ECLI:NL:TGZRAMS:2026:189 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9298

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:189
Datum uitspraak: 31-07-2026
Datum publicatie: 31-07-2026
Zaaknummer(s): A2025/9298
Onderwerp:
  • Geen of onvoldoende zorg
  • Onheuse bejegening
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een longarts. Het college kan niet vaststellen dat de longarts klager niet serieus heeft genomen en dat onderzoeken te laat zouden zijn verricht. Binnen een periode van vier werken nadat het de longarts duidelijk werd dat klager niet opknapte, terwijl er op dat moment nog geen vermoeden van maligniteit was en de klachten van klager ook pasten bij al eerder gestelde diagnoses, zijn allerlei onderzoeken bij klager verricht die uiteindelijk toch tot de diagnose kanker hebben geleid. De longarts heeft er vervolgens voor gekozen om de uitkomst van het biopt en dat het om kanker ging telefonisch met klager te bespreken, omdat zij klager niet onnodig ongerust wilde maken door de telefonische afspraak om te laten zetten in een poli afspraak. Het college oordeelt dat deze keuze in dit geval onwenselijk en spijtig, maar niet verwijtbaar is. Dat het anders had gekund, betekent niet dat het in dit geval anders had gemoeten.

A2025/9298
Beslissing van 31 juli 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing in raadkamer van 31 juli 2026 op de klacht van:


A,
wonende in B,
klager,
gemachtigde: C, echtgenote van klager,


tegen


D,
longarts,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de longarts,
gemachtigde: E, werkzaam in B.


1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager, geboren in 1951, was sinds december 2012 onder behandeling bij de longarts. In juni en juli 2025 heeft klager aan de verpleegkundig specialist laten weten bang te zijn longkanker te hebben. Zijn dag- en nachtrust werd verstoord door continue (slijm) (op)hoesten. Na verschillende telefonische consulten en polibezoeken van klager bij de verpleegkundig specialist is overleg gevolgd met de longarts, waarna diverse onderzoeken zijn verricht en de longarts vanaf 18 augustus 2025 diverse telefonische contacten met (de echtgenote van) klager heeft gehad. Op 10 september 2025 heeft de longarts telefonisch aan klager verteld dat het om kanker gaat en dat hij wordt doorverwezen naar de longoncoloog. Klager is ontevreden over de behandeling door de longarts, omdat hij zich niet gehoord en niet serieus genomen voelt over zijn angst longkanker te hebben. Hij vindt ook dat onderzoeken te laat zouden zijn verricht en pas nadat hij daarop heeft aangedrongen en boos is geworden. Tot slot vindt klager dat de longarts de uitslagen van de CT-scan, het biopt en de mededeling dat het om kanker ging niet telefonisch met hem had mogen delen.

1.2 De longarts stelt zich op het standpunt dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Zij merkt op het spijtig te vinden dat klager ontevreden is over het diagnostisch traject, mede gelet op hun lange behandelrelatie. De longarts heeft klager serieus genomen. Binnen vier weken nadat bij haar bekend was dat klager niet opknapte op basis van het eerder ingezette beleid, is de diagnose kanker bij hem gesteld en is dit met hem besproken. De uitkomsten van zowel de CT-scan op 27 augustus 2025 als de uitkomst van het longbiopt op 10 september 2025 heeft zij telefonisch met (de echtgenote van) klager besproken. Dit omdat deze telefonische consulten al gepland stonden, bij het bespreken van de uitkomst van de CT-scan nog niet (primair) aan kanker werd gedacht, in de zorg veel uitslagen
telefonisch worden meegedeeld, er geen voorschrift voor artsen bestaat dat dergelijke
gesprekken alleen op de polikliniek gevoerd mogen worden, klager niet om een poli-afspraak
had gevraagd en omdat zij aannam dat het omzetten van de geagendeerde belafspraak op
10 september 2025 tot verdere ongerustheid bij klager zou leiden. De longarts vindt deze
laatste beslissing niet onjuist, maar terugkijkend had ze het beter gevonden om in het
telefoongesprek van 10 september 2025 gelijk een poli-afspraak aan klager aan te bieden
voor nadere toelichting en het beantwoorden van vragen. Door dit niet te doen, heeft er
negen dagen gezeten tussen het laatste telefoongesprek met de longarts en het eerste
consult bij de longoncoloog. Hiervoor biedt de longarts haar excuses aan klager aan.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat
de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de
procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 21 november 2025;
- de aanvullende klaagschriften ontvangen op 19, 22 en 29 december 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 21 mei 2026.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de
zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.


