ECLI:NL:TGZRAMS:2026:196 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9459
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:196 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-08-2026 |
| Datum publicatie: | 04-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9459 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | (Gedeeltelijk) kennelijk ongegronde klacht tegen een specialist ouderengeneeskunde. Klager klaagt namens zijn vader, die op basis van een rechterlijke machtiging (RM) op een gesloten afdeling verblijft. De arts heeft voor de verlening van die RM een medische verklaring afgegeven. Klager vindt dat die verklaring niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de arts alleen heeft geluisterd naar de bewindvoerder van zijn vader, terwijl klager meent dat hijzelf als zoon de primaire gesprekspartner was. Het college oordeelt dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld bij het afgeven van de medische verklaring. Ook merkt het college op dat de vader een mentor heeft (geen bewindvoerder) die de officiële gesprekspartner voor persoonlijke zaken rond de vader was. |
A2025/9459
Beslissing van 4 augustus 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 4 augustus 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
specialist ouderengeneeskunde,
destijds werkzaam in D
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. L. Bartelsman, werkzaam te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 De vader van klager verblijft op basis van een rechterlijke machtiging op een
gesloten afdeling in het E. De arts heeft voor de verlenging van de rechterlijke machtiging
een medische verklaring afgegeven over de vader van klager. Klager meent dat de medische
verklaring niet op zorgvuldige wijze tot stand gekomen is onder meer omdat is uitgegaan
van een onjuiste diagnose en omdat zijn rol en positie in het rapport zonder zijn
toestemming en op onjuiste wijze worden genoemd. Daarnaast heeft klager aangevoerd
dat de arts alleen geluisterd heeft naar de bewindvoerder van zijn vader, terwijl
hijzelf de primaire gesprekpartner was. Ook heeft klager opmerkingen gemaakt over
een aantal andere omstandigheden in het verzorgingshuis waar zijn vader verblijft.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat een deel van de klachten kennelijk niet-ontvankelijk is, en dat de klachten voor het overige kennelijk ongegrond zijn.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 19 december 2025;
- het verweerschrift met de bijlage;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 6 mei 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 De vader van klager is met een rechterlijke machtiging opgenomen op een gesloten
afdeling in het E in D, een onderdeel van F. Sinds 29 juli 2024 heeft de vader van
klager een bewindvoerder, die vanaf 24 april 2025 is benoemd tot mentor van klagers
vader.
3.2 De arts, die werkzaam is in een andere vestiging van F en klagers vader niet persoonlijk kent, is gevraagd om een medische verklaring op te stellen met het oog op de verlenging van de rechterlijke machtiging. Bij het opstellen van de verklaring heeft de arts kennis genomen van het medisch dossier en heeft zij gesproken met de specialist ouderengeneeskunde die klagers vader behandelt, met het zorgteam en met klagers vader. Daarnaast heeft zij telefonisch contact met klager gehad.
3.3 De medische verklaring is door de arts afgegeven op 7 maart 2025. In de medische
verklaring is bij de vraag “zijn er gedragingen of uitingen die wijzen op verzet tegen
opname of voortzetting verblijf?” door de arts vermeld: “ja, bij zoon (het college
begrijpt: klager)”. Bij de toelichting hierop is door de arts vermeld dat de zoon
zich verzet tegen het verblijf van zijn vader in het verpleeghuis en dat hij ontkent
dat zijn vader dementie heeft, meent dat zijn vader gemanipuleerd wordt, dat hij onder
dwang wordt behandeld en dat hij manisch gemaakt wordt door de zorg en de arts. Tevens
is door de arts vermeld “Uit eigen anamnese, info G (het college begrijpt: de specialist
ouderengeneeskunde), curator H en CIZ blijkt dat client zelf geen verzet toont tegen
voortzetting van zijn verblijf” en “(…) Dhr. geeft bij navraag aan dat hij het fijn
vindt om hier te wonen.” en “Curator is het eens met de opname/verblijf/zorg/behandeling
van dhr. in het verpleeghuis”
Verder is in de medische verklaring als diagnose opgenomen dat klagers vader lijdt
aan een psychogeriatrische aandoening met een schizo-affectieve stoornis bipolaire
type, een licht verstandelijke beperking, mogelijk de ziekte van Parkinson en een
situatie na een herseninfarct. Op de vraag in de medische verklaring of voorzetting
van het verblijf noodzakelijk is, heeft de arts ingevuld “ja, omdat dhr. 24 uurs zorg,
structuur met prikkelarme omgeving, toezicht, passende benadering, psychofarmaca en
een multidisciplinair zorg- en behandelteam nodig heeft met expertise in zijn problematiek”.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klager verwijt de arts dat er sprake is van:
a) Feitelijke misdiagnostiek
b) Het negeren van medicatie toxicatie
c) Schending van de Wet Zorg en Dwang
d) Onzorgvuldige totstandkoming van de medische verklaring
4.2 De arts heeft het college verzocht klager bij de klachtonderdelen a en b niet-ontvankelijk te verklaren en de klachten voor het overige ongegrond te verklaren.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid klachtonderdelen a) medische diagnose, b) medicatietoediening en
c) schending Wet Zorg en Dwang
5.1 Het college komt tot het oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is ten
aanzien van de klachtonderdelen a en b en gedeeltelijk ook kennelijk niet-ontvankelijk
ten aanzien van klachtonderdeel c. Klager klaagt er in de eerste twee punten over
dat de diagnose die is gesteld bij zijn vader onjuist zou zijn, en dat niet zou zijn
onderkend dat zijn vader door (verkeerde) medicatie vergiftigd is. Bij zijn klachtonderdeel
over de schending van de Wet Zorg en Dwang heeft klager onder meer aangevoerd dat
er fouten worden gemaakt bij de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding
van zijn vader.
5.2 Het college komt niet toe aan een beoordeling van deze klachtonderdelen. Los van de vraag of deze klachten kloppen, gaat het hier om kwesties die niet klager zelf, maar zijn vader betreffen. Klager klaagt in deze zaak echter voor zichzelf. Daarnaast is de arts niet verantwoordelijk voor deze door klager genoemde zaken. Zij werkt niet op de afdeling waar klagers vader verblijft en ze heeft uitsluitend de medische verklaring opgesteld.
5.3 Het college zal de klachtonderdelen a) en b) daarom niet verder inhoudelijk bespreken en beslissen dat klager niet-ontvankelijk is. Klager is ook niet ontvankelijk in klachtonderdeel c) voor zover hierboven genoemd. Wat klager daarnaast nog heeft aangevoerd onder klachtonderdeel c) wordt hierna inhoudelijk besproken.
Overige klachtonderdelen, criteria voor de beoordeling
5.4 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.5 Het college stelt in de eerste plaats vast dat tussen klager en de arts geen behandelrelatie bestaat, zodat niet aan de eerste maar aan de tweede tuchtnorm van artikel 47 lid 1 sub a en b Wet BIG zal worden getoetst, dus of sprake is van handelen of nalaten dat in strijd is met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg en dat (in voldoende mate) zijn weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg.
5.6 Het college oordeelt dat de arts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel c) schending van de Wet Zorg en Dwang voor zover hiervoor niet genoemd
5.7 Naast wat hiervoor onder 5.1 is opgemerkt over klachtonderdeel c, heeft klager
aangevoerd dat hij bij de totstandkoming van de medische verklaring is uitgesloten,
doordat hij over de (conclusie in de) medische verklaring niet is geïnformeerd en
daarvoor geen toestemming heeft gegeven. Klager is het er mee oneens dat hij geen
kans kreeg om samen met zijn vader met de arts te spreken en hij vindt dat er alleen
geluisterd wordt naar de bewindvoerder, terwijl hij, klager, de officiële gesprekspartner
zou zijn.
5.8 Wat dit laatste betreft merkt het college op dat de vader van klager geen bewindvoerder
heeft, zoals klager stelt, maar een mentor. Die mentor is diegene die de beslissingen
neemt over het welzijn en de persoonlijke zaken van klagers vader. Ondanks dat klager
de zoon is, is de mentor dus de officiële gesprekspartner voor dit soort zaken, en
klager niet. Dit betekent dat toestemming van klager voor het afgeven van de medische
verklaring alleen om die reden al niet aan de orde is.
5.9 Bovendien is klager door de arts wel geïnformeerd. Hoewel dit niet vereist was, heeft de arts contact gezocht met klager toen zij de verklaring opstelde. De arts heeft verklaard dat er geen aanleiding was om klager samen met zijn vader te horen omdat dit ten opzichte van het telefoongesprek geen nieuwe inzichten zou geven, omdat de verklaring op tijd af moest zijn en omdat zij van het zorgteam gehoord had dat klager niet langs mocht komen bij zijn vader wegens diens manische ontregeling. Het college is van oordeel dat de arts hiermee een begrijpelijke afweging heeft gemaakt.
5.10 De klacht is op dit vlak kennelijk ongegrond. Klachtonderdeel d) Onzorgvuldige totstandkoming van de medische verklaring
5.11 Klager vindt dat hij in de medische verklaring op een onjuiste manier wordt omschreven. Hij zegt dat hij meerdere keren op een negatieve manier in de medische verklaring wordt genoemd en dat de arts hem in de medische verklaring de schuld geeft van de situatie rondom zijn vader. De arts heeft bij klagers vader een psychogeriatrische aandoening vastgesteld, die zij in de medische verklaring nader heeft omschreven. De arts komt tot de conclusie dat klagers vader door zijn ziektebeeld 24-uurs zorg nodig heeft in een prikkelarme omgeving met passende benadering, goede medicatie en een deskundig multidisciplinair team.
5.12 Het college is van oordeel dat de arts haar visie op een professionele manier heeft gevormd. Namelijk door dossieronderzoek, gesprekken met het verzorgend team, met de specialist ouderengeneeskunde, met klagers vader en met klager zelf, en dat zij haar conclusies op een goede en deskundige wijze heeft verwoord. Klager is het met de diagnose helemaal niet eens en hij vindt dat zijn vader niet in de instelling zou moeten verblijven. Daarom is het voor het college begrijpelijk dat de arts in de medische verklaring de conclusie trekt dat het verblijf van klagers vader op de gesloten afdeling met een rechterlijke machtiging moet worden voortgezet, omdat het gevaarlijk kan zijn als klager zijn vader zomaar van de afdeling mee kan nemen. Het college vindt de wijze waarop de arts het verschil van inzicht in de verklaring heeft benoemd realistisch en de manier waarop klager wordt omschreven is niet onjuist. Over klager wordt niet onnodig negatief gesproken en ook niet op een manier alsof hij de schuld krijgt van alle problemen, wel is duidelijk vermeld dat de maatregel nodig is omdat klager zo’n afwijkend beeld heeft van de problemen van zijn vader. Het college is van oordeel dat de arts dit op een zorgvuldige wijze heeft verwoord en dat zij jegens klager niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.13 De klacht is ook op dit vlak kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk niet ontvankelijk
is op de onderdelen a), b) en -gedeeltelijk- c), en dat de klacht op de overige onderdelen
kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klager kennelijk niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel
a), b) en -gedeeltelijk - c) en
- verklaart de klacht voor het overige kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 4 augustus 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
J. van Ameijde en A.J.J.M. Keijzer-van Laarhoven, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door S. Verdaasdonk, secretaris.