ECLI:NL:TGZRAMS:2026:191 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9621 A2026/9622
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:191 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-08-2026 |
| Datum publicatie: | 04-08-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen psychotherapeut / gz-psycholoog, die een schriftelijke verklaring heeft opgesteld waarin zij over haar cliënte schrijft en gebeurtenissen beschrijft waarbij klager betrokken was. Klager verwijt verweerster onder meer dat zij valse kwalificaties en beschrijvingen over hem de verklaring heeft opgenomen. Het college oordeelt dat de psychotherapeut / gz-psycholoog de verklaring niet had mogen schrijven op de manier waarop zij dit heeft gedaan. Verwijtbaar handelen door op verzoek van cliënte een ongeadresseerde verklaring op te stellen waarin strafrechtelijke gedragingen van klager als feiten zijn opgenomen. Waarschuwing. Inzicht in onjuistheid van handelen en daar adequaat op gereflecteerd. |
A2026/9621
A2025/9622
Beslissing van 4 augustus 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 4 augustus 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
gz-psycholoog en psychotherapeut,
werkzaam in B,
verweerster,
gemachtigde: mr. R. Korver, werkzaam te Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Verweerster is zowel psychotherapeut als gz-psycholoog. Op 12 januari 2026 heeft
verweerster een schriftelijke verklaring opgesteld waarin zij niet alleen over haar
cliënte schrijft, maar ook gebeurtenissen beschrijft waarbij klager betrokken was.
De verklaring is door haar cliënte ingebracht in een gerechtelijke procedure tegen
klager over een omgangsregeling met de dochter van cliënte. Klager meent dat verweerster
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, onder meer door in de verklaring kwalificaties
en beschrijvingen over hem op te nemen die de indruk wekken van feitelijke vaststellingen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager ontvankelijk is en dat de klacht deels gegrond is. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met een bijlage, ontvangen op 30 januari 2026;
- het aanvullende klaagschrift met drie bijlagen;
- het verweerschrift;
- de brief van (de gemachtigde van) verweerster, binnengekomen op 12 juni 2026,
met een bijlage.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en de gemachtigde van verweerster hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van verweerster heeft spreekaantekeningen voorgedragen en deze aan het college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 De cliënte van verweerster is bij verweerster in behandeling wegens posttraumatische
stressklachten. Op verzoek van haar cliënte heeft verweerster een schriftelijke verklaring
opgesteld. In deze verklaring heeft zij onder meer het volgende opgenomen:
‘Verklaring
Geachte heer/mevrouw,
Bovenstaande cliënte is bij mij in behandeling sinds oktober 2025. Zij is naar mij
doorverwezen i.v.m. klachten als gevolg van traumatische gebeurtenissen rondom een
man met wie ze de vriendschap eind maart heeft verbroken. Sindsdien heeft hij haar
bedreigd, gestalkt en een rechtszaak inclusief hoger beroep aangespannen, omdat hij
een omgangsregeling met de dochter van cliënte wil.
(…)
Er is bij cliënte sprake van meerdere traumatische gebeurtenissen omtrent deze man
gedurende langere periode (ook vóór het verbreken van de vriendschap in maart), passend
binnen het beeld van intiem terreur.’
3.2 De verklaring is door haar ondertekend met haar naam met daaronder vermeld haar twee beroepen: psychotherapeut en gz-psycholoog.
3.3 De cliënte heeft de verklaring en de decursus van 14 januari 2026 overgelegd in de procedure bij het hof tijdens de procedure tegen klager over een omgangsregeling met de dochter van cliënte. De rechtbank had in 2025 het verzoek van klager met betrekking tot een omgangsregeling afgewezen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
4. De klacht en de reactie van de psychotherapeut/gz-psycholoog
4.1 Klager verwijt verweerster dat zij:
a) in de verklaring kwalificaties en beschrijvingen van klager heeft opgenomen die
de indruk wekken van feitelijke vaststellingen;
b) in de verklaring onvoldoende onderscheid heeft gemaakt tussen feitelijke duiding
en de subjectieve beleving van haar cliënte;
c) zonder onafhankelijk onderzoek en buiten haar deskundigheids- en rolgrenzen in
haar verklaring een impliciete forensische en juridische duiding heeft gegeven;
d) onvoldoende rekening heeft gehouden met de ingrijpende, indirecte effecten van
haar handelen;
e) in de decursus de gerechtelijke procedure als een ziekte heeft beschreven die
behandeld moet worden met EMDR-therapie.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klager niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft verweerster het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Volgens verweerster is de klacht niet ontvankelijk, omdat klager geen patiënt
van haar is geweest en hij geen rechtstreeks belanghebbende is. Daarnaast stelt zij
zich op het standpunt dat de door haar opgestelde verklaring de beschikking van het
hof niet heeft beïnvloed, dat klager de verklaring in de procedure bij het hof niet
inhoudelijk heeft betwist en dat er geen sprake is van aantoonbare schade. Op grond
hiervan zou klager ook anderszins geen belanghebbende zijn.
5.2 In artikel 65 lid 1 sub a Wet BIG is vastgelegd dat een klacht aanhangig kan worden gemaakt door een rechtstreeks belanghebbende. Om (anderszins) als klachtgerechtigd belanghebbende te worden aangemerkt, dient aan de zijde van klager sprake te zijn van een belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg. Deze eis vloeit voort uit de aard en de strekking van de Wet BIG, die beoogt de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken.
5.3 De tuchtnormen in artikel 47 lid 1 sub a en b Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) zien niet alleen op handelen of nalaten in strijd met de zorg die een beroepsbeoefenaar in die hoedanigheid behoort te verlenen aan zijn patiënt en aan diens naaste betrekkingen (eerste tuchtnorm), maar ook op ander handelen of nalaten dat in strijd is met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (tweede tuchtnorm), welke norm wordt begrensd tot die gevallen waarin dat handelen voldoende weerslag heeft op de kwaliteit van de individuele gezondheidzorg. Het tuchtrecht voor de gezondheidszorg is immers bedoeld als instrument om de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bevorderen en te bewaken.
5.4 Het college oordeelt dat aan de zijde van klager sprake is van een belang dat kan worden geplaatst in het kader van de individuele gezondheidszorg, aangezien in de verklaring naar klager wordt verwezen en in de verklaring (ernstige) strafrechtelijke gedragingen aan klager worden toegeschreven. Dat de door verweerster opgestelde verklaring de beschikking van het hof niet zou hebben beïnvloed, dat klager de verklaring in de procedure bij het hof niet inhoudelijk zou hebben betwist en dat er geen sprake zou zijn van aantoonbare schade, staat naar het oordeel van het college niet vast en is bovendien niet relevant bij de beantwoording van de vraag of klager voornoemd belang heeft. Het college verklaart de klacht ontvankelijk en zal de klacht daarom inhoudelijk behandelen. Het staat vast dat er geen sprake is (geweest) van een behandelrelatie tussen klager en de psychotherapeut/gz-psycholoog. Op grond hiervan is de eerste tuchtnorm niet van toepassing op de klacht. Het handelen van de psychotherapeut/gz-psycholoog heeft volgens het college weerslag op het belang van de individuele gezondheidszorg en valt daarom onder de tweede tuchtnorm.
De criteria voor de beoordeling
5.5 De vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen
de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand
van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen
toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
Klachtonderdelen a) kwalificaties en beschrijvingen van klager die de indruk wekken van feitelijke vaststellingen, b) onvoldoende onderscheid tussen feitelijke duiding en subjectieve beleving van cliënte en c) zonder onafhankelijk onderzoek en buiten deskundigheids- en rolgrenzen een impliciete forensische en juridische duiding gegeven
5.6 Het college ziet aanleiding om de klachtonderdelen a), b) en c) gezamenlijk te behandelen. Het college oordeelt dat deze klachtonderdelen gegrond zijn. Verweerster had de verklaring niet mogen schrijven op de manier waarop zij dit heeft gedaan. Het college licht dit oordeel toe.
5.7 Op de website van de LVVP (Landelijke Vereniging van Vrijgevestigde Psychologen & Psychotherapeuten) staat het volgende vermeld:
‘Een gezondheidsverklaring is een verklaring waarin u als behandelaar een oordeel geeft
voor een ander doel dan een zorgdoel.
Voorbeelden hiervan zijn verklaringen:
• om toegelaten te worden tot een school c.q. opleiding;
• om in aanmerking te komen voor een voorziening;
• over de geschiktheid om iets wel of niet te doen;
• met betrekking tot de omgang met of het gezag over de kinderen;
• of een omgangsregeling voor een van de ouders met de kinderen verantwoord is ondanks
psychische problemen.
Mag u dergelijke verklaringen verstrekken?
Nee, dat mag niet!
LET OP: een gezondheidsverklaring mag u ook niet verstrekken aan de client zelf!
En (dus) ook niet aan diens advocaat.
(…)
Een ggz-behandelaar mag geen gezondheidsverklaring, waarin waardeoordelen zijn opgenomen,
verstrekken over een eigen patiënt -en ook niet over een ander trouwens.
Wat wel mag: strikt feitelijke informatie verstrekken. Denk aan informatie over
wanneer de cliënt in behandeling is gekomen, met welke klacht, welke diagnose is gesteld
en hoe lang de behandeling heeft geduurd.
Uitspraken over prognoses, oorzaak-gevolgrelaties, derden et cetera worden gezien
als waardeoordelen.’
5.8 Door het NIP (Nederlands Instituut van Psychologen) wordt behandelend gz-psychologen
afgeraden om verklaringen op te stellen waarmee een juridisch of materieel belang
is gemoeid. Voorts dient de behandelend gz-psycholoog zich volgens het NIP te beperken
tot feitelijke behandelinformatie die geen waardeoordeel inhoudt. De gz-psycholoog
mag evenmin informatie aan een derde verstrekken als daarmee inbreuk wordt gemaakt
op de persoonlijke levenssfeer van een ander dan de cliënt. Alleen als die ander toestemming
heeft gegeven voor de informatieverstrekking, kan de gz-psycholoog overgaan tot het
verstrekken van die informatie.
5.9 De NIP Beroepscode is er voor alle gz-psychologen en vormt het uitgangspunt voor een zorgvuldige beroepsuitoefening. De Beroepscode maakt, naast kwaliteitsstandaarden, richtlijnen en toepasselijke wet- en regelgeving deel uit van de professionele standaard voor gz-psychologen. Anders dan verweerster in haar verweer heeft gesteld, geldt het voorgaande ook voor gz-psychologen die niet lid zijn van het NIP.
5.10 Verweerster stelt dat de door haar opgestelde verklaring een behandelverklaring betreft, die uitsluitend betrekking heeft op haar cliënte. Zij stelt voorts dat zij niet wist dat haar cliënte de verklaring zou inbrengen in de procedure bij het hof over de omgangsregeling. Ter zitting heeft de verweerster het college laten weten dat zij de verklaring heeft opgesteld met een bepaald doel, maar dat zij het college niet kenbaar wil maken welk doel dit is. Verder heeft zij het college desgevraagd laten weten dat zij geen afspraken met haar cliënte had gemaakt over het (niet) gebruiken van de verklaring voor andere doeleinden dan het – voor het college onbekende – doel waarvoor de verklaring is opgesteld.
5.11 Het college stelt vast dat de verklaring niet uitsluitend ziet op de klachten en behandeling van haar cliënte, maar ook strafrechtelijke gedragingen van klager beschrijft. Daarmee staat vast dat de verklaring geen behandelverklaring is zoals door verweerster is gesteld. Voorts staat vast dat verweerster geen voorafgaande toestemming van klager had om de verklaring, voor zover deze op hem betrekking had, op te stellen. Op de verklaring staat geen geadresseerde vermeld, is bovenaan in groot lettertype ‘Verklaring’ opgenomen en is als aanhef gekozen: ‘Geachte heer/mevrouw’. Voorts heeft verweerster hierin verwezen naar klager, weliswaar zonder expliciet zijn naam te noemen maar met specifieke beschrijvingen over hem zodat duidelijk is dat de in de verklaring genoemde ‘man’ klager betreft. Verweerster heeft in de verklaring geschreven dat de ‘man’ haar cliënte heeft bedreigd en gestalkt en voorts dat er sprake was van gebeurtenissen ‘passend binnen het beeld van intiem terreur’. Deze (strafrechtelijke) gedragingen heeft verweerster naar het oordeel van het college als feiten gepresenteerd en betreffen uitlatingen over een derde. Verweerster heeft zich in haar verklaring gebaseerd op hetgeen haar cliënte over klager heeft verteld en de (strafrechtelijke) gedragingen benoemd zonder te weten of hetgeen zij schreef wel juist was. Gezien het voorgaande heeft zij zich met het opstellen van haar verklaring niet gehouden aan de professionele standaard voor psychotherapeuten en gz-psychologen, zoals hiervoor aangehaald onder 5.7 tot en met 5.9.
5.12 Daarnaast heeft verweerster, door de verklaring niet te adresseren, het risico genomen dat de verklaring door haar cliënte werd gebruikt voor andere doeleinden dan verweerster voor ogen had. Verweerster wist dat haar cliënte met klager verwikkeld was in een gerechtelijke procedure over een omgangsregeling met de dochter van cliënte; hierover schrijft verweerster immers ook in haar verklaring. Het is vaste jurisprudentie van de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg dat een gz-psycholoog zich zeer terughoudend dient op te stellen bij het afgeven van een verklaring waarvan hij of zij weet dat deze in een juridische procedure kan worden gebruikt. Wanneer de psycholoog dat toch besluit te doen moet hij zich in ieder geval onthouden van verklaringen of suggesties met betrekking tot anderen dan zijn of haar cliënt.
5.13 De klachtonderdelen a), b) en c) zijn gegrond, in de beroepsuitoefening van verweerster als psychotherapeut en als gz-psycholoog.
Klachtonderdeel d) onvoldoende rekening gehouden met de ingrijpende, indirecte effecten
van handelen
5.14 Volgens klager heeft de verklaring schadelijke gevolgen voor hem gehad omdat
de verklaring is gebruikt in een gerechtelijke procedure tegen hem en heeft verweerster
niet heeft voldaan aan haar verplichting om schade voor derden te voorkomen of te
beperken.
Naar het oordeel van het college had verweerster de verklaring niet op mogen stellen,
maar staat het niet vast dat de verklaring tot de schade heeft geleid zoals door klager
gesteld.
5.15 Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel e) in de decursus de gerechtelijke procedure als ziekte beschreven
die behandeld moet worden met EMDR-therapie
5.16 Het is aan verweerster om te bepalen wanneer zij EMDR-therapie geschikt acht.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.17 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen a), b) en c) gegrond
zijn en klachtonderdelen d) en e) ongegrond.
Maatregel: waarschuwing
5.18 Uit het voorgaande volgt dat verweerster verwijtbaar heeft gehandeld door op
verzoek van haar cliënte een ongeadresseerde verklaring op te stellen waarin strafrechtelijke
gedragingen van klager als feiten zijn opgenomen, zonder dat zij hiervoor toestemming
van klager had. Verweerster heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij inziet dat
zij de verklaring niet had moeten opstellen zoals zij dat heeft gedaan, dat zij ervan
heeft geleerd en dat zij hiermee in haar verdere beroepsuitoefening rekening zal houden.
Het college zal verweerster de maatregel van waarschuwing opleggen, waarbij het college
meeweegt dat zij inzicht heeft gekregen in de onjuistheid van haar handelen en daar
op adequate wijze op heeft gereflecteerd.
Publicatie
5.19 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere psychotherapeuten en gz-psychologen mogelijk iets
van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen
of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klachtonderdelen a), b) en c) gegrond;
- verklaart klachtonderdelen d) en e) ongegrond;
- legt verweerster de maatregel op van waarschuwing;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften: Tijdschrift
voor Gezondheidsrecht, Medisch Contact en De Psycholoog.
Deze beslissing is gegeven door E.A. Messer, voorzitter, W.S. Oostveen-Kouwenhoven, lid-jurist, I.E. Visser, E.L. Chavannes en S.M. van Es, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.