ECLI:NL:TGZRAMS:2026:184 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9009
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:184 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 29-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/9009 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De voorzitter overweegt dat hij op basis van het dossier niet kan vaststellen of aanleiding heeft om te veronderstellen dat de psychiater klaagster onheus of onbehoorlijk heeft bejegend. De psychiater ontkent dat dit zo is en deze beschuldigingen zijn niet concreet toegelicht of onderbouwd. De voorzitter kan bij deze tegenstrijdige lezing van de feiten zonder nadere bevestiging van de lezing van klaagster niet in het nadeel van de psychiater uitgaan van wat klaagster over de bejegening heeft gezegd. Dit betekent dat de voorzitter niet kan vaststellen dat de psychiater tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat de klacht kennelijk ongegrond is. |
A2025/9009
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 22 juni 2026 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende in B, klaagster,
tegen
C,
psychiater, werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de psychiater, gemachtigde: mr. E.E. Rippen, werkzaam in
Utrecht.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 18 september 2025;
- de aanvulling op het klaagschrift, ontvangen per e-mail van 3 december 2025;
- het verweerschrift met de bijlage;
- het proces-verbaal van het op 30 april 2026 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2. Waar gaat de zaak over?
2.1 Klaagster heeft een klacht ingediend tegen de psychiater van de Psychiatrische
Afdeling
Algemeen Ziekenhuis (PAAZ) van het E in D, waar klaagster destijds vrijwillig was
opgenomen vanwege
een behandeling voor gefaseerd gewichtsherstel. Klaagster verwijt de psychiater
dat hij
grensoverschrijdende (kleinerende) uitspraken heeft gedaan in een behandelbespreking
op 30 juli
2025. De psychiater heeft zich op het standpunt gesteld dat de klacht (kennelijk)
ongegrond moet
worden verklaard.
2.2 De voorzitter komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet inhoudelijk behoeft te worden besproken. Voor die beslissing is het volgende
van belang.
3. De overwegingen
3.1 De voorzitter stelt vast dat de behandelbespreking op 30 juli 2025 plaatsvond
in aanwezigheid
van een verpleegkundige specialist in opleiding, een ANIOS, een verpleegkundige,
de psychiater
(verweerder), klaagster en haar moeder. De psychiater was niet de behandelend psychiater
van
klaagster, maar nam waar voor een collega.
3.2 Volgens klaagster maakte de psychiater tijdens het gesprek een ongeïnteresseerde
indruk en
heeft hij kleinerende opmerkingen gemaakt. Bij het mondelinge vooronderzoek heeft
zij aangegeven
dat er door de psychiater over haar slaapproblematiek een kleinerende opmerking
over een babyfoon
is gemaakt en dat klaagster het gevoel kreeg dat de psychiater een front tegenover
haar probeerde
te creëren. Ook heeft klaagster aangegeven dat de psychiater zich bedreigend zou
hebben opgesteld.
3.3 De psychiater herkent zich niet in het beeld dat klaagster van het gesprek heeft
geschetst.
Tijdens het mondelinge vooronderzoek heeft hij, evenals in het verweerschrift, de
context van de
opmerking van de babyfoon uitgelegd. Zijn bedoeling was om met klaagster, onder
meer, te spreken
over haar slaapproblematiek. Het kan zijn dat de opmerkingen wat confronterend zijn
overgekomen.
Tijdens het mondelinge vooronderzoek aangegeven dat het hem spijt als klaagster
zich in de knel
heeft gevoeld.
3.4 De voorzitter overweegt dat klaagster en de psychiater een andere herinnering
van het gesprek
op 30 juli 2025 hebben. De voorzitter overweegt dat hij op basis van het dossier
niet kan
vaststellen of aanleiding heeft om te veronderstellen dat de psychiater klaagster
onheus of
onbehoorlijk heeft bejegend. De psychiater ontkent dat dit zo is en deze beschuldigingen
zijn niet
concreet toegelicht of onderbouwd. De voorzitter kan bij deze tegenstrijdige lezing
van de feiten
zonder nadere bevestiging van de lezing van klaagster niet in het nadeel van de
psychiater uitgaan
van wat klaagster over de bejegening heeft gezegd. Dit betekent dat de voorzitter
niet kan
vaststellen dat de psychiater tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat
de klacht
kennelijk ongegrond is.
4. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 22 juni 2026 door Geert Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.