ECLI:NL:TGZRAMS:2026:167 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8847
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2026:167 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 10-07-2026 |
| Datum publicatie: | 10-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | A2025/8847 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijke ongegronde klacht tegen een psychiater. Klaagster vindt dat de psychiater haar rondom de crisismaatregel niet heeft onderzocht of gehoord, dat zonder medische grondslag tijdelijk verplichte zorg is toegepast, dat de verslaglegging daarvan onvolledig en onjuist is, dat de professionele standaard en zorgvuldigheidsplicht zijn geschonden en dat onjuiste en tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd over de medicatie. Het college is van oordeel dat de psychiater klaagster voldoende heeft gehoord, aangezien zijn enkele rol het beoordelen van de separeerindicatie was. De andere verwijten treffen geen doel omdat de psychiater geen verdere betrokkenheid had bij de casus van klaagster. |
A2025/8847
Beslissing van 10 juli 2026
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 10 juli 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
psychiater,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. D, werkzaam te B.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft in 2024 een crisismaatregel opgelegd gekregen en heeft een tuchtklacht
ingediend tegen de drie psychiaters, onder wie verweerder, die haar hebben gezien
in de periode rondom de crisismaatregel. Klaagster verwijt de psychiaters dat is nagelaten
om haar voorafgaand aan de beoordeling van de crisismaatregel te onderzoeken en te
horen, dat er tijdelijk verplichte zorg is toegepast zonder medische onderbouwing,
dat er geen volledige en correcte verslaglegging van de verplichte zorg heeft plaatsgevonden
in het medisch dossier, dat er een schending is van de professionele standaard en
zorgvuldigheidsplicht en dat er onwaarheden en tegenstrijdige verklaringen zijn afgegeven
rondom de medicatie in de nacht van 22 op 23 oktober 2024.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 30 juli 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlage;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 17 februari 2026;
- de e-mail van klaagster van 22 mei 2026, met een reactie op het proces-verbaal
van het mondelinge vooronderzoek en een verzoek om de drie samenhangende zaken alsnog
in openbare behandeling te nemen (het college begrijpt op een openbare zitting te
behandelen).
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. Het verzoek van klaagster om de zaak op een zitting te behandelen wordt afgewezen, aangezien het college het niet nodig acht om (nadere) vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard.
3. De feiten
3.1 Klaagster is op 22 oktober 2024 uit haar woning gehaald door de politie en een
ambulance van de E (hierna: E), omdat er zorgen waren geuit over haar gedrag. Bij
binnenkomst op de E is klaagster overgebracht naar de Spoedeisende Psychiatrie Onderzoeksruimte
(hierna: SPOR).
3.2 Na aankomst in de SPOR is klaagster beoordeeld door een collega van de psychiater, de dienstdoende psychiater van die nacht (zaaknummer A2025/8846). Zij heeft klaagster gezien en beoordeeld, waarna zij een crisismaatregel heeft aangevraagd.
3.3 De volgende ochtend, op 23 oktober 2024, heeft verweerder klaagster kort gezien en gesproken. Hij was dienstdoende psychiater van de dagdienst en heeft beoordeeld of er nog een indicatie voor separatie was of dat klaagster kon worden overgeplaatst naar een reguliere kamer. De psychiater oordeelde dat er geen separatie indicatie was, waarna klaagster is overgebracht naar de Tijdelijke Overbrugging Afdeling (hierna: TOA).
3.4 Op 24 oktober 2024 heeft een andere collega van de psychiater (zaaknummer A2025/8845) klaagster gezien en gesproken als dienstdoende psychiater van de TOA. Ook was deze psychiater aanwezig bij de zitting over de voortzetting van de crisismaatregel. Uiteindelijk heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake was van doelmatigheid in de zin van artikel 3:3 van de Wet verplichte ggz (hierna: Wvggz) en is klaagster diezelfde dag naar huis ontslagen.
4. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
4.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners
alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
4.2 Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
4.3 Klaagster heeft een aantal klachtonderdelen geformuleerd die gaan over alle drie de psychiaters die haar hebben gezien in de periode rondom de crisismaatregel. Klaagster verwijt de psychiaters
(a) dat is nagelaten om haar voorafgaand aan de beoordeling van de crisismaatregel te onderzoeken en te horen,
(b) dat er tijdelijk verplichte zorg is toegepast zonder medische onderbouwing,
(c) dat er geen volledige en correcte verslaglegging van de verplichte zorg heeft plaatsgevonden in het medisch dossier, (d) dat er een schending is van de professionele standaard en zorgvuldigheidsplicht en
(e) dat er onwaarheden en tegenstrijdige verklaringen zijn afgegeven rondom de medicatie
in de nacht van
22 op 23 oktober 2024.
4.4 Gelet op voornoemd uitgangspunt is de psychiater alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor zijn eigen handelen. Dit maakt dat het college in deze zaak ingaat op het verwijt dat de psychiater volgens klaagster geen gelegenheid heeft geboden om met haar in gesprek te gaan op het moment dat hij haar heeft gezien op 23 oktober 2024. Naar het college begrijpt, mede gelet op wat is besproken tijdens het mondelinge vooronderzoek, doelt klaagster hier (mede) op klachtonderdeel a ‘het horen van klaagster’.
4.5 De psychiater heeft tijdens het mondelinge vooronderzoek uitgelegd dat hij de casus van klaagster overgedragen heeft gekregen en dat hij enkel moest beoordelen of de SPOR nog noodzakelijk was voor klaagster. In het gesprek met klaagster hierover heeft hij aangegeven dat er geen separatie indicatie meer was. Hij heeft wel het gevoel gekregen dat klaagster het niet fijn vond dat het gesprek hierna door hem is afgebroken.
4.6 Het college is van oordeel dat de psychiater klaagster voldoende heeft gehoord,
aangezien zijn enkele rol het beoordelen van de separeerindicatie was. Naar het
oordeel van het college heeft hij niet gehandeld in strijd met een voor hem geldende
beroepsnorm.
4.7 Tot slot stelt het college stelt vast dat de psychiater geen verdere betrokkenheid heeft gehad bij de casus van klaagster, zowel niet bij de aanvraag van de crisismaatregel als de fase voorafgaand aan zijn beoordeling van de separeerindicatie op 23 oktober 2024. Ook heeft hij geen rol gehad in de medicatietoediening aan klaagster of de registratie daarvan. De verwijten (klachtonderdelen a tot en met e) treffen daarom geen doel.
Slotsom
4.8 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
5. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 10 juli 2026 door M.M. van ‘t Nedereind, voorzitter,
E.M. Deen, lid-jurist, A.M. van Hemert, A.E. van ‘t Hoog en H.J. de Boer, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door M.A. Valé, secretaris.