3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager is sinds oktober 2011 onder behandeling bij het F en is bekend met een
uitgebreide medische voorgeschiedenis op meerdere terreinen. De longarts is aan het F
verbonden en sinds december 2012 is klager bij haar onder behandeling.

3.2 Vanaf februari 2025 ervaart klager toegenomen klachten van piepende ademhaling,
hoestklachten en meer slijmproductie. Na meerdere keren telefonisch contact gehad te
hebben met de longverpleegkundige is er op 9 april 2025 een telefonisch consult met de
longarts. Op 17 april 2025 ziet de longarts klager op de poli, waarna nieuw beleid wordt
uitgezet. Op 11 en 20 juni 2025 belt de echtgenote van klager omdat zij geen verbetering in
de toestand van klager ziet en ziet dat de klachten erger zijn geworden. Op 20 juni 2025
komt klager daarom langs op de poli bij de verpleegkundig specialist. Over dit consult is in
het dossier genoteerd (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) Is bang dat hij longca heeft.(…)”

3.3 Op 4 juli 2025 belt de echtgenote van klager, waarna klager dezelfde dag bij de
verpleegkundig specialist langskomt. In het dossier is genoteerd:
“(…) Maakt zich zorgen, bang om kanker te hebben. (…)
Aangevraagde onderzoeken
Radiologie: Thorax (4-7-2025) (…)”
In het verslag van 4 juli 2025 van de radioloog staat als conclusie onder meer: “(…) Geen
aanwijzingen voor een RIP (ruimte innemend proces, toevoeging college). (…)”.
De radioloog
ziet op de longfoto geen aanwijzingen voor longkanker. Dit wordt door de verpleegkundig
specialist dezelfde dag telefonisch aan klager teruggekoppeld.

3.4 Vervolgens zijn er op 11 juli 2025 en 25 juli 2025 telefonische consulten met de
verpleegkundig specialist, gevolgd door een polibezoek op 28 juli 2025. Op 6 augustus 2025
is er weer een telefonisch consult met de verpleegkundig specialist, waarover in het dossier
is genoteerd:
“(…)Beleid
13-08-2025 overleg dr D daarna TC (…)”.

3.5 Tijdens dit overleg van de verpleegkundig specialist met de longarts is afgesproken
dat er in verband met de aanhoudende klachten van klager een nieuwe longfoto wordt
gemaakt, alsmede lab afname en een sputumkweek. Deze onderzoeken vinden dezelfde dag
plaats. Op 15 augustus 2025 noteert de verpleegkundig specialist in het dossier:
“(…) Conclusie:
Eventuele onderliggende pathologie anderszins niet uitgesloten.
(…)
Overige acties
Overleg dr D:
SK afwachten, belt maandag, als er niets uit de kweek komt dan ct-thorax en / of
bronchoscopie.”

3.6 Op 18 augustus 2025 belt de longarts met de echtgenote van klager en geeft de
uitslagen door, alsmede het plan om een CT-thorax te laten maken en een bronchoscopie te
laten doen. De bronchoscopie wordt op 21 augustus 2025 uitgevoerd en de CT-scan wordt op
25 augustus 2025 gemaakt. De radioloog belt vervolgens met de longarts en noteert in zijn
verslag:
“(…) Conclusie:
(…) Op basis van deze CT scan geen zekere diagnose. (…) Overweeg verkrijgen van PA voor
classificerende diagnose. (…)
Overwegingen telefonisch uitgebreid besproken met collega D, aanvragend longarts op 25-
08-2025.”


3.7 Deze uitslag bespreekt de longarts op 27 augustus 2025 telefonisch met klager en
zijn echtgenote, waarbij zij bespreekt dat er op basis van de bronchoscopie geen diagnose
kan worden vastgesteld en dat er op de CT-thorax vlekjes op de longen te zien zijn, waarvan
onduidelijk is wat die zijn. Daarom is er een CT-geleid longbiopt nodig om een diagnose te
kunnen stellen. Dit onderzoek wordt ingepland voor 8 september 2025, gevolgd door een
policontrole of belafspraak drie dagen later.

