ECLI:NL:TGZRAMS:2022:92 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3320

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:92
Datum uitspraak: 28-06-2022
Datum publicatie: 06-07-2022
Zaaknummer(s): A2021/3320
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een verzekeringsarts. Volgens klaagster heeft de verzekeringsarts onzorgvuldig en onjuist gehandeld omdat hij klaagster zonder persoonlijke ontmoeting als volledig arbeidsgeschikt heeft beoordeeld, bepaalde medische stukken niet heeft betrokken bij zijn rapport, en haar onheus heeft bejegend. Vanwege corona hebben twee contactmomenten telefonisch plaatsgevonden. Hierbij is geen sprake geweest van onzorgvuldig handelen. Voor een derde gesprek is klaagster opgeroepen voor een fysiek spreekuur. Omdat klaagster hiervan zelf heeft afgezien, is ook op dit punt van een onzorgvuldigheid aan de zijde van de verzekeringsarts geen sprake. Voor een zorgvuldige beoordeling is het niet nodig dat de verzekeringsarts de FML (puntsgewijs) met de uitgevallen werknemer doorneemt. Uit het rapport blijkt niet dat de verzekeringsarts heeft nagelaten medische informatie bij zijn oordeel te betrekken. Onheuse bejegening kan niet worden vastgesteld. Klacht ongegrond verklaard.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing van 28 juni 2022 naar aanleiding van de klacht van:

A,

wonende te B,

klaagster,

tegen

C,

werkzaam te D,

verweerder, hierna: de verzekeringsarts,

gemachtigde: mr. I. Veldhuizen, werkzaam te Amsterdam.

1. De procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 augustus 2021;
  • het verweerschrift met de bijlagen;
  • de brief van klaagster van 15 november 2021 met bijlagen, binnengekomen op 17 november 2021;
  • het proces-verbaal van het op 25 januari 2022 per videoverbinding gehouden mondelinge vooronderzoek;
  • de brief van 2 februari 2022, binnengekomen op 3 februari 2022, van de gemachtigde van de verzekeringsarts, met daarin een reactie op het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek. 

1.2       De zaak is behandeld op de openbare zitting van 17 mei 2022. Klaagster, bijgestaan door haar vertrouwenspersoon en de verzekeringsarts, bijgestaan door zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2. Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?

Klaagster is ontevreden over de manier waarop de verzekeringsarts is gekomen tot zijn oordeel over haar arbeidsbelastbaarheid. Zij verwijt hem onzorgvuldig handelen en heeft de bejegening als onheus ervaren. Het college komt tot de conclusie dat de verzekeringsartsniet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college licht dat hierna toe.

3. Wat is er precies gebeurd?

3.1       Op 19 juni 2019 heeft klaagster zich ziek gemeld vanwege psychische klachten. Zij werkte op dat moment voor 32 uur per week  – via een uitzendbureau – als administratief medewerker bij E. Daarnaast was klaagster in deeltijd werkzaam bij een apotheek.    

3.2       Op 7 oktober 2019 is klaagster bij een verkeersongeval betrokken geraakt. Bij dit ongeval heeft zij een hersenschudding opgelopen. Na het verkeersongeval ondervond klaagster nekklachten en hoofdpijn, waarvoor zij medicatie voorgeschreven kreeg.

3.3       Op 1 april 2020 spraken klaagster en de verzekeringsarts – werkzaam bij de divisie Sociaal Medische Zaken van het UWV – elkaar voor het eerst. Dit was in het kader van de beoordeling van de arbeidsmogelijkheden van klaagster voor haar werkzaamheden bij E. Vanwege het corona-crisisprotocol dat destijds binnen het UWV gold, vond het gesprek telefonisch plaats. Aan het telefoongesprek nam behalve klaagster en de verzekeringsarts ook een vertrouwenspersoon van klaagster deel. Na het telefoongesprek heeft de verzekeringsarts op 5 april 2020 een Medische rapportage Ziektewet opgesteld. Hierin heeft hij klaagster arbeidsongeschikt geoordeeld, in afwachting van de medische informatie van haar behandelaars (de behandelende sector).

3.4       Op 29 juni 2020 heeft er tussen klaagster, haar vertrouwenspersoon en de verzekeringsarts een tweede gesprek plaatsgevonden. Dit gesprek vond plaats in het kader van de zogeheten eerstejaars Ziektewet-beoordeling. Vanwege het destijds nog geldende corona-crisisprotocol vond ook dit gesprek telefonisch plaats. De verzekeringsarts beschikte ten tijde van dit gesprek over informatie van de neurochirurg van klaagster (gedateerd 15 november 2019 en 6 december 2019) en van haar psycholoog (gedateerd 6 mei 2020). Deze informatie was door klaagster zelf aan de verzekeringsarts verstrekt. De verzekeringsarts heeft besloten ‘uit zorgvuldigheid’ nadere (actuele) informatie op te vragen bij de huisarts en de psycholoog van klaagster. In afwachting hiervan heeft hij het opstellen van een zogeheten functionele mogelijkhedenlijst (hierna: FML) aangehouden, zo blijkt uit zijn rapport Medische Eerstejaars Ziektewetbeoordeling van 2 juli 2020.

3.5       De huisarts van klaagster heeft – na door de verzekeringsarts te zijn gerappelleerd – op 5 november 2020 aanvullende informatie toegezonden (alle citaten voor zover van belang en inclusief eventuele taal- en typefouten), te weten: “U beschrijft in uw brief al zeer uitgebreid de situatie van mevrouw (…). Ik denk dat dit correct beschreven is. Ik heb er qua onderzoeksresultaten/bevindingen/diagnose weinig aan toe te voegen. (…) Ik heb enkele relevante rapporte meegestuurd”). Als bijlage was door de huisarts onder meer informatie van de behandelend psycholoog van klaagster meegezonden.

3.6       Op 7 december 2020 heeft er tussen klaagster, de vertrouwenspersoon en de verzekeringsarts een derde gesprek plaatsgevonden. Op 31 december 2020 heeft de verzekeringsarts over zijn bevindingen tot dan toe een rapport opgesteld, getiteld ‘Vervolg spreekuur ZW onderzoek’. Dit rapport omvatte een probleemanalyse en plan van aanpak en als bijlage daarbij zat ook een FML. De probleemanalyse vermeldt concluderend het volgende: “Cliënt heeft meer klachten dan objectief te verklaren zijn. Ik kan daar niet in meegaan zoals cliënt wil maar kan er op basis van het MAOC principe wel deels in meegaan. Cliënt is beperkt ten aanzien van deadlines. (…) Ze kan tot ongeveer 40 uur per week werken. De benutbare mogelijkheden zijn hierboven gemotiveerd en weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst”. De FML bevat als conclusie: “De klant beschikt over functionele mogelijkheden”. De verzekeringsarts heeft zijn bevindingen met klaagster gedeeld. Zij gaf aan zich daarin niet te kunnen vinden. In overleg met klaagster heeft de verzekeringsarts vervolgens nog overleg gevoerd met de bedrijfsarts, verbonden aan de apotheek waar klaagster werkzaam was.   

3.7       Op 4 januari 2021 hebben klaagster en de verzekeringsarts elkaar een laatste keer telefonisch gesproken. Van dit gesprek heeft de verzekeringsarts een notitie opgemaakt, die de volgende informatie bevat: “Client is gebeld, besproken dat ik contact had met haar bedrijfsarts (…). Besproken dat ik de ezwb medisch heb afgerond en overgedragen aan de arbeidsdeskundige. Hij zal haar binnenkort bellen over de ezwb (…) Client wilde tijd om vertrouwens persoon bij te schakelen, lukte niet. (…) Wilde weer meer tijd voor overleg met vertrouwens persoon maar ik had haar al voldoende geïnformeerd. Gesprek afgerond.”    

4. Wat houdt de klacht in?

De klacht komt er – in de kern, zoals in de stukken en ter zitting door klaagster en haar vertrouwenspersoon verwoord – op neer dat de verzekeringsarts onzorgvuldig en onjuist heeft gehandeld, omdat hij:

4. klaagster zonder persoonlijke ontmoeting als volledig arbeidsgeschikt heeft beoordeeld; als hij klaagster zou hebben gezien zou hij tot een ander oordeel zijn gekomen;

5. heeft nagelaten de medische stukken over klaagster te betrekken bij zijn rapport van 31 december 2020, met als gevolg dat hij op basis van een onvolledig beeld een verstrekkend oordeel heeft gegeven;

7. haar onheus heeft bejegend door tijdens het telefoongesprek van – naar het college inmiddels begrijpt: – 4 januari 2021 de verbinding te verbreken. 

5. Wat is het verweer?

De verzekeringsarts heeft de klacht bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna verder besproken.

6. Wat zijn de overwegingen van het college?

Welke criteria gelden bij de beoordeling?

6.1 De vraag is of de verzekeringsarts heeft gehandeld zoals van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en de stand van de wetenschap ten tijde van het handelen.


Klachtonderdeel 1) zonder fysiek spreekuur tot een oordeel komen

6.2 Niet in geschil is, dat de verzekeringsarts en klaagster tussen april en juni 2020 twee keer persoonlijk contact hebben gehad. Vanwege corona, de met dit virus gepaard gaande contactbeperkende maatregelen en het (in elk geval tot juli 2020 geldende) coronaprotocol van het UWV, hebben deze beide contactmomenten telefonisch plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft – door deze contactmomenten telefonisch te laten plaatsvinden – gehandeld in lijn met het binnen zijn organisatie geldende beleid. Bovendien was bij de contacten steeds een vertrouwenspersoon van klaagster aanwezig en zaten klaagster en de verzekeringsarts in die periode nog op één lijn als het gaat om de arbeidsbelastbaarheid van klaagster (‘arbeidsongeschikt’, zie 3.3). Van onzorgvuldig handelen door zonder fysiek spreekuur tot een oordeel te komen, is gelet hierop geen sprake.
 

6.3 Voor het derde gesprek, het gesprek dat direct voorafging aan het rapport van 31 december 2020, is klaagster opgeroepen op een fysiek spreekuur. Klaagster heeft echter, zo is ter zitting duidelijk geworden, van een fysiek spreekuur afgezien: zij vond dit vanwege haar pijnklachten te belastend. Omdat klaagster er zelf voor heeft gekozen het gesprek niet in persoon aan te gaan, is ook op dit punt van een onzorgvuldigheid aan de zijde van de verzekeringsarts geen sprake. Overigens is ook bij dit gesprek de vertrouwenspersoon van klaagster aanwezig geweest.  

6.4 Ten aanzien van het laatstgenoemde (derde) contactmoment verwijt klaagster de verzekeringsarts bovendien dat hij heeft nagelaten met haar de FML door te nemen. Met de verzekeringsarts is het college echter van oordeel dat het voor een zorgvuldige beoordeling niet nodig is een FML (puntsgewijs) met de uitgevallen werknemer door te nemen. Het vaststellen van de arbeidsbelastbaarheid van een uitgevallen werknemer (en de vertaling daarvan in termen van de FML) behoort tot de professionele verantwoordelijkheid van de verzekeringsarts en als deze – zoals in dit geval aan de orde – meent dat hij op basis van gesprekken met de betrokkene, anamnese en informatie van de behandelend sector over voldoende informatie beschikt om een oordeel te kunnen geven, dan kunnen lichamelijk onderzoek en/of het expliciet doornemen van de rubrieken en beoordelingspunten uit de FML, in beginsel achterwege blijven.

6.5 Ook op dit punt is daarom van een onzorgvuldigheid geen sprake. Dit betekent dat het eerste klachtonderdeel in zijn geheel ongegrond zal worden verklaard.

Klachtonderdeel 2) nalaten medische informatie bij het oordeel te betrekken

6.6 Klaagster verwijt de verzekeringsarts ook, dat hij heeft nagelaten medische informatie bij zijn rapport van 31 december 2020 te betrekken. Het college is dat niet met klaagster eens. Uit het rapport van 31 december 2020 blijkt dat de verzekeringsarts dossierstudie heeft gedaan, anamneses heeft afgenomen en eigen (telefonisch) onderzoek heeft gedaan naar klaagster. Daarnaast heeft hij via klaagster medische informatie over haar ontvangen en op eigen initiatief extra medische informatie over haar opgevraagd bij haar behandelaars. De omschrijving door de verzekeringsarts van de situatie van klaagster is door de huisarts als ‘zeer uitgebreid’ en ‘correct’ ervaren (zie 3.5). Uit het rapport dat de verzekeringsarts vervolgens op 31 december 2020 heeft opgesteld, blijkt dat de verkregen informatie ook daadwerkelijk is meegewogen en verwerkt. De stelling van klaagster dat dit niet zou zijn gebeurd, vindt geen steun in het dossier.

6.7 Ook anderszins is het onderzoek van de verzekeringsarts niet onzorgvuldig. De verzekeringsarts heeft na het gesprek van 7 december 2020 op verzoek van klaagster nog contact gehad met de bedrijfsarts die klaagster – in haar andere deeltijdfunctie, die van apothekersassistente – arbeidsongeschikt had geoordeeld. Over dit contact heeft de verzekeringsarts tijdens de zitting opgemerkt dat hieruit niet naar voren is gekomen dat deze bedrijfsarts klaagster volledig arbeidsongeschikt had geoordeeld. Het college heeft geen aanknopingspunten om aan de weergave van dit gesprek door de verzekeringsarts te twijfelen. Ook op dit punt zal de klacht daarom ongegrond worden verklaard.  
 

Klachtonderdeel 3) onheuse bejegening door de verbinding te verbreken

6.8 Klaagster heeft de manier waarop het telefoongesprek van 4 januari 2021 werd beëindigd, als abrupt en onprettig ervaren. Zij spreekt in dit verband van ‘midden in het gesprek de hoorn op de haak gooien’. De verzekeringsarts ontkent dat hij midden in het gesprek de verbinding heeft verbroken.

6.9 Uit de telefoonnotitie die de verzekeringsarts van dit gesprek heeft gemaakt blijkt dat hij klaagster gelegenheid heeft geboden haar vertrouwenspersoon ‘bij te schakelen’. Toen dit niet lukte en hij had vastgesteld dat hij de informatie die hij aan klaagster wilde overbrengen met haar had gedeeld, heeft hij het gesprek beëindigd.

6.10 Het college kan niet vaststellen hoe het bewuste gesprek – bijvoorbeeld qua toonzetting en timing – precies is verlopen. Uit de notitie die de verzekeringsarts direct na afloop van het gesprek heeft opgemaakt, blijkt alleen dat het gesprek op enig moment op initiatief van de verzekeringsarts is beëindigd. Dat dit plotseling, middenin de conversatie, zou zijn gebeurd, kan het college niet vaststellen.

6.11 Van onheuse bejegening is tegen deze achtergrond geen sprake. Het college zal de klacht daarom ook op dit punt ongegrond verklaren. 

Conclusie

6.12 De conclusie is dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond is.
 

7. De beslissing

Het college:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, W.R. Kastelein, lid-jurist, M. Keus, R.P. van Straaten, en E.G. van der Jagt leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van ‘t Nedereind, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2022.

 

secretaris                                                                                           voorzitter