ECLI:NL:TGZRAMS:2026:182 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2026/9570
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:182 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-06-2026 |
| Datum publicatie: | 29-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2026/9570 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. De klacht gaat over het handelen van de arts ten tijde van de opname van de dochter van klaagster op de intensive care en rondom de euthanasie van de dochter van klaagster. De arts heeft aangevoerd dat klaagster niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende, aangezien er geen sprake is geweest van een behandelrelatie tussen haar en de dochter van klaagster en dat zij en de dochter uitsluitend een vriendschappelijke privérelatie hadden. Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht. |
A2026/9570
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Voorzittersbeslissing van 4 juni 2026 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
arts,
verweerster, hierna ook: de arts.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met fotobijlage, ontvangen op 27 januari 2026;
- het verweerschrift;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 4 mei 2026.
2. De overwegingen
2.1 De voorzitter moet beoordelen of klaagster in haar klacht kan worden ontvangen.
De voorzitter is van oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in de klacht,
omdat duidelijk is dat de klacht niet inhoudelijk kan worden behandeld. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen. Voor die
beslissing is het volgende van belang.
2.2 De klacht gaat – verkort en zakelijk weergegeven – over het handelen van de arts ten tijde van de opname van de dochter van klaagster op de intensive care (IC) en rondom de euthanasie van de dochter van klaagster. Volgens klaagster heeft de arts foto’s van apparatuur gemaakt op de IC en heeft de arts klaagster de toegang tot de woning van haar dochter belet. Klaagster verwijt de arts dat zij bij haar dochter is weggehouden. In het aanvullend klaagschrift heeft klaagster aangevoerd dat de arts in strijd met wat van een arts zou mogen worden verwacht heeft gehandeld en dat sprake zou zijn van – zo begrijpt de voorzitter – overschrijding van de tweede tuchtnorm.
2.3 De arts heeft aangevoerd dat klaagster niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de zin van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), aangezien er geen sprake is geweest van een behandelrelatie tussen haar en de dochter van klaagster en dat zij en de dochter uitsluitend een vriendschappelijke privérelatie hadden. Uitsluitend uit hoofde van die verstandhouding was de arts aanwezig op de IC, en zij heeft geen medische handelingen verricht dan wel medische beslissingen genomen.
Valt de klacht onder de eerste tuchtnorm?
2.4 Allereerst moet worden beoordeeld of de klacht onder een van de twee tuchtnormen
valt. Bij de eerste tuchtnorm wordt gekeken of er sprake is geweest van een behandelrelatie.
Deze tuchtnorm staat omschreven in artikel 47 lid 1, aanhef en onder a, van de Wet
BIG. Uit het dossier blijkt niet dat tussen klaagster dan wel de dochter van klaagster
en de arts een behandelrelatie heeft bestaan of dat de arts anderszins bij de behandeling
van de dochter van klaagster betrokken is geweest. De eerste tuchtnorm is daarom niet
van toepassing.
Valt de klacht onder de tweede tuchtnorm?
2.5 De volgende vraag is of de gedragingen waarover geklaagd wordt onder de tweede
tuchtnorm vallen, die is neergelegd in artikel 47 lid 1, aanhef en onder b Wet BIG.
Hierbij is onder meer vereist dat het handelen of nalaten voldoende weerslag heeft
op de individuele gezondheidszorg.
2.6 De voorzitter is van oordeel dat het handelen van de arts niet op grond van de tweede tuchtnorm kan worden beoordeeld. De klacht wordt alleen inhoudelijk behandeld als die voldoende verband houdt met de individuele gezondheidszorg. Daarvan is naar het oordeel van de voorzitter geen sprake. Dit maakt dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in haar klacht. Aan het beoordelen van de vraag of klaagster klachtgerechtigd in de zin van artikel 65, eerste lid, van de Wet BIG is, komt de voorzitter dan ook niet toe.
3. De beslissing
Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk in de klacht.
Deze beslissing is gegeven op 4 juni 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter,
bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.