3.8 Op 8 september 2025 wordt het onderzoek uitgevoerd. De uitkomst van dit
onderzoek bespreekt de longarts op 10 september 2025 telefonisch met klager, waarbij zij
vertelt dat het kanker betreft, dat het belangrijk is om het zo snel mogelijk in kaart te
brengen en te kijken welke behandeling er mogelijk is. De longarts verwijst klager door naar
de longoncoloog, waar klager op 19 september 2025 op de poli wordt gezien. Bij klager
wordt door de longoncoloog longkanker vastgesteld.


4. De klacht en de reactie van de longarts
4.1 Klager verwijt de longarts:
a) niet gehoord en niet serieus te zijn genomen over zijn angst voor longkanker;
b) dat pas na boos worden en verzoek tot second opinion te laat onderzoeken zijn verricht;
c) dat de uitslag telefonisch met hem is besproken.

4.2 De longarts heeft het college verzocht de klacht kennelijk ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de longarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende longarts. Bij de
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de longarts geldende beroepsnormen en
andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen
is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat
zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2 Het college oordeelt dat de longarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.3 Het college heeft oog voor de nare en verdrietige situatie dat de angst van klager om
kanker te hebben zich ook heeft verwezenlijkt en bij hem de diagnose longkanker is
vastgesteld. De vraag die in deze procedure moet worden beantwoord is of de longarts in de
periode vanaf de start van de toename van klagers klachten in februari 2025 en vanaf juni
2025 toen klager voor het eerst zijn zorg over het hebben van kanker heeft geuit, met de
kennis die er op dat moment was, heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en
redelijk bekwaam longarts mag worden verwacht. Het handelen of nalaten van de longarts
kan niet worden beoordeeld met de kennis en wetenschap die er achteraf is gekomen.

Klachtonderdeel a) en b) niet gehoord en serieus zijn genomen en pas laat verrichten van
onderzoeken

5.4 De onderdelen a) en b) hebben betrekking op het niet luisteren naar klager en
(daardoor) pas laat verrichten van onderzoek. Het college bespreekt deze klachten
gezamenlijk.

5.5 Uit het door de longarts overgelegde medisch dossier van klager blijkt dat er
voorafgaand aan de gestelde diagnose longkanker een uitgebreide medische geschiedenis
van klager is met onder meer longklachten die sinds 2011 in de loop der jaren zijn
verergerd. Na een toename van longklachten bij klager vanaf februari 2025 is er veelvuldig
telefonisch- en contact op de poli geweest met de longverpleegkundige, de verpleegkundig
specialist en de longarts, waarbij meerdere onderzoeken zijn gedaan en het behandelbeleid
verschillende keren is aangepast om tot een optimale behandeling van klager te komen. De
longarts heeft klager gezien en beoordeeld op de poli van 17 april 2025 en op 23 april 2025
de uitslagen van een ECG en een bloedonderzoek aan klager teruggekoppeld, waarna een
reguliere controle voor vier maanden later is ingepland. Op 20 juni 2025 heeft de
verpleegkundige overleg gezocht met de longarts over het medicatiebeleid. Uit het dossier
blijkt dat het beloop van de veranderingen in het beleid vanaf februari 2025 tot augustus
2025 nauwlettend werd gevolgd. De behandelingen leken regelmatig aan te slaan en de
klachten van klager paste bij de eerder gestelde diagnoses. Het beleid werd vervolgens
telkens aangepast op basis van de (nieuwe) actuele klachten bij klager. Aanknopingspunten
dat er in het verloop van de medische situatie van klager tot dan toe iets verontrustend aan
de hand was, ontbreken. Het wisselende beloop van de klachten van klager en de ingestelde
diagnostiek en behandeling gaven geen aanleiding om te vermoeden dat sprake was van
maligniteit (kwaadaardigheid). Ondanks dit ontbreken van een vermoeden van maligniteit
heeft de longarts, nadat zij op 13 augustus 2025 over de situatie van klager is geïnformeerd,
een nieuwe röntgenfoto (X-thorax) laten maken en het afnemen van lab en een
sputumkweek afgesproken. Dat getuigt van zorgvuldig handelen. Na het bespreken van de
uitslagen van deze onderzoeken op 18 augustus 2025 vond de longarts het wenselijk om
verder onderzoek te verrichten. Zij heeft dan ook gehoor gegeven aan het verzoek van
klager en er werd aanvullend een CT-thorax/bovenbuik en een bronchoscopie gelast. De
bronchoscopie gaf geen uitsluitsel en op basis daarvan kon geen diagnose worden
vastgesteld. Op de CT-thorax waren vlekjes op de longen te zien zijn, waarvan onduidelijk
was wat dit kon zijn. Daarom werd er op 8 september 2025 een CT-geleid longbiopt gedaan,
waarvan de longarts de uitslag op 10 september 2025 met klager heeft besproken. Toen was
duidelijk dat er sprake was van kanker en heeft de longarts de behandeling van klager
overgedragen aan de oncoloog.

5.6 Op basis van het voorgaande kan het college niet vaststellen dat de longarts klager
niet serieus heeft genomen en dat onderzoeken te laat zouden zijn verricht. Binnen een
periode van vier werken nadat het de longarts op 13 augustus 2025 duidelijk werd dat klager
niet opknapte, terwijl er op dat moment nog geen vermoeden van maligniteit was en de
klachten van klager ook pasten bij al eerder gestelde diagnoses, zijn allerlei onderzoeken bij
klager verricht die uiteindelijk toch tot de diagnose kanker hebben geleid. Gelet op het
voorgaande oordeelt het college dan ook dat de longarts zorgvuldig heeft gehandeld zoals
een redelijk handelend beroepsgenoot in de gegeven omstandigheden had kunnen doen.

5.7 Klachtonderdelen a) en b) zijn ongegrond.

Klachtonderdeel c) uitslag telefonisch besproken
5.8 Op basis van het medisch dossier stelt het college vast dat er al sinds 2011 een
behandelrelatie met klager was. Gelet op de vele contactmomenten is het goed voorstelbaar
dat de longarts ervoor koos niet iedere uitslag met klager op de poli te bespreken. Zoals de
longarts heeft opgemerkt, is dit in de zorg niet ongebruikelijk. De keuze om een deel van de
bevindingen of uitslagen telefonisch met klager te delen, is ook navolgbaar, zeker bij
patiënten zoals klager die vanwege een chronische aandoening frequent contact moeten
hebben met hun behandelaar. Het niet voor iedere afspraak of uitslagengesprek naar de poli
hoeven komen, zal ook voor hem minder belastend zijn (geweest). Bij het bespreken van de
uitkomst van de CT-scan op 27 augustus 2025 was er verder nog geen vermoeden van
maligniteit en werd nog niet primair aan kanker gedacht. Dat de longarts het passend vond
om deze uitslag telefonisch te bespreken, is in het licht van het voorgaande dan ook te
begrijpen. De longarts heeft er vervolgens voor gekozen om ook op 10 september 2025 de
uitkomst van het biopt en dat het om kanker ging telefonisch met klager te bespreken,
omdat zij klager niet onnodig ongerust wilde maken door de telefonische afspraak om te
laten zetten in een poli afspraak. Het college oordeelt dat deze keuze in dit geval onwenselijk
en spijtig, maar niet verwijtbaar is. Hierbij betrekt het college dat er in het geval van klager
op korte termijn al een telefonische afspraak gepland stond, er in het dossier geen
aanknopingspunten zijn te vinden dat klager zelf om een gesprek op de poli heeft gevraagd
en de vele contacten tussen klager en de longarts. Dat het anders had gekund, betekent niet
dat het in dit geval anders had gemoeten. Tot slot is door de longarts in het telefonisch
gesprek van 10 september 2025 niet het aanbod gedaan om gelijk een poli afspraak te
plannen om na te bespreken en mogelijke vragen te beantwoorden. Het college oordeelt dat
dit wel de voorkeur had gehad. Het is echter niet dermate onzorgvuldig dat dit verwijtbaar
is. De longarts heeft hiervoor in het verweerschrift ook haar excuses aangeboden.

5.9 Ook klachtonderdeel c is ongegrond.

Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.


6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 31 juli 2026 door Y. Sneevliet, voorzitter, P. Baas en
B.E.E.M. van den Borne, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door A. Tingen, secretaris.