ECLI:NL:TGZRAMS:2026:188 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8638

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:188
Datum uitspraak: 31-07-2026
Datum publicatie: 31-07-2026
Zaaknummer(s): A2025/8638
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een longarts. Het is voor klaagster buitengewoon ingrijpend dat achteraf blijkt dat wel sprake was een kwaadaardige uitzaaiing. Dit maakt echter de afwegingen en beoordeling op het moment dat deze werd gedaan en met de gegevens die toen bekend waren, niet verkeerd. De longarts heeft op basis van wat er toen bekend was en met de CT-uitslagen van dat moment op goede gronden kunnen overwegen dat de situatie van klaagster stabiel was. Volgens de geldende behandelprotocollen was het daarom op dat moment standaard beleid om klaagster met een interval van zes maanden weer terug te zien.  

A2025/8638
Beslissing van 31 juli 2026

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing in raadkamer van 31 juli 2026 op de klacht van:


A,
wonende in B,
klaagster,


tegen


C,
longarts,
destijds werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de longarts,
gemachtigde: mr. M.J.J. de Ridder, werkzaam in Utrecht.


1. De zaak in het kort
1.1 Bij klaagster is longkanker geconstateerd in september 2023. Zij is hiervoor onder behandeling geweest bij de longarts en een aantal collega longartsen. De longarts gaf in januari 2025 het advies om over een half jaar terug te komen voor een CT-scan, omdat haar medische situatie op dat moment stabiel was. In maart 2025 hoestte klaagster bloed op en bleek kort daarna dat sprake was van een uitzaaiing in haar linkerlong, waarvoor een behandeling met bestraling volgde. Klaagster verwijt de longarts dat de uitzaaiing niet eerder is gediagnostiseerd en behandeld, omdat op de CT-scan gemaakt op 21 januari 2024 al een nieuw plekje te zien was op haar linkerlong en het advies in augustus 2024 van de radioloog om een PET-scan te laten maken is genegeerd.

1.2 De longarts stelt zich op het standpunt dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, omdat in januari 2024 nog niet duidelijk was dat sprake was van een uitzaaiing. Het plekje werd toen geduid als een ontsteking of schade door de behandeling. Klaagster is in de daaropvolgende periode volgens protocol gecontroleerd door regelmatig CT-scans te maken. In het multidisciplinair overleg werd besloten dat een PET-scan in augustus 2024 niet aangewezen was, omdat op dat moment werd gedacht dat een restontsteking de meest waarschijnlijke verklaring was voor het afwijkende beeld op de CT-scan.

1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.


2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 16 juni 2025;
- de aanvullende klaagschriften ontvangen op 1 en 16 augustus 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de repliek met bijlage, binnengekomen op 29 januari 2026;
- de dupliek, binnengekomen op 19 februari 2026.

2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van
het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Er heeft uiteindelijk geen
mondeling vooronderzoek plaatsgevonden, maar een tweede schriftelijke ronde wegens
gezondheidsredenen van klaagster.

2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de
zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.


3. De feiten
3.1 Op 20 september 2023 is bij klaagster een niet-kleincellig longcarcinoom vastgesteld.
Zij heeft hiervoor een behandeling gehad met chemotherapie en radiotherapie en hierna,
gedurende een jaar, immunotherapie.

3.2 De longarts is samen met een aantal collega longartsen betrokken geweest bij de
behandeling en de follow-up controle van klaagster.

3.3 Volgens protocol wordt in het eerste jaar van de behandeling ter controle om de drie
maanden een CT-scan gemaakt en in het tweede jaar om het half jaar. Bij klachten of op
andere indicatie wordt er zo nodig een extra CT-onderzoek ingelast.

3.4 De longarts heeft klaagster op 12 januari 2024 op het spreekuur gezien. Klaagster
was op dat moment nog bezig met de immunotherapie. Klaagster had wat vragen over het
CT-verslag van 29 november 2023 en deze werden besproken. De longarts heeft een en
ander nagevraagd bij de radioloog.

3.5 Op 25 januari 2024 is een controle CT-scan gemaakt. In het verslag hiervan is onder
het kopje Conclusie voor zover van belang opgenomen: ”(…) -Enkele nieuwe noduli met
name in de linkerbovenkwab (en twee in de rechter en linker onderkwab) d.d. Metastasen
d.d. pseudoprogressie bij immunotherapie.
-Nieuwe consolidatie in de linkerbovenkwab, meest passend bij postirradiaire consolidatie
d.d. infectieus. (..)”

3.6 Op 29 januari 2024 kwam klaagster op het spreekuur van een collega van de
longarts (zaaknummer A2025/8637, hierna steeds collega longarts) en deze besprak de
uitslag van de CT-scan van 25 januari 2024. De collega longarts legde uit dat er afwijkingen
gezien waren door de radioloog in de linkerbovenkwab, maar dat dat waarschijnlijk een
infectie was dan wel dat dit het gevolg was van de eerdere behandeling. De collega longarts
noteerde hierover in het dossier: “(..) Enige tijd gesproken over uitslag CT. Lastig. Nu wrsch
infectieus dan wel effect RT/immuno, dus door durvalumab. (..)”. Besloten werd om over zes
weken een nieuwe CT-scan te laten maken.

3.7 Op 12 februari 2024 kwam klaagster weer op het spreekuur van de collega longarts.
Ze besprak haar ongerustheid over de uitslag van de laatst gemaakte CT-scan. De collega
longarts heeft uitgelegd dat de CT-scan over vier weken moest worden afgewacht.

3.8 Op 7 maart 2024 werd een nieuwe CT-scan gemaakt. In het verslag noteerde de
radioloog onder het kopje Conclusie: “Onveranderde rest laesie links hilair. Afname
/resorptie van eerder nieuw ontstane noduli in de linkerlong, derhalve te duiden in het kader
van chemoradiatie.”

3.9 Op 10 maart 2024 werd bovengenoemde uitslag door de collega longarts besproken
met klaagster.

3.10 Op 17 juni 2024 kwam klaagster bij de longarts op het spreekuur in verband met
bovenste luchtwegklachten en verhoging. Er werd door de longarts antibiotica
voorgeschreven, een sputumkweek afgenomen en de geplande CT scan voor 20 juni 2024
werd met tien dagen uitgesteld.

3.11 Op 3 juli 2024 werd de CT-scan verricht. De radioloog noteerde onder het kopje
Conclusie: “Minimale verdere afname van de laesie ter plaatse van linker hilus en
linkerbijnier. Verspreid vlekkige alveolaire consolidaties rondom de linker hilus en in de linker
bovenkwab, waarschijnlijk nog infectieus. Verder geen nieuwe laesies.”

3.12 Klaagster kwam op 8 juli 2024 op het spreekuur van de collega longarts en besprak
de hiervoor genoemde uitslag. De collega longarts noteerde in het dossier dat zij moest
opletten op de afwijking die gezien was in de onderpool van de linker longkwab. De collega
longarts had hierover nog overleg met de radioloog, in dit overleg werd geconcludeerd dat
de afwijkingen waarschijnlijk door een infectie kwamen. Afgesproken werd om een extra
controle CT-scan te laten maken over zes weken.

3.13 Op 1 augustus 2024 werd de extra CT-scan gemaakt. De radioloog noteerde onder
het kopje Conclusie het volgende: “Globaal ongewijzigd aspect van de restlaesie ter plaatse
van de linkerhilus en linkerbijnier. Onveranderd aspect van de vlekkige consolidaties rondom
de linker hilus, geen evidente resorptie. Overwegen PET CT.”

3.14 Op 5 augustus 2024 kwam klaagster bij een andere collega longarts op het
spreekuur. Er werd niet met klaagster besproken dat de radioloog aan de longartsen een PET
CT scan ter overweging had gegeven.

3.15 Diezelfde dag vond een multidisciplinair overleg (MDO) longoncologie plaats waarin
de suggestie van de radioloog om een PET CT scan bij klaagster te laten maken werd
besproken. De conclusie was dat er waarschijnlijk sprake was van een infectie en dat er op
dat moment geen indicatie was voor een aanvullende PET scan.

3.16 Op 2 september 2024 kwam klaagster voor controle bij de collega longarts.

3.17 Op 4 september 2024 vond er een telefonisch consult plaats op verzoek van
klaagster. Klaagster had in het patiëntenplatform E de suggestie van de radioloog gelezen
om een PET scan te overwegen en was ontstemd dat dit niet met haar was besproken.
Klaagster wenste een gesprek hierover. Dit gesprek vond plaats op 10 september 2024, de
longarts was hierbij verder niet betrokken. Hierover is voor zover van belang vermeld in het
dossier: “(…) Iom MDO en radioloog is CT afgegeven als stabiel en de te vervolgen
afwijkingen in pulmo tov juli geduid als rest infectieus. Daarop werd besloten dat er geen
indicatie is voor een PET op dat moment en zo is verdere follow up afgesproken.(..)”

3.18 Hierna kwam klaagster nog bij andere longartsen en een longarts in opleiding op het
spreekuur. De laatste immunotherapiebehandeling vond plaats op 23 december 2024.

3.19 Op 25 januari 2025 sprak de longarts klaagster weer op het spreekuur. De uitslag
van de laatst gemaakte CT-scan van 24 januari 2025 werd besproken. De radioloog
concludeerde, ten opzichte van de scan die gemaakt was in oktober 2024, een stabiel beeld.
De longarts heeft klaagster hiervan op de hoogte gebracht en ook dat er geen reden was om
af te wijken van de reguliere controle en dat klaagster daarom over een half jaar weer een
CT-onderzoek zou krijgen.

3.20 Op 3 maart 2025 heeft de collega longarts antibiotica voorgeschreven voor vijf dagen
in verband met het feit dat klaagster bloed ophoestte. Er werd een telefonische
controleafspraak gemaakt voor over vijf dagen met de afspraak dat klaagster contact op zou
nemen als de klachten zouden aanhouden.

3.21 Klaagster verscheen na de telefonische controleafspraak voor een reguliere controle
op 11 maart 2025 bij een andere collega longarts. Het bloed ophoesten werd geduid in het
kader van een infectie. Klaagster had op dat moment geen klachten meer. Er werd een
longfoto gemaakt die geen bijzonderheden opleverde.

3.22 Op 25 maart 2025 belde klaagster naar de polikliniek, omdat zij wederom meerdere
keren bloed ophoestte. Hierna volgde een bezoek aan de spoedeisende hulp en een opname
op de afdeling. Tijdens de opname werd klaagster behandeld met antibiotica en werd een
bronchoscopie verricht en een CT-scan. De CT-scan liet na herbeoordeling op 27 maart 2025
een toename van afwijkingen zien ten opzichte van de CT-scan die eind oktober 2024 was
gemaakt. Klaagster werd op 28 maart 2025 uit het ziekenhuis ontslagen.

3.23 Op 31 maart 2025 werd een PET scan gemaakt. Hierop werd een plekje gezien
waarvan het vermoeden bestond dat deze kwaadaardig was. Dit werd door een andere
collega longarts aan klaagster op 1 april 2025 medegedeeld.

3.24 Op 7 april 2025 vond het multidisciplinair overleg longoncologie plaats en werd
klaagster besproken. Besloten werd om klaagster naar de afdeling radiotherapie te verwijzen
voor verdere behandeling. Klaagster werd op 8 april 2025 hierover geïnformeerd door de
collega longarts en met spoed naar de afdeling radiotherapie verwezen, ook werd een
bronchoscopie gepland om te kijken waar het bloed dat zij ophoestte precies vandaan kwam.

3.25 Klaagster kwam op 18 april 2025 zonder afspraak de spreekkamer van de collega
longarts binnengelopen. Ze was boos dat de afwijking in de linker onderkwab niet in de
eerdere CT-scans was gezien. Omdat het bloed ophoesten was gestopt, zegde ze de
bronchoscopie afspraak af. De collega longarts sprak af om op een ander moment aan de
hand van de CT-scans het beloop door te spreken.

3.26 Dit gesprek vond plaats op 28 april 2025. De conclusie was dat het vertrouwen van
klaagster weg was en dat zij zou worden verwezen naar het F, waar zij door haar
tussentijdse verhuizing ook dichter in de buurt woonde.

3.27 Op 4 juni 2025 vond nog een evaluatiegesprek plaats waarbij klaagster, haar
echtgenoot, de collega van de longarts en de longarts aanwezig waren. Het gesprek eindigde
niet in goede harmonie. Klaagster vertrok vroegtijdig. Met de echtgenoot werd nog
besproken dat de vervolgafspraken verder in het F zouden plaatsvinden.


