 Het college kan onder de vastgestelde omstandigheden en met inachtneming van het toetsingskader niet tot het oordeel komen dat de arbo-arts van de bedrijfsarts dan wel de bedrijfsarts als supervisor tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld door naar aanleiding van de berichtgeving van klaagster niet over te gaan tot (het initiëren van nader onderzoek ten behoeve van mogelijke) actualisering van de probleemanalyse.

5.7
ad iii) het niet opstellen van een plan van aanpak.

5.7.1
Op grond van artikel 4 lid 1 van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar stelt de werkgever in overeenstemming met de werknemer een plan van aanpak op, indien uit het oordeel van de bedrijfsarts blijkt dat er mogelijkheden zijn om de terugkeer naar arbeid te bevorderen. Het opstellen van het plan van aanpak is dus een verantwoordelijkheid van de werkgever en de werknemer gezamenlijk, niet van de bedrijfsarts. De rol van de bedrijfsarts is in dit verband beperkt tot het opstellen van de probleemanalyse en het desgevraagd adviseren over bijstelling van het plan van aanpak.

5.7.2 Het college stelt vast dat de arbo-arts met het opstellen van de probleemanalyse de basis heeft gelegd voor het plan van aanpak. Het daadwerkelijk opstellen van het plan van aanpak behoorde niet tot haar taak. Het college is van oordeel, mede gelet op het hiervoor overwogene in 5.6, dat de bedrijfsarts hier geen tuchtrechtelijk verwijt treft.

5.8
Het college concludeert dat klachtonderdeel a) integraal faalt.

Klachtonderdeel b) schending beroepsgeheim en miskenning noodzakelijkheidscriterium
5.9
Klaagster klaagt concreet dat de brieven van de HR-afdeling van haar werkgever aan haar van 15 en 21 oktober 2025 letterlijk verwijzen naar uitlatingen die klaagster heeft gedaan aan J en naar het inschakelen door klaagster van een gemachtigde vanwege de handelwijze en bejegening door de arbodienst, waarnaar klaagster ook heeft verwezen in haar klachtbrieven van 7 en 9 oktober 2025. Daaruit leidt zij af dat deze vertrouwelijke informatie door de bedrijfsarts of onder toezicht van de bedrijfsarts is gedeeld met haar werkgever zonder haar toestemming en in strijd met het noodzakelijkheidscriterium als bedoeld in de Leidraad Bedrijfsarts en Privacy (NVAB, 2011).

5.10
De bedrijfsarts voert ook hier zijn in 5.6.3 weergegeven standpunt op en betwist dat hij of de arbo-arts die onder zijn supervisie werkzaam was, de door klaagster bedoelde vertrouwelijke informatie heeft gedeeld met de werkgever van klaagster. Voor zover klaagster beoogt te stellen dat J de door klaagster bedoelde informatie heeft gedeeld met de werkgever, voert de bedrijfsarts – met verwijzing naar een door hem als productie 2 overgelegde taakdelegatie overeenkomst – aan dat alle adviseurs werkvermogen van de arbodienst vallen onder de taakdelegatie van E, zodat J als zijnde adviseur werkvermogen niet onder de verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts viel.


5.11
Klaagster heeft hiertegen geen nader onderbouwd standpunt ingenomen. Het college kan bij deze stand van zaken niet vaststellen of de gestelde grondslag van dit verwijt feitelijk juist is en komt daarom tot het oordeel dat klachtonderdeel b) niet kan slagen.

Klachtonderdeel c) weigering medewerking aan second opinion
5.12
Het college stelt vast dat klaagster in haar e-mail van 7 oktober 2025 heeft aangegeven dat om een second opinion zal worden verzocht indien de kwestie niet voortvarend en naar haar tevredenheid wordt opgelost. Deze mededeling betreft een voorwaardelijk voornemen en niet een concreet verzoek om een second opinion. Dat klaagster de mogelijkheid van een second opinion zelf benoemt, duidt er bovendien op dat zij van het bestaan daarvan op de hoogte was. Van een weigering om mee te werken aan een second opinion is ook overigens niet uit de stukken gebleken. Uit het dossier volgt ook dat op verzoek van klaagster een second opinion in gang is gezet. Voor zover klaagster zich beklaagt dat zij niet schriftelijk is voorgelicht over de mogelijkheid van een second opinion, heeft zij daarbij dus geen belang. Reeds op grond van het voorgaande feitelijke verloop kan klachtonderdeel c) niet slagen.

Klachtonderdeel d) onbehoorlijke bejegening en gebrekkige communicatie
5.13
Klaagster stelt concreet dat het gesprek op 6 oktober 2025 met J onaangenaam is verlopen, dat daarin niet is ingegaan op de e-mail van klaagster van 5 oktober 2025, dat haar woorden in de mond zijn gelegd en dat zij onheus is bejegend. In de schriftelijke terugkoppeling van dit gesprek wordt niet verwezen naar de e-mail van klaagster van 5 oktober 2025, laat staan dat blijk wordt gegeven van reflectie door met name de bedrijfsarts daarop, terwijl daartoe wel aanleiding bestond gezien haar actuele medische en persoonlijke situatie en recente diagnoses en behandeling. Op grond daarvan had de bedrijfsarts overleg moeten voeren met de haar behandelend specialisten althans nadere informatie moeten inwinnen bij klaagster of haar huisarts, aldus steeds klaagster.

5.14
De bedrijfsarts voert ook hier zijn in ovw. 5.6.3 en 5.10 weergegeven standpunt op. Zijn onwetendheid destijds van de e-mail van 5 oktober 2025 brengt mee dat hij niet in staat was om – conform het verzoek van klaagster – zelf contact met haar op te nemen. De verweten handelwijze van J als zijnde adviseur werkvermogen ten tijde van het consult van 6 oktober 2025 viel niet onder zijn superviserende verantwoordelijkheid, aldus steeds de bedrijfsarts.

5.15
Klaagster heeft hiertegen geen nader onderbouwd standpunt ingenomen. Het college kan bij deze stand van zaken de feitelijke grondslag van de aan de bedrijfsarts gerichte verwijten niet vaststellen. Gelet hierop en ook hier rekening houdend met het overwogene in ovw. 5.6.4, is het college van oordeel dat klachtonderdeel d) faalt.

Klachtonderdeel e) geen afschrift medisch dossier
5.16
Het college stelt vast dat klaagster in haar aan de bedrijfsarts en de arbo-arts gerichte klacht-mail van 7 oktober 2025 onder meer om inzage in haar medisch dossier heeft verzocht. Vaststaat dat E naar aanleiding van deze klachtbrief en die van 9 oktober 2025 in gesprek is gegaan met (de gemachtigde van) klaagster in het kader van de behandeling van haar klacht. Het lag op dat moment in de rede dat het verzoek om inzage in die context zou worden afgehandeld. Dat de klachtafhandeling — en daarmee de verstrekking van het afschrift — niet de voortvarendheid heeft gehad die klaagster wenste, kan, wat daar verder van zij, de bedrijfsarts onder deze omstandigheden niet tuchtrechtelijk worden verweten. Niet is gebleken dat de bedrijfsarts het verzoek heeft genegeerd of geweigerd. Klachtonderdeel e) kan dan ook niet slagen.

Klachtonderdeel f) versnipperde verzuimbegeleiding en onvoldoende toezicht daarop
5.17
Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat haar verzuimbegeleiding versnipperd was en dat er onvoldoende toezicht is geweest. Zij stelt dat zij geen rechtstreeks consult heeft gehad met de bedrijfsarts, dat alle contacten steeds met een andere persoon plaatsvonden en dat geen van de betrokken personen duidelijk heeft gemaakt wie de leiding had of verantwoordelijk was voor de voortgang. Volgens klaagster is dit in strijd met het Standpunt Delegatie van taken door de bedrijfsarts en supervisie (NVAB, 2022).

5.18
Het college overweegt dat het delegeren van taken aan een arbo-arts die onder supervisie van een bedrijfsarts werkzaam is, in de bedrijfsgeneeskundige praktijk gebruikelijk is en op zichzelf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Bij taakdelegatie blijft de bedrijfsarts eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van de zorg, maar dit brengt niet mee dat hij bij ieder consult persoonlijk aanwezig dient te zijn. Voldoende is dat de bedrijfsarts op de hoogte is van het verloop van de begeleiding, dat de gedelegeerde taken worden verricht door een persoon met een toereikend bekwaamheidsniveau en dat de bedrijfsarts bereikbaar is voor overleg.

5.19
Het college stelt vast dat bij klaagster kenbaar was dat de bedrijfsarts de superviserend arts was van de arbo-arts. Dit blijkt uit de ondertekening van de probleemanalyse naar aanleiding van het consult op 29 oktober 2025, uit het feit dat klaagster haar e-mail van 5 oktober 2025 heeft geadresseerd aan de bedrijfsarts, en uit de klachtbrief van 7 oktober 2025 die gericht is aan zowel de arbo-arts als de bedrijfsarts. Van onduidelijkheid over de verantwoordelijkheidsverdeling in die zin is het college dan ook niet gebleken.

5.20
De bedrijfsarts heeft onweersproken gesteld dat de arbo-arts over een toereikend bekwaamheidsniveau beschikte om de consulten zelfstandig uit te voeren en de probleemanalyse op te stellen, wat ook volgt uit de supervisieovereenkomst met de arbo-arts, waarin niveau 3 staat vermeld. Dat de bedrijfsarts niet zelf het spreekuur heeft verricht, is bij supervisie de gebruikelijke gang van zaken en levert op zichzelf geen tuchtrechtelijk verwijt op. Onder de gegeven omstandigheden en gezien het hiervoor ten aanzien van de andere klachtonderdelen overwogene, kan het college niet tot het oordeel komen dat de bedrijfsarts terzake een tuchtrechtelijk verwijt treft.


5.21
De door klaagster ervaren versnipperdheid van de verzuimbegeleiding zonder overkoepelend toezicht kan, wat daar verder van zij, in de gegeven omstandigheden niet leiden tot het oordeel dat de bedrijfsarts tuchtrechtelijk is tekortgeschoten in zijn supervisietaak dan wel dat hij anderszins op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel f) faalt.

Klachtonderdeel g) niet serieus nemen van de klacht van klaagster
5.22
Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat haar klacht niet serieus is genomen en dat zij geen schriftelijke reactie heeft ontvangen.

5.23
Voorop staat dat op grond van artikel 14 lid 2 onder h van de Arbeidsomstandighedenwet de bedrijfsarts een adequate klachtenprocedure dient te hebben. Dit brengt mee dat klachten van werknemers op zorgvuldige wijze moeten worden behandeld, maar niet dat de bedrijfsarts tegen wie de klacht is gericht, de klachtbehandeling persoonlijk dient uit te voeren. Het is juist gebruikelijk en wenselijk dat klachtbehandeling wordt verricht door een onafhankelijke derde.

5.24
Vaststaat dat de bedrijfsarts op 15 oktober 2025 door E op de hoogte is gesteld van de klacht van klaagster en dat op dat moment reeds afspraken met (de gemachtigde van) klaagster waren gemaakt door E, die de klachtbehandeling op zich nam. Voor de wijze waarop de klachtbehandeling is verlopen, draagt de bedrijfsarts dan ook geen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. Dat de bedrijfsarts zelf niet schriftelijk op de klacht heeft gereageerd, doet daar in dit geval niet aan af. Ook klachtonderdeel g) faalt.

Slotsom
5.25
De slotsom is dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 21 augustus 2026 door P.J. van Eekeren, voorzitter, R.P. van Straaten en E. Gorissen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door H.S.S. Isfour, secretaris.