ECLI:NL:TGZRAMS:2026:192 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9163

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:192
Datum uitspraak: 04-08-2026
Datum publicatie: 04-08-2026
Zaaknummer(s): A2025/9163
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een radioloog. Klager verwijt de radioloog dat hij hem onjuist advies heeft gegeven over de rustperiode na de injectie in de slijmbeurs van de rechterenkel en dat hierdoor zijn achillespees is afgescheurd. Het college oordeelt dat het advies van de radioloog om een paar dagen rust te houden na de injectie, met de folder die patiënten ontvangen - en ook met de wetenschappelijke literatuur - in lijn is, mede gelet op het feit dat er (nog) geen wetenschappelijk bewijs is dat een langere rustperiode van meerwaarde zou zijn.

A2025/9163

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 4 augustus 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klager,

tegen

C,
radioloog,
destijds werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de radioloog,
gemachtigde: mr. J.M. de Vries, werkzaam in Utrecht.

1.   De zaak in het kort

1.1   Op 27 augustus 2025 heeft de radioloog bij klager in verband met een slijmbeursontsteking een 
echogeleide injectie toegediend in de bursa (slijmbeurs) van de rechterenkel. Op 27 september 2025 
heeft klager zijn achillespees afgescheurd tijdens een voetbalwedstrijd. Klager verwijt de 
radioloog dat hij hem onjuist advies heeft gegeven over de rustperiode na de injectie en dat 
hierdoor zijn achillespees is afgescheurd. De radioloog heeft verweer gevoerd en aangegeven dat hij 
conform de wetenschappelijke literatuur heeft geadviseerd om een paar dagen rust te houden na een 
dergelijke injectie.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet 
gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. 
Daarna licht het college de beslissing toe.

2.  De procedure

2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 22 oktober 2025;
-  het aanvullende klaagschrift;
-  het verweerschrift met de bijlagen;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 24 maart 2026;

-  het bericht van (de gemachtigde van) de radioloog van 30 maart 2026, met als bijlage het 
consultverslag van de orthopedisch chirurg van 14 augustus 2025.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten

3.1.  Klager was onder behandeling bij een kliniek in D. De aldaar werkzame orthopedisch chirurg 
heeft op 14 augustus 2025 geconcludeerd dat bij klager sprake was van een bursitis retrocalcarea, 
met haglundse exotose
(een ontsteking van de slijmbeurs tussen het hielbeen en de achillespees, met 
een teveel aan bot dat tegen de achillespees duwt) in de rechterenkel. Hij heeft klager verwezen 
naar de radioloog, destijds tevens werkzaam in die kliniek, voor een echogeleide injectie met 
corticosteroïde in de slijmbeurs.

3.2.  Op 27 augustus 2025 heeft de radioloog bij klager deze injectie toegediend. Hij heeft klager 
vervolgens geadviseerd enkele dagen rust te houden en de belasting daarna weer op te bouwen op 
geleide van de klachten.

3.3.  Na een week rust te hebben gehouden is klager weer begonnen met activiteiten en op 27 
september 2025 heeft klager zijn achillespees afgescheurd tijdens een voetbalwedstrijd.

4. De klacht en de reactie van de radioloog

4.1.  Klager verwijt de radioloog dat hij klager niet goed heeft behandeld doordat hij hem niet 
juist heeft voorgelicht over de rustperiode die hij in acht had moeten nemen na de injectie.

4.2.  De radioloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3.  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling
5.1.  De vraag is of de radioloog de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende radioloog. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor radioloog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

De beoordeling van de klacht
5.2.  Het college oordeelt dat de radioloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en 
overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier maakt het college op dat er binnen de organisatie van 
de radioloog mogelijk geen eenduidig advies wordt gegeven over de rustperiode na een 
corticosteroïde injectie. Klager stelt namelijk dat de verwijzende orthopedisch chirurg - anders 
dan de radioloog – over een noodzakelijke rusttijd van twee weken zou hebben gesproken. De 
radioloog, die stelt hiernaar navraag bij zijn collega te hebben gedaan, betwist dat dit het geval 
is geweest: de orthopedisch chirurg zou zijn patiënten eveneens ’48 uur rust’ adviseren. Of de 
orthopedisch chirurg inderdaad een langere rusttijd dan de radioloog heeft geadviseerd, kan in het 
midden blijven. In het kader van deze procedure ligt namelijk uitsluitend het door de radioloog 
gegeven advies voor, omdat de klacht op dat advies betrekking heeft. Ten aanzien van dat advies, 
dus het advies om enkele dagen rust te houden en de belasting daarna weer op te bouwen op geleide 
van de klachten, wordt het volgende overwogen.

5.3.  De radioloog heeft met stukken onderbouwd dat hij heeft geadviseerd conform de folder die 
patiënten ontvangen die zo’n injectie krijgen. Daarin staat: “Na afloop van een 
corticosteroïdeninjectie kunt u het best een aantal dagen rust houden. Belast het behandelde gebied 
zo min mogelijk. Matig bewegen mag wel.”
Het college oordeelt dat het advies van de radioloog om 
een paar dagen rust te houden na de injectie, hiermee - en ook met de wetenschappelijke literatuur 
- in lijn is, mede gelet op het feit dat er (nog) geen wetenschappelijk bewijs is dat een langere 
rustperiode van meerwaarde zou zijn. Hoewel het veelvuldig toedienen van corticosteroïdeninjecties 
de achillespees zou kunnen verzwakken, was daar in dit geval geen sprake van, omdat klager voor het 
eerst zo’n injectie kreeg. Van de radioloog werd dan ook niet verwacht dat hij een ander advies zou 
geven. Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing

Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 4 augustus 2026 door A.J. Scheijde, voorzitter, M.A.J. Meier
en A.S. Fortuin, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris.