ECLI:NL:TGZRAMS:2026:187 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8637
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:187 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-07-2026 |
| Datum publicatie: | 31-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8637 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een longarts. Het is voor klaagster buitengewoon ingrijpend dat achteraf blijkt dat wel sprake was een kwaadaardige uitzaaiing. Dit maakt echter de afwegingen en beoordeling gedurende het behandeltraject van klaagster, met de gegevens die toen bekend waren, niet verkeerd. Het college komt daarom tot de conclusie dat de longarts heeft gehandeld conform de professionele standaard en dat de behandeling en controle van klaagster niet onzorgvuldig is geweest. |
A2025/8637
Beslissing van 31 juli 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 31 juli 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
longarts,
destijds werkzaam in D,
verweerster, hierna ook: de longarts,
gemachtigde: mr. M.J.J. de Ridder, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Bij klaagster is longkanker geconstateerd in september 2023. Zij is hiervoor
onder behandeling geweest bij de longarts en een aantal collega longartsen. In januari
2025 werd zij in het kader van follow-up controle geadviseerd door een collega van
de longarts (zaaknummer A2025/8638) om over een half jaar terug te komen voor een
CT-scan, omdat haar medische situatie op dat moment stabiel was. In maart 2025 hoestte
klaagster bloed op en bleek kort daarna dat sprake was van een uitzaaiing in haar
linkerlong, waarvoor een behandeling met bestraling volgde. Klaagster verwijt de longarts
dat de uitzaaiing niet eerder is gediagnostiseerd en behandeld, omdat op de CT-scan
gemaakt op 21 januari 2024 al een nieuw plekje te zien was op haar linkerlong en het
advies in augustus 2024 van de radioloog om een PET-scan te laten maken is genegeerd.
1.2 De longarts stelt zich op het standpunt dat zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, omdat in januari 2024 nog niet duidelijk was dat sprake was van een uitzaaiing. Het plekje werd toen geduid als een ontsteking of schade door de behandeling. Klaagster is in de daaropvolgende periode volgens protocol gecontroleerd door regelmatig CT-scans te maken. In het multidisciplinair overleg werd besloten dat een PET-scan in augustus 2024 niet aangewezen was, omdat op dat moment werd gedacht dat een restontsteking de meest waarschijnlijke verklaring was voor het afwijkende beeld op de CT-scan.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 16 juni 2025;
- de aanvullende klaagschriften ontvangen op 1 en 16 augustus 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de repliek met bijlage, binnengekomen op 29 januari 2026;
- de dupliek, binnengekomen op 19 februari 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Er heeft uiteindelijk geen mondeling vooronderzoek plaatsgevonden, maar een tweede schriftelijke ronde wegens gezondheidsredenen van klaagster.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. De feiten
3.1 Op 20 september 2023 is bij klaagster een niet-kleincellig longcarcinoom vastgesteld.
Zij heeft hiervoor een behandeling gehad met chemotherapie en radiotherapie en hierna,
gedurende een jaar, immunotherapie.
3.2 De longarts is samen met een aantal collega longartsen betrokken geweest bij de behandeling en de follow-up controle van klaagster.
3.3 Volgens protocol wordt in het eerste jaar van de behandeling ter controle om de drie maanden een CT-scan gemaakt en in het tweede jaar om het half jaar. Bij klachten of op andere indicatie wordt er zo nodig een extra CT-onderzoek ingelast.
3.4 Een collega longarts (zaaknummer A2025/8638, hierna steeds collega longarts) heeft klaagster op 12 januari 2024 op het spreekuur gezien. Klaagster was op dat moment nog bezig met de immunotherapie. Klaagster had wat vragen over het CT-verslag van 29 november 2023 en deze werden besproken. De collega longarts heeft een en ander nagevraagd bij de radioloog.
3.5 Op 25 januari 2024 is een controle CT-scan gemaakt. In het verslag hiervan is
onder het kopje Conclusie voor zover van belang opgenomen: ”(…) -Enkele nieuwe noduli met name in de linkerbovenkwab (en twee in de rechter en
linker onderkwab) d.d. Metastasen d.d. pseudoprogressie bij immunotherapie.
-Nieuwe consolidatie in de linkerbovenkwab, meest passend bij postirradiaire consolidatie
d.d. infectieus. (..)”
3.6 Op 29 januari 2024 kwam klaagster op het spreekuur van de longarts en zij besprak de uitslag van de CT-scan van 25 januari 2024. De longarts legde uit dat er afwijkingen gezien waren door de radioloog in de linkerbovenkwab, maar dat dat waarschijnlijk een infectie was, dan wel dat dit het gevolg was van de eerdere behandeling. De longarts noteerde hierover in het dossier: “(..) Enige tijd gesproken over uitslag CT. Lastig. Nu wrsch infectieus dan wel effect RT/immuno, dus door durvalumab. (..)”. Besloten werd om over zes weken een nieuwe CT-scan te laten maken.
3.7 Op 12 februari 2024 kwam klaagster weer op het spreekuur van de longarts. Ze besprak haar ongerustheid over de uitslag van de laatst gemaakte CT-scan. De longarts heeft uitgelegd dat de CT-scan over vier weken moest worden afgewacht.
3.8 Op 7 maart 2024 werd een nieuwe CT-scan gemaakt. In het verslag noteerde de radioloog onder het kopje Conclusie: “Onveranderde rest laesie links hilair. Afname /resorptie van eerder nieuw ontstane noduli in de linkerlong, derhalve te duiden in het kader van chemoradiatie.”
3.9 Op 10 maart 2024 werd bovengenoemde uitslag door de longarts besproken met klaagster.
3.10 Op 17 juni 2024 kwam klaagster bij de collega longarts op het spreekuur in verband met bovenste luchtwegklachten en verhoging. Er werd door de collega longarts antibiotica voorgeschreven, een sputumkweek afgenomen en de geplande CT scan voor 20 juni 2024 werd met tien dagen uitgesteld.
3.11 Op 3 juli 2024 werd de CT-scan verricht. De radioloog noteerde onder het kopje Conclusie: “Minimale verdere afname van de laesie ter plaatse van linker hilus en linkerbijnier. Verspreid vlekkige alveolaire consolidaties rondom de linker hilus en in de linker bovenkwab, waarschijnlijk nog infectieus. Verder geen nieuwe laesies.”
3.12 Op 8 juli 2024 kwam klaagster op het spreekuur van de longarts en besprak de hiervoor genoemde uitslag. De longarts noteerde in het dossier dat zij moest opletten op de afwijking die gezien was in de onderpool van de linker longkwab. De longarts had hierover nog overleg met de radioloog, in dit overleg werd geconcludeerd dat de afwijkingen waarschijnlijk door een infectie kwamen. Afgesproken werd om een extra controle CT-scan te laten maken over zes weken.
3.13 Op 1 augustus 2024 werd de extra CT-scan gemaakt. De radioloog noteerde onder
het kopje Conclusie het volgende: “Globaal ongewijzigd aspect van de restlaesie ter plaatse
van de linkerhilus en linkerbijnier. Onveranderd aspect van de vlekkige consolidaties
rondom de linker hilus, geen evidente resorptie. Overwegen PET CT.”
3.14 Op 5 augustus 2024 kwam klaagster bij een andere collega longarts op het spreekuur. Er werd niet met klaagster besproken dat de radioloog aan de longartsen een PET CT scan ter overweging had gegeven.
3.15 Diezelfde dag vond een multidisciplinair overleg (MDO) longoncologie plaats waarin de suggestie van de radioloog om een PET CT scan bij klaagster te laten maken werd besproken. De conclusie was dat er waarschijnlijk sprake was van een restinfectie en dat er op dat moment geen indicatie was voor een aanvullende PET scan.
3.16 Op 2 september 2024 kwam klaagster weer voor controle bij de longarts.
3.17 Op 4 september 2024 vond er een telefonisch consult plaats op verzoek van klaagster. Klaagster had in het patiëntenplatform E de suggestie van de radioloog gelezen om een PET scan te overwegen en was ontstemd dat dit niet met haar was besproken. Klaagster wenste een gesprek hierover. Dit gesprek vond plaats op 10 september 2024, de longarts was hierbij aanwezig. Hierover is voor zover van belang vermeld in het dossier: “(…) Iom MDO en radioloog is CT afgegeven als stabiel en de te vervolgen afwijkingen in pulmo tov juli geduid als rest infectieus. Daarop werd besloten dat er geen indicatie is voor een PET op dat moment en zo is verdere follow up afgesproken.(..)”
3.18 Hierna kwam klaagster nog bij andere longartsen en een longarts in opleiding op het spreekuur. De laatste immunotherapiebehandeling vond plaats op 23 december 2024.
3.19 Op 25 januari 2025 sprak de collega longarts klaagster op het spreekuur. De uitslag van de laatst gemaakte CT-scan van 24 januari 2025 werd besproken. De radioloog concludeerde, ten opzichte van de scan die gemaakt was in oktober 2024, een stabiel beeld. De collega longarts heeft klaagster hiervan op de hoogte gebracht en ook dat er geen reden was om af te wijken van de reguliere controle en dat klaagster daarom over een half jaar weer een CT-onderzoek zou krijgen.
3.20 Op 3 maart 2025 heeft de longarts antibiotica voorgeschreven voor vijf dagen in verband met het feit dat klaagster bloed ophoestte. Er werd een telefonische controleafspraak gemaakt voor over vijf dagen met de afspraak dat klaagster contact op zou nemen als de klachten zouden aanhouden.
3.21 Klaagster verscheen na de telefonische controleafspraak voor een reguliere controle
op 11 maart 2025 bij een andere collega longarts. Het bloed ophoesten werd geduid
in het kader van een infectie. Klaagster had op dat moment geen klachten meer. Er
werd een longfoto gemaakt die geen bijzonderheden opleverde.
3.22 Op 25 maart 2025 belde klaagster naar de polikliniek, omdat zij wederom meerdere
keren bloed ophoestte. Hierna volgde een bezoek aan de spoedeisende hulp en een opname
op de afdeling. Tijdens de opname werd klaagster behandeld met antibiotica en werd
een bronchoscopie verricht en een CT-scan. De CT-scan liet na herbeoordeling op 27
maart 2025 een toename van afwijkingen zien ten opzichte van de CT-scan die eind oktober
2024 was gemaakt. Klaagster werd op 28 maart 2025 uit het ziekenhuis ontslagen.
3.23 Op 31 maart 2025 werd een PET scan gemaakt. Hierop werd een plekje gezien waarvan het vermoeden bestond dat deze kwaadaardig was. Dit werd door een andere collega longarts aan klaagster op 1 april 2025 medegedeeld.
3.24 Op 7 april 2025 vond het multidisciplinair overleg longoncologie plaats en werd klaagster besproken. Besloten werd om klaagster naar de afdeling radiotherapie te verwijzen voor verdere behandeling. Klaagster werd op 8 april 2025 hierover geïnformeerd door de longarts en met spoed naar de afdeling radiotherapie verwezen, ook werd een bronchoscopie gepland om te kijken waar het bloed dat zij ophoestte precies vandaan kwam.
3.25 Klaagster kwam op 18 april 2025 zonder afspraak de spreekkamer van de longarts binnengelopen. Ze was boos dat de afwijking in de linker onderkwab niet in de eerdere CT-scans was gezien. Omdat het bloed ophoesten was gestopt, zegde ze de bronchoscopie afspraak af. De longarts sprak af om op een ander moment aan de hand van de CT-scans het beloop door te spreken.
3.26 Dit gesprek vond plaats op 28 april 2025. De conclusie was dat het vertrouwen van klaagster weg was en dat zij zou worden verwezen naar het F, waar zij door haar tussentijdse verhuizing ook dichter in de buurt woonde.
3.27 Op 4 juni 2025 vond nog een evaluatiegesprek plaats waarbij klaagster, haar echtgenoot, de collega van de longarts en de longarts aanwezig waren. Het gesprek eindigde niet in goede harmonie. Klaagster vertrok vroegtijdig. Met de echtgenoot werd nog besproken dat de vervolgafspraken verder in het F zouden plaatsvinden.
4. De klacht
4.1 Klaagster verwijt de longarts dat zij niet eerder de uitzaaiing in haar linkerlong
heeft vastgesteld en behandeld. Deze was in januari 2024 al te zien op een CT-scan
en als in augustus 2024 een PET-scan was gemaakt, zoals de radioloog had geadviseerd,
dan had dit eerder kunnen worden vastgesteld en behandeld. In plaats daarvan is klaagster
in januari 2025 door een collega longarts ten onrechte naar huis gestuurd met het
advies om over een half jaar terug te komen, omdat alles er stabiel uitzag.
4.2 De longarts heeft het college verzocht de klacht van klaagster kennelijk ongegrond
te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de longarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende longarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de longarts geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Het uitgangspunt is dat zorgverleners alleen
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de longarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Het niet eerder vaststellen en behandelen van de uitzaaiing
5.3 Het college heeft oog voor de boosheid en het verdriet van klaagster dat er
bij haar in maart 2025 een uitzaaiing is geconstateerd, die in eerste instantie niet
als zodanig is herkend. Dit zal voor klaagster een heel ingrijpende ervaring zijn
(geweest). De vraag die het college in deze procedure moet beantwoorden is of de betrokken
longarts op het moment dat klaagster onder controle was - met de kennis die er op
dat moment was - heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam
longarts mag worden verwacht. Het handelen of nalaten kan dus niet worden beoordeeld
met de kennis en wetenschap achteraf. Het college betrekt bij zijn beoordeling dus
niet datgene dat bekend is geworden na de opname van klaagster op 25 maart 2025.
5.4 De behandeling die klaagster heeft gehad met chemotherapie, bestraling en immunotherapie
leidt tot restschade aan het longweefsel. Het is daarom gebruikelijk dat op controle
CT-scans afwijkingen zichtbaar zijn. Hoe deze afwijkingen moeten worden geduid, of
sprake is van (nieuw/ander) kwaadaardig weefsel, een ontsteking of restschade ten
gevolge van de behandeling is daarom meestal niet eenvoudig te duiden. Dit maakt dat
de longarts in januari 2024 de verschillende mogelijkheden heeft overwogen en een
extra CT-scan in maart 2024 heeft laten maken om te kijken hoe de situatie zich zou
ontwikkelen. De uitslag van de CT-scan in maart 2024 paste vervolgens bij de conclusie
van de radioloog dat het beeld paste bij restschade vanwege de eerdere behandeling.
Bij de beoordeling van de uitslag van een scan door de behandelend longarts wordt
daarbij niet alleen gekeken naar het beeld op de scan zelf -zoals de radioloog doet-,
maar naar het totale klinische beeld van de patiënt. Bij de interpretatie van de bevindingen
van de radioloog wordt door de behandelend longarts ook meegenomen of de patiënt bepaalde
klachten heeft en wat bijvoorbeeld het bloedbeeld laat zien. Vanwege deze bredere
beoordeling is er naar aanleiding van de suggestie van de radioloog op 1 augustus
2024 bij de extra controle CT-scan om een PET scan te overwegen, in het multidisciplinaire
overleg longoncologie besloten om hiervan op dat moment af te zien.
De afwijkingen die zichtbaar waren op de CT-scan pasten naar het oordeel van de
longartsen op dat moment beter in het beeld van een ontsteking, of de resten daarvan,
gezien de klachten waarmee klaagster zich half juni 2024 nog presenteerde in combinatie
met de schade door de behandeling die klaagster had ondergaan.
5.5 Op basis van al het voorgaande oordeelt het college dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend longarts deze beoordeling op dat moment zo had kunnen maken. De longarts heeft deze conclusie ook tijdens het gesprek met klaagster op 10 september 2024 nader toegelicht. Het is voor klaagster buitengewoon ingrijpend dat achteraf blijkt dat wel sprake was een kwaadaardige uitzaaiing. Dit maakt echter de afwegingen en beoordeling door de longarts gedurende het behandeltraject van klaagster, met de gegevens die toen bekend waren, niet verkeerd. Het college komt daarom tot de conclusie dat de longarts heeft gehandeld conform de professionele standaard en dat de behandeling en controle van klaagster niet onzorgvuldig is geweest.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 31 juli 2026 door Y. Sneevliet, voorzitter, P. Baas
en
B.E.E.M. van den Borne, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door A. Tingen, secretaris.