ECLI:NL:TGZRAMS:2022:93 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3569
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:93 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-06-2022 |
| Datum publicatie: | 06-07-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3569 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. De arts heeft klager bijgestaan bij de verzuimbegeleiding van één van zijn werknemers. Klager is het niet eens met het advies van de arts en verwijt haar dat zij onjuist en onzorgvuldig heeft gehandeld. Het college is van oordeel dat de arts voldoende onderzoek heeft gedaan naar de klachten, de behandeling en de mogelijkheden van de werknemer. De arts heeft ook ruim voldoende aan de dossierplicht voldaan. Verder is het college van oordeel dat de arts in de probleemanalyse voldoende heeft weergegeven wat de beperkingen van de werknemer zijn en welke aanpak zij adviseert voor de komende periode. Het behoort niet tot de primaire taken van een bedrijfsarts om een werknemer door te verwijzen in de reguliere zorg. Klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing van 28 juni 2022 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C,
werkzaam te D,
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. drs. D.W.M. Weesie, werkzaam te Heeze.
1. De kern van de klacht en de beslissing
De arts heeft klager bijgestaan bij de verzuimbegeleiding van één van zijn werknemers. Na het eerste telefonische contact met deze werknemer heeft de arts aan klager een terugkoppeling en advies gegeven. Klager is het niet eens met dit advies en verwijt de arts
– kort gezegd – dat zij onjuist en onzorgvuldig heeft gehandeld. Het college komt tot de conclusie dat de klacht kennelijk ongegrond is. Hieronder vermeldt het college eerst hoe de procedure tot nu toe is verlopen. Daarna licht het college de beslissing over de klacht verder toe.
2. De procedure
2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 14 oktober 2021;
- het verweerschrift;
- de aanvulling op het verweerschrift;
- de brief van de gemachtigde van de arts met het medisch dossier van de werknemer, ontvangen op 31 december 2021.
De voorzitter van het college heeft het noodzakelijk geacht om in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemer het medisch dossier niet aan klager te verstrekken. Het college heeft op grond van artikel 67 lid 3 van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) wel van deze stukken kennisgenomen.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt. Het college heeft de klacht op basis van de stukken beoordeeld.
3. Wat is er precies gebeurd en wat is de klacht?
3.1 Klager is de werkgever van E (hierna: de werknemer). De werknemer heeft zich op 24 augustus 2021 ziek gemeld na een ongeval in de privésfeer. Vanwege de verzuimmelding heeft de arts (werkend onder supervisie van een bedrijfsarts) de werknemer op 4 oktober 2021 gesproken tijdens een telefonisch spreekuur.
3.2 Naar aanleiding van dit gesprek heeft de arts een terugkoppeling (‘Probleemanalyse en advies’) aan klager gegeven. Hierin heeft de arts onder meer het volgende genoteerd (inclusief eventuele taal- en typefouten):
“Beperkingen en mogelijkheden in relatie tot de functie Zij is op dit moment beperkt in het staan, lopen, lang aaneengesloten zitten (max 30 min) en autorijden.
Dit geeft de volgende mogelijkheden ten aanzien van de werkhervatting
Op dit moment adviseer ik gezien de mate van haar beperkingen ook in het zitten, geen werk hervatting. In theorie zou administratief werk vanuit huis mogelijk zijn voor zover deze werkzaamheden er zijn. Ik verwacht dat over een aantal weken, uiterlijk 4 weken, opbouw in aangepast werk mogelijk is. Ik adviseer dan om te starten met 3 x 3 uur en indien dit goed gaat uit te breiden naar 4 x 3 uur. Het zal dan nog steeds om aangepast eigen werk gaan, met name zittende werkzaamheden. Bespreek samen regelmatig hoe het gaat en wat de mogelijkheden zijn.”
3.3 Na ontvangst van deze terugkoppeling heeft klager de tuchtklacht ingediend.Klager verwijt de arts dat zij:
3. onzorgvuldig en onbekwaam heeft gehandeld;
4. onvoldoende aan dossiervorming heeft gedaan alvorens tot een beslissing te komen;
6. een onjuist/onvolledig rapport heeft opgesteld;
9. de werknemer ten onrechte niet heeft doorverwezen naar een orthopeed voor beeldvormend onderzoek.
3.4 De arts heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna verder besproken.
4. De overwegingen van het college
Waarom neemt het college de klacht in behandeling?
4.1 Voordat het college inhoudelijk ingaat op de verschillende klachtonderdelen,
licht het college voor de volledigheid toe waarom de klacht ontvankelijk is. Een klacht
kan onder meer worden ingediend door degene die aan de beklaagde een opdracht heeft
verstrekt (artikel 65 lid 1 sub b Wet BIG). Hoewel klager de opdracht niet rechtstreeks
aan de arts heeft verstrekt maar aan de werkgever van de arts, kan de arts op grond
van jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege wel met de opdrachtnemer worden geïdentificeerd
(ECLI:NL:TGZCTG:2015:106). Het college zal de klacht daarom in behandeling nemen en
inhoudelijk bespreken.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
4.2 De vraag die moet worden beantwoord is of de arts de zorg heeft verleend die van haar mocht worden verwacht. De norm daarvoor is ‘de redelijk bekwame en redelijk handelende’ arts. Het college gaat daarbij uit van de geldende beroepsnormen en wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening.
Klachtonderdelen 1 en 2: zorgvuldigheid handelen en dossiervoering
4.3 De klachtonderdelen 1 en 2 worden gezamenlijk behandeld. Klager is van mening dat de arts haar advies onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens hem had de arts haar advies niet enkel mogen baseren op een telefonisch consult, maar had zij de werknemer ook lichamelijk moeten onderzoeken. Ook de dossiervoering is volgens klager onvoldoende. De arts stelt dat klager hier geen oordeel over kan vellen omdat hij vanuit zijn rol als werkgever geen inzage heeft gehad in het medisch dossier van de werknemer.
4.4 Het college komt na bestudering van het medisch dossier tot het oordeel dat de arts voldoende onderzoek heeft gedaan naar de klachten, de behandeling en de mogelijkheden van de werknemer. Uit het medisch dossier blijkt niet dat de situatie van de werknemer aanleiding gaf om een fysiek consult te laten plaatsvinden. Bovendien is het tijdens de coronapandemie gebruikelijker geworden dat bedrijfsartsen – waar passend – telefonische consulten houden. Het college acht het daarom niet onjuist dat de arts de werknemer niet heeft opgeroepen voor een lichamelijk onderzoek. De arts heeft ook ruim voldoende aan de dossierplicht voldaan. De klachtonderdelen 1 en 2 zijn daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 3: volledigheid rapportage
4.5 De terugkoppeling die klager van de arts heeft ontvangen is volgens klager niet volledig omdat de arts daarin niet heeft vermeld waardoor de kwetsuur is ontstaan. Ook heeft zij ten onrechte niet meegewogen dat de werknemer opzettelijk het herstel tegenwerkt. De arts stelt dat klager ook hier geen oordeel over kan vormen omdat hij geen inzage heeft in de medische gegevens.
4.6 Het college is van oordeel dat de arts in de probleemanalyse voldoende heeft weergegeven wat de beperkingen van de werknemer zijn en welke aanpak zij adviseert voor de komende periode. In de wet (artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek) wordt geen onderscheid gemaakt voor wat betreft de oorzaak van de uitval. Indien de werknemer de arbeidsongeschiktheid opzettelijk zou hebben veroorzaakt had de arts de werkgever hierover kunnen inlichten, maar dat is hier niet aan de orde. Uit de stukken is ook niet gebleken dat de werknemer niet meewerkt aan het herstel. Ook klachtonderdeel 3 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 4: doorverwijzing
4.7 Dat de arts de werknemer niet heeft doorverwezen naar een orthopedisch chirurg valt de arts niet te verwijten. Het behoort niet tot de primaire taken van een bedrijfsarts om een werknemer door te verwijzen in de reguliere zorg. In specifieke gevallen kan een bedrijfsarts wel een verwijsfunctie hebben, bijvoorbeeld als het gaat om arbeidsrelevante of werkgerelateerde aandoeningen. In dit geval was het niet aan de arts om de werknemer te door te verwijzen naar een orthopedisch chirurg. Klachtonderdeel 4 is daarom ongegrond.
Conclusie
4.8 De conclusie is dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.
5. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist, M. Keus, R.P. van Straaten en E.G. van der Jagt, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris.
secretaris
voorzitter