ECLI:NL:TGZRAMS:2026:193 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9595
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:193 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-08-2026 |
| Datum publicatie: | 04-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2026/9595 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een radioloog. Bij klaagster is een tumor in de hals ontdekt. Klaagster heeft zich bij dit college en bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg op het standpunt gesteld dat de MRI-scans door verschillende radiologen op verschillende momenten niet juist zijn beoordeeld, waardoor er niet is gezien dat de tumor was gegroeid. Het college is met de radioloog van oordeel dat het openen van het dossier in 2018 nog niet betekent dat de toen gemaakte scan daadwerkelijk door hem is beoordeeld. Voor het college is leidend dat uit het medisch dossier blijkt dat de radioloog niet de verslaglegging heeft gedaan van de beoordeling van deze MRI-scan en ook niet als medebeoordelaar wordt genoemd in de verslagen. Zodoende concludeert het college dat de radioloog geen betrokkenheid heeft gehad bij de (uiteindelijke) beoordeling van de scan in 2018. |
A2026/9595
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 4 augustus 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
radioloog,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de radioloog,
gemachtigde: mr. A.C.I.J. Hiddinga, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Bij klaagster is begin 2014 een tumor in de hals ontdekt. Klaagster heeft tegen
verschillende radiologen klachten ingediend over de beoordeling van MRI-scans van
haar hals in de jaren 2014, 2016 en 2018. Bij die beoordelingen zou, kort samengevat,
zijn gemist dat de tumor was gegroeid. In een eerder tegen de radioloog gevoerde tuchtrechtelijke
procedure (A2022/4206), die zag op een door hem gemaakte beoordeling van de in 2016
gemaakte MRI-scan, zijn door de radioloog loggegevens van het medisch dossier van
klaagster in het geding gebracht. Klaagster stelt zich op het standpunt dat uit die
gegevens blijkt dat de radioloog (verweerder) ook in 2018 in haar dossier heeft gelogd
en verwijt hem nu – samengevat – dat hij de groei van de tumor (ook) in 2018 niet
goed heeft beoordeeld. De radioloog stelt zich ten aanzien van de beoordeling van
de MRI-scan van 2018 op het standpunt dat hij daarbij niet betrokken is geweest.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 14 januari 2026;
- het verweerschrift.
2.2 Partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1. Bij klaagster is begin 2014 een tumor in de hals ontdekt. Gedacht werd aan
een schwannoom, een zeldzame goedaardige tumor die groeit vanuit een zenuw buiten
het ruggenmerg, een perifere zenuw. Tot en met 2016 werd jaarlijks en daarna elke
twee jaar een MRI-scan gemaakt van de hals van klaagster. Tot 2020 is geconcludeerd
dat geen sprake was van groei. In maart 2020 bleek dat de tumor (wel) was gegroeid.
In april 2020 is eerst een poging tot embolisatie van de tumor gedaan. In mei 2020
vond een tweede operatie plaats, waarbij de tumor is verwijderd en verschillende wervels
van klaagster zijn gefixeerd.
3.2. Klaagster heeft zich bij dit college en bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) op het standpunt gesteld dat de MRI-scans door verschillende radiologen op verschillende momenten niet juist zijn beoordeeld, waardoor er niet is gezien dat de tumor was gegroeid. Klaagster heeft in 2024 een klacht (A2022/4206) ingediend tegen de radioloog (verweerder) aangaande het beoordelen van de scan in 2016. De klacht hield, kort samengevat, in dat de radioloog die MRI-scan onjuist heeft geïnterpreteerd, dat hij de groei van de tumor niet heeft opgemerkt, dat hij de neuroloog van onjuiste informatie heeft voorzien en dat haar neurologische toestand door het hierdoor opgetreden delay erg achteruit was gegaan. Deze klacht is bij dit college en het CTG (C2023/1813) in al haar onderdelen ongegrond verklaard.
3.3. Klaagster had in de hiervoor genoemde procedure tegen de radioloog uit de, door de radioloog in het geding gebrachte, loggegevens van haar medisch dossier afgeleid dat de radioloog ook betrokken is geweest bij de beoordeling van de in 2018 gemaakte MRI. Zij heeft zich in de beroepsprocedure bij het CTG daarom (anders dan in eerste aanleg) ook beklaagd over de door de radioloog gemaakte beoordeling van die MRI uit 2018. Het CTG heeft toen geoordeeld dat dit een nieuwe klacht betrof, die niet in het beroep kon worden betrokken, omdat deze nog niet in eerste aanleg was beoordeeld. Het CTG heeft klaagster voor dat deel van haar klacht daarom niet-ontvankelijk verklaard.
3.4. Op 17 april 2024 oordeelde het CTG dat een collega radioloog (C2023/1814) de
MRI-scan in 2018 op belangrijke onderdelen niet correct heeft beoordeeld. De betreffende
radioloog kreeg daarvoor een waarschuwing opgelegd.
3.5. Klaagster is in januari 2026 onderhavige procedure gestart om het handelen
van de radioloog in 2018 (alsnog) tuchtrechtelijk beoordeeld te krijgen. Uit de loggegevens
volgt dat de radioloog in het dossier van klaagster heeft gekeken op 6 juni 2016 en
2 augustus 2018.
4. De klacht en de reactie van de radioloog
4.1. Klaagster verwijt de radioloog dat hij (ook) in 2018 de MRI-beelden van klaagster
heeft geopend en vervolgens niet juist heeft beoordeeld; hij heeft de groei van de
tumor toen gemist.
4.2. De radioloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3. Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1. De vraag is of de radioloog de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende radioloog.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de radioloog geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2. Het college benoemt daarnaast dat bij uiteenlopende standpunten over een gebeurtenis het college uitgaat van hetgeen in het medisch dossier is genoteerd, tenzij er aanwijzingen zijn dat wat in het dossier staat niet juist is.
De beoordeling
5.3. Het college oordeelt dat de radioloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en overweegt daartoe als volgt. Aan het college ligt de vraag voor hoe de loggegevens van 2018 moeten worden geduid. Naar het oordeel van het college is door de radioloog op inzichtelijke wijze toegelicht hoe die loggegevens kunnen zijn ontstaan. Het college heeft begrepen dat daar meerdere redenen aan ten grondslag kunnen liggen, zoals het automatisch doorklikken in het systeem of wanneer een collega vraagt om kort mee te kijken naar een specifiek aspect van een onderzoek. Het college is met de radioloog van oordeel dat het openen van het dossier in 2018 nog niet betekent dat de toen gemaakte scan daadwerkelijk door hem is beoordeeld.
5.4. Het dossier biedt verder geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de radioloog
de MRI-scan in 2018 heeft beoordeeld. Voor het college is leidend dat uit het medisch
dossier blijkt dat de radioloog niet de verslaglegging heeft gedaan van de beoordeling
van deze MRI-scan en ook niet als medebeoordelaar wordt genoemd in de verslagen. Zodoende
concludeert het college dat de radioloog geen betrokkenheid heeft gehad bij de
(uiteindelijke) beoordeling van de scan in 2018. Daarom kan de radioloog geen tuchtrechtelijk
verwijt worden gemaakt over de inhoud van de beoordeling van de MRI-scan en oordeelt
het college dat de klacht kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 4 augustus 2026 door A.J. Scheijde, voorzitter, M.A.J. Meier en A.S. Fortuin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris.