ECLI:NL:TGZRAMS:2022:71 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3619
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:71 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-05-2022 |
| Datum publicatie: | 27-05-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3619 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft een klacht ingediend tegen een Arboarts. Klager verwijt deze arts onder meer 1) het niet serieus nemen van de klachten van klager (burn-out) en vooringenomenheid, 2) geen zichtbare supervisie van een bedrijfsarts, 3) het niet opvragen van het dossier bij de vorige Arbodienst, alwaar klager eerder een jaar was begeleid, 4) het niet verdiepen in de Arbowetgeving, 5) geen actieve rol heeft gespeeld in de bemiddeling/interventie en 6) niet vakkundig en niet onafhankelijk zijn en het nog geven van een advies aan de werkgever terwijl de begeleiding was overgenomen door de bedrijfsarts. De Arboarts heeft verweer gevoerd en verzoekt het college de klachten als ongegrond af te wijzen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 10 november 2021 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a g e r,
gemachtigde: mr. M. Blommers, advocaat te Amsterdam
tegen
C,
arts,
werkzaam te D,
v e r w e e r d e r,
gemachtigde: mr. M.H.M. Mook, verbonden aan ARAG SE te Leusden.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
- het proces-verbaal van het op 3 februari 2022 gehouden vooronderzoek;
- de op 7 februari 2022 binnengekomen aanvullende bijlage van verweerder;
- de e-mail van de gemachtigde van verweerder van 4 april 2022 waarin is aangekondigd
dat de heer E als getuige wordt opgeroepen.
De klacht is op 15 april 2022 op een openbare zitting behandeld.
Partijen waren aanwezig.
Klager werd bijgestaan door mr. Blommers, advocaat te Amsterdam, en verweerder door
mr. Mook, verbonden aan ARAG SE te Leusden. Mr. Blommers en mr. Mook hebben een toelichting
gegeven aan de hand van spreeknotities respectievelijk een pleitnota, die aan het
college en de wederpartij zijn overgelegd. Verder werd de heer E (bedrijfsarts, niet-praktiserend)
als getuige gehoord.
2. Waar gaat de klacht over?
2.1. Klager heeft zich op 16 april 2019 ziekgemeld bij zijn werkgever. Hij is tot
februari 2020 begeleid door een bedrijfsarts van F en kreeg in die periode psychologische
hulp.
2.2. Verweerder werkt als arboarts bij G in D.
2.3. Verweerder heeft klager voor het eerst gezien op 7 februari 2020. Klager vertelde dat hij ten tijde van zijn uitval uitgeput was en moeite had met de bedrijfscultuur bij zijn werkgever. Volgens verweerder bestond er geen medische grond om de re-integratie nog langer tegen te houden: klager stond immers niet meer onder behandeling en gaf tijdens het spreekuur geen klachten aan. Verweerder heeft uitgelegd dat een opbouw van uren zou plaatsvinden: klager zou eerst passende arbeid gaan verrichten en uiteindelijk de eigen werkzaamheden weer oppakken. Verweerder heeft met klager ook de financiële gevolgen van een langdurig verzuim besproken. Verweerder heeft klager en de werkgever geadviseerd te overleggen over het opstarten van werk. Na het spreekuur heeft verweerder medische informatie opgevraagd bij de huisarts van klager.
2.4. Het tweede gesprek tussen klager en verweerder vond telefonisch plaats op 7 april 2020. De dochter van klager luisterde mee met dit gesprek. Verweerder gaf in dit gesprek aan dat in het kader van de re-integratie eerst het eerste spoor traject moest worden gevolgd. Als zou blijken dat re-integratie in het eerste spoor niet mogelijk was, zou een functionele mogelijkheden lijst (FML) worden opgesteld om arbeidsdeskundig onderzoek en het tweede spoor traject in gang te zetten. Klager en zijn dochter voelden hier niet voor en wilden dat het tweede spoor traject direct van start zou gaan. Zij meenden dat klager niet in staat was om alleen een vrachtwagen te besturen.
2.5. Op 11 mei 2020 sprak verweerder klager voor de derde keer (telefonisch). Volgens klager kon hij het nog niet aan om alleen op een vrachtwagen te rijden. Klager wilde eerst meerijden en weer zelfvertrouwen opbouwen. Ook was hij angstig en onzeker door de bedrijfscultuur. Volgens verweerder bestond er medisch geen bezwaar tegen werkhervatting van twee maal per week 4 tot 5 uur. Verweerder adviseerde te starten met het eerste spoor traject.
2.6. Na dit gesprek heeft klager bij zijn werkgever verzocht om een andere bedrijfsarts.
2.7. In de periode vanaf 28 mei 2020 tot 12 januari 2021 heeft de heer E klager als bedrijfsarts begeleid.
2.8. Tussen mei 2020 en april 2021 heeft klager passende werkzaamheden verricht met een urenopbouw. Klager heeft in deze periode nog niet in de nachtdiensten gewerkt.
2.9. Per 16 april 2021 is het derde ziektejaar ingegaan. Het UWV heeft een loonsanctie
opgelegd aan de werkgever. Volgens het UWV bestonden er geen medische beperkingen
en was klager geschikt voor eigen werk.
2.10. Op 22 juli 2021 stelde de jurist van klager de werkgever voor de bedrijfsarts
te laten bemiddelen in de gesprekken over de werkhervatting van klager.
2.11. Klager ontving op 12 augustus 2021 een oproep voor het spreekuur op 30 augustus 2021 bij verweerder.
2.12. Klager heeft zijn vrouw meegenomen naar het spreekuur en gesprek op 30 augustus 2021. Verweerder heeft eerst met klager en zijn vrouw gesproken. Volgens verweerder waren er geen medische beperkingen voor het uitvoeren van de eigen werkzaamheden. Klager wilde wel graag re-integreren, maar zonder de nachtdiensten. Verweerder adviseerde hierover afspraken te maken met de werkgever. Na het spreekuur is de HR-adviseur van de werkgever aangeschoven. Zij liet weten dat het niet mogelijk was dat klager zijn werkzaamheden zou hervatten zonder de nachtdiensten. Klager en de werkgever hebben afspraken gemaakt over het hervatten door klager van zijn eigen werkzaamheden.
3. De klacht en het standpunt van klager
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:
1. klager niet serieus heeft genomen en niet heeft gesteund;
2. zonder (zichtbare) supervisie door een bedrijfsarts heeft gehandeld;
3. voorafgaand aan het eerste gesprek geen informatie heeft verzameld over het eerdere
arbo traject;
4. geen actieve rol heeft gespeeld bij de door klager gevraagde bemiddeling.
Klager heeft ter zitting het klachtonderdeel ingetrokken waarmee hij verweerder verwijt
onjuistheden te hebben beweerd
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.
Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Het college acht de klacht deels gegrond en wel voor wat betreft klachtonderdeel
2. De overige klachtonderdelen falen. Het college zal de beslissing hieronder toelichten.
Maatstaf
5.2. Het college wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van
professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het
geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen
is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening
houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen
en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
Klachtonderdeel 1: Niet serieus genomen en gesteund
5.3. Met klachtonderdeel 1 verwijt klager verweerder dat hij hem niet serieus heeft
genomen en niet heeft gesteund. Verweerder betwist dit. Verweