ECLI:NL:TGZRAMS:2022:97 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3448

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:97
Datum uitspraak: 28-06-2022
Datum publicatie: 06-07-2022
Zaaknummer(s): A2021/3448
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een longarts. De inmiddels overleden man van klaagster kwam bij de longarts vanwege een longcarcinoom. Klaagster verwijt de longarts (1) dat hij heeft nagelaten een second opinion uit te laten voeren nadat er twijfels waren over de diagnose en (2) dat hij te laat heeft gereageerd op de mededeling van de patholoog dat een andere vorm van kanker is gediagnosticeerd en dit te laat aan patiënt heeft verteld waardoor patiënt niet goed geïnformeerd heeft kunnen kiezen voor de beste behandeling. Het college oordeelt dat de longarts de patiënt op zijn verzoek direct heeft doorverwezen naar een gespecialiseerd ziekenhuis. Ook zijn de preparaten van de biopsie doorgestuurd naar een expertisecentrum ter verdere bepaling naar de aard van de tumor. Deze uitslag is daarna direct doorgegeven aan de nieuwe behandelaar door de longarts. Daarmee heeft de longarts zijn behandeling correct afgerond en overgedragen. Kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 6 september 2021 binnengekomen klacht van:  

[A],  

wonende te [B],

klaagster,  

gemachtigde: mr. M. Koudstaal, werkzaam te Bloemendaal,

tegen

[C], 

longarts,

BIG-registratienummer: [BIG-registratienummer],

werkzaam te [D],

verweerder,

gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniëls, werkzaam te Utrecht.

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-           het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 6 september 2021;

-           het verweerschrift;

  • het proces-verbaal van het op 1 februari 2022 gehouden vooronderzoek.

Het college heeft de klacht op basis van de stukken in raadkamer van 17 mei 2022 beoordeeld.

2.         Waar gaat de zaak over?

2.1.      Klaagster is de weduwe van de in 2019 overleden patiënt van verweerder. Verweerder is als longarts werkzaam in het [E].

2.2       Op 3 december 2018 is de patiënt aangemeld op de polikliniek longziekten van het [E] in verband met een verdenking op een longcarcinoom. De patiënt heeft verschillende onderzoeken ondergaan, waaronder een biopt op 6 december 2018.

2.3        In het pathologieverslag van 12 december 2018 heeft de patholoog (onder microscopie) twee diagnosen overwogen (differentiaal diagnose): 1. een grootcellig carcinoom met neuro-endocriene differentiatie, dan wel 2. een ongedifferentieeerd kleincellig carcinoom. Op basis van de beschrijving van het celbeeld (morfologie) heeft de patholoog, na overleg met collega-pathologen van het ziekenhuis, een voorkeur uitgesproken voor de eerste diagnose.

2.4       Verweerder heeft de patiënt vervolgens medegedeeld dat er sprake was van een grootcellig longcarcinoom met neuro-endocriene differentiatie (neuro-endocrien carcinoom). De patiënt gaf tijdens dit gesprek aan doorverwezen te willen worden naar het [F]. Per brief van 13 december 2018 is de patiënt doorverwezen naar het [F]. Eind 2018 is daar een behandeling met chemotherapie gestart bestaande uit cisplatin-gemcitabine.

2.5       Op 16 januari 2019 ontving de patholoog (van het [E]) bericht dat na aanvullende diagnostiek van een expertcentrum toch een voorkeur was gemaakt voor een kleincellig carcinoom. Om verwarring bij de behandelend artsen voor te zijn heeft de patholoog de diagnose aangepast in het dossier, met verwijzing naar de nieuwe conclusie van het expertcentrum.

2.6       Op 21 januari 2019 raakte verweerder op de hoogte van deze wijziging en heeft hij per e-mail de behandelend arts in het [F] op de hoogte gesteld van deze aanpassing door de patholoog van het [E].

2.7       Op 22 februari 2019 werd deze diagnose door het [F]  bevestigd na revisie van het biopt. In maart 2019 is in het [F], na progressie van de ziekte, de behandeling gewijzigd in een chemotherapie die de voorkeursbehandeling is voor een kleincellig carcinoom.

2.8       Klaagster en de patiënt vernamen in maart 2019 dat de diagnose was gewijzigd door kennis te nemen van het elektronisch medisch dossier.

2.9       In 2019 is de patiënt overleden aan de gevolgen van het longcarcinoom.

3.         De klacht

Klaagster verwijt verweerder dat hij:

1. heeft nagelaten een second opinion uit te laten voeren nadat er op basis van de eerste punctie twijfels waren;

2. te laat heeft gereageerd op de mededeling van de patholoog dat een andere vorm van kanker is gediagnosticeerd en dit te laat aan patiënt heeft verteld waardoor patiënt niet goed geïnformeerd heeft kunnen kiezen voor de beste behandeling.

4. Het verweer

Verweerder heeft de klacht bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         Wat is het oordeel van het college?

5.1.      Ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klaagsters klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

5.2       De twee klachtonderdelen hangen zodanig samen dat het college de beide klachtonderdelen gezamenlijk zal bespreken en beoordelen.

5.3        Verweerder heeft de patiënt op zijn verzoek direct doorverwezen naar het [F] voor verdere behandeling; in die zin is sprake van een second opinion. Het [F]  is een zeer gespecialiseerd ziekenhuis op het terrein van de oncologie. Verweerder heeft de uitkomsten van het pathologieonderzoek ook doorgestuurd naar het [F] zodat het [F] zelf verder het nadere onderzoek en beleid kon bepalen. Overigens zijn de preparaten van de biopsie ook nog ter beoordeling doorgestuurd naar het [G] om verdere bepalingen te doen naar de aard van de tumor. Daarmee heeft verweerder zijn behandeling correct afgerond en overgedragen.

5.4       De diagnose grootcellig neuro-endocrien carcinoom met kleincellig fenotype en de diagnose (ongedifferentieerd) kleincellig carcinoom liggen in elkaars verlengde. Bij longkanker zijn beide vormen niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden: het zogenoemde kleincellig longcarcinoom (SCLC) kan overgaan in een niet-kleincellig longcarcinoom (NSCLC), type grootcellig neuro-endocrien longcarcinoom (LCNEC) en daartussen is een grijs gebied; daarvan was hier sprake.

5.5       Nadat de uitslag van het [G] bekend werd bij verweerder (medio januari 2019) heeft hij dit direct doorgegeven aan het [F]. Verweerder was toen geen behandelaar meer van de patiënt en kon dan ook niet meer enig behandelbeleid bepalen. Enig verwijt treft verweerder dus niet.

5.6       Het college concludeert dat verweerder met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klachtonderdelen zijn daarom kennelijk ongegrond.

6. De beslissing

De klacht is kennelijk ongegrond.

Aldus beslist op 28 juni 2022 door:

R.A. Dozy, voorzitter, B.E.E.M. van den Borne en C.M.F. Kruijtzer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.A. Weiland, secretaris.


secretaris                                                                                       voorzitter