4. De klacht
4.1 Klaagster verwijt de longarts dat zij niet eerder de uitzaaiing in haar linkerlong heeft
vastgesteld en behandeld. Deze was in januari 2024 al te zien op een CT-scan en als in
augustus 2024 een PET-scan was gemaakt, zoals de radioloog had geadviseerd, dan had dit
eerder kunnen worden vastgesteld en behandeld. In plaats daarvan is klaagster in januari
2025 door de longarts ten onrechte naar huis gestuurd met het advies om over een half jaar
terug te komen, omdat alles er stabiel uitzag.

4.2 De longarts heeft het college verzocht de klacht van klaagster kennelijk ongegrond te
verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de longarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende longarts. Bij de
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de longarts geldende beroepsnormen en
andere professionele standaarden. Het uitgangspunt is dat zorgverleners alleen
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2 Het college oordeelt dat de longarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Het niet eerder vaststellen en behandelen van de uitzaaiing
5.3 Het college heeft oog voor de boosheid en het verdriet van klaagster dat er bij haar
in maart 2025 een uitzaaiing is geconstateerd, die in eerste instantie niet als zodanig is
herkend. Dit zal voor klaagster een heel ingrijpende ervaring zijn (geweest). De vraag die
het college in deze procedure moet beantwoorden is of de betrokken longarts op het moment
dat klaagster onder controle was - met de kennis die er op dat moment was - heeft
gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam longarts mag worden
verwacht. Het handelen of nalaten kan dus niet worden beoordeeld met de kennis en
wetenschap achteraf. Het college betrekt bij zijn beoordeling dus niet datgene dat bekend is
geworden na de opname van klaagster op 25 maart 2025.

5.4 De behandeling die klaagster heeft gehad met chemotherapie, bestraling en
immunotherapie leidt tot restschade aan het longweefsel. Het is daarom gebruikelijk dat op
controle CT-scans afwijkingen zichtbaar zijn. Hoe deze afwijkingen moeten worden geduid, of
sprake is van (nieuw/ander) kwaadaardig weefsel, een ontsteking of restschade ten gevolge
van de behandeling is daarom meestal niet eenvoudig te duiden. Daarom wordt bij een
beoordeling van de uitslag van een scan door de behandelend longarts niet alleen gekeken
naar het beeld op de scan zelf -zoals de radioloog doet-, maar naar het totale klinische beeld
van de patiënt. Bij de interpretatie van de bevindingen van de radioloog wordt door de
behandelend longarts ook meegenomen of de patiënt bepaalde klachten heeft en wat
bijvoorbeeld het bloedbeeld laat zien. Vanwege deze bredere beoordeling is er naar
aanleiding van de suggestie van de radioloog op 1 augustus 2024 bij de extra controle CTscan
om een PET scan te overwegen in het multidisciplinaire overleg longoncologie besloten
om hiervan op dat moment af te zien. De afwijkingen die zichtbaar waren op de CT-scan
pasten naar het oordeel van de longartsen op dat moment beter in het beeld van een
ontsteking, of de resten daarvan, gezien de klachten waarmee klaagster zich in juli 2024 nog
presenteerde in combinatie met de schade door de behandeling de klaagster had ondergaan.

5.5 Op basis van al het voorgaande oordeelt het college dat een redelijk bekwaam en
redelijk handelend longarts deze beoordeling op dat moment zo had kunnen maken. Het is
voor klaagster buitengewoon ingrijpend dat achteraf blijkt dat wel sprake was een
kwaadaardige uitzaaiing. Dit maakt echter de afwegingen en beoordeling op het moment dat
deze werd gedaan en met de gegevens die toen bekend waren, niet verkeerd. De longarts
heeft op 25 januari 2025 op basis van wat er toen bekend was en met de CT-uitslagen van
dat moment op goede gronden kunnen overwegen dat de situatie van klaagster stabiel was.
Dit was immers ook de conclusie van de radioloog naar aanleiding van de CT-scan en
klaagster had op dat moment ook geen klachten. Volgens de geldende behandelprotocollen
was het daarom op dat moment standaard beleid om klaagster met een interval van zes
maanden weer terug te zien. Het college komt daarom tot de conclusie dat de longarts heeft
gehandeld conform de professionele standaard en dat de behandeling en controle van
klaagster niet onzorgvuldig is geweest.


Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.


6. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 31 juli 2026 door Y. Sneevliet, voorzitter, P. Baas en
B.E.E.M. van den Borne, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door A. Tingen, secretaris.