ECLI:NL:TGZRAMS:2026:194 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9596
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:194 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-08-2026 |
| Datum publicatie: | 04-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2026/9596 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een radioloog. Bij klaagster is een tumor in de hals ontdekt. Klaagster heeft zich bij dit college en bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg op het standpunt gesteld dat de MRI-scans door verschillende radiologen op verschillende momenten niet juist zijn beoordeeld, waardoor er niet is gezien dat de tumor was gegroeid. Het college is met de radioloog van oordeel dat het openen van het dossier nog niet betekent dat de in 2016 gemaakte scan ook daadwerkelijk door haar is beoordeeld. Voor het college is leidend dat uit het medisch dossier blijkt dat de radioloog niet de verslaglegging heeft gedaan van de beoordeling van deze MRI-scan en ook niet als medebeoordelaar wordt genoemd in de verslagen. Zodoende concludeert het college dat de radioloog geen betrokkenheid heeft gehad bij de (uiteindelijke) beoordeling van de scan in 2016. |
A2026/9596
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 4 augustus 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B, klaagster,
tegen
C,
radioloog,
werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de radioloog,
gemachtigde: mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Bij klaagster is begin 2014 een tumor in de hals ontdekt. Klaagster heeft
tegen verschillende
radiologen klachten ingediend over het beoordelen van MRI-scans van haar hals in
de jaren 2014,
2016 en 2018. In één van deze procedures zijn door een radioloog (bekend onder zaaknummer
A2026/9595, niet zijnde verweerster) loggegevens van het medisch dossier van klaagster
in het
geding gebracht. Klaagster stelt zich op het standpunt dat de radioloog (verweerster)
op twee
momenten heeft gelogd in het dossier en verwijt haar – samengevat – dat zij de groei
van de tumor
in 2016 en 2018 niet goed heeft beoordeeld. De radioloog ontkent dat uit de loggegevens
blijkt dat
zij in 2018 heeft gelogd en stelt zich ten aanzien van 2016 op het standpunt dat
deze log niet
betekent dat zij de scans heeft bekeken of betrokken is geweest bij de beoordeling
van de MRI-scan.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan partijen te stellen en dat duidelijk is
dat de klacht niet
gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure
is verlopen.
Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 14 januari 2026;
- het verweerschrift.
2.2 Partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college
in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
heeft beoordeeld op basis van de stukken, zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Bij klaagster is begin 2014 een tumor in de hals ontdekt. Gedacht werd aan een
schwannoom,
een zeldzame goedaardige tumor die groeit vanuit een zenuw buiten het ruggenmerg,
een perifere
zenuw. Tot en met 2016 werd jaarlijks en daarna elke twee jaar een MRI-scan gemaakt
van de hals van
klaagster. Tot 2020 is geconcludeerd dat geen sprake was van groei. In maart 2020
bleek dat de
tumor (wel) was gegroeid. In april 2020 is eerst een poging tot embolisatie van
de tumor gedaan. In
mei 2020 vond een tweede operatie plaats, waarbij de tumor is verwijderd en verschillende
wervels
van klaagster zijn gefixeerd.
3.2 Klaagster heeft zich bij dit college en bij het Centraal Tuchtcollege voor de
Gezondheidszorg
(CTG) op het standpunt gesteld dat de MRI-scans door verschillende radiologen op
verschillende
momenten niet juist zijn beoordeeld, waardoor er niet is gezien dat de tumor was
gegroeid. Op 17
april 2024 oordeelde het CTG dat een collega van de radioloog de MRI-scan in 2018
op belangrijke
onderdelen niet correct heeft beoordeeld (C2023/1814). De betreffende radioloog
kreeg daarvoor een
waarschuwing opgelegd.
3.3 In een gelijktijdig door klaagster aanhangig gemaakte procedure (C2023/1813)
tegen een andere
radioloog (verweerder inzake A2026/9595) zijn door die radioloog loggegevens van
het medisch
dossier van klaagster in het geding gebracht. Klaagster heeft uit die loggegevens
afgeleid dat
verweerster ook betrokken is geweest bij de beoordeling van de in 2016 en 2018 gemaakte
MRI’s.
4. De klacht en de reactie van de radioloog
4.1 Klaagster verwijt de radioloog dat zij in 2016 en in 2018 de MRI-beelden van
klaagster heeft
geopend en niet juist heeft beoordeeld.
4.2 De radioloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1. De vraag is of de radioloog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende radioloog. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de radioloog geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2. Het college benoemt daarnaast dat bij uiteenlopende standpunten over een gebeurtenis
het
college uitgaat van hetgeen in het medisch dossier is genoteerd, tenzij er aanwijzingen
zijn dat
wat in het dossier staat niet juist is.
De beoordeling
5.3. Het college oordeelt dat de radioloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld en
overweegt daartoe als volgt. Uit de loggegevens volgt dat de radioloog op 7 juni
2016 in het
dossier van klaagster heeft gekeken. Ten aanzien van de vermeende loggegevens in
2018 komt het
college met de radioloog tot de conclusie dat er voor dit jaar geen loggegevens
van de radioloog in
het dossier van klaagster zijn te achterhalen. Loggegevens in 2018 zijn door klaagster
in de
bijlage van haar klaagschrift ook niet gearceerd, zoals zij dat bij andere loggegevens
wel heeft
gedaan.
5.4. Aan het college ligt voorts de vraag voor hoe de loggegevens van 2016 moeten
worden geduid.
Naar het oordeel van het college is door de radioloog op inzichtelijke wijze toegelicht
hoe de
loggegevens kunnen zijn ontstaan. Het college heeft begrepen dat daar meerdere redenen
aan ten
grondslag kunnen liggen, zoals het automatisch doorklikken in het systeem of wanneer
een collega
vraagt om kort mee te kijken naar een specifiek aspect van een onderzoek. Het college
is met de
radioloog van oordeel dat het openen van het dossier nog niet betekent dat de in
2016 gemaakte scan
ook daadwerkelijk door haar is beoordeeld.
5.5. Het dossier biedt verder geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de radioloog
de MRI-scan
in 2016 heeft beoordeeld. Voor het college is leidend dat uit het medisch dossier
blijkt dat de
radioloog niet de verslaglegging heeft gedaan van de beoordeling van deze MRI-scan
en ook niet als
medebeoordelaar wordt genoemd in de verslagen. Zodoende concludeert het college
dat de radioloog
geen betrokkenheid heeft gehad bij de (uiteindelijke) beoordeling van de scan in
2016.
5.6. Gelet op de hiervoor genoemde conclusies heeft de radioloog geen betrokkenheid
gehad bij de
beoordelingen van de MRI-beelden in 2016 en 2018. Daarom kan de radioloog geen tuchtrechtelijk
verwijt worden gemaakt over de inhoud van die beoordelingen en oordeelt het college
dat de klacht
kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 4 augustus 2026 door A.J. Scheijde, voorzitter, M.A.J.
Meier
en A.S. Fortuin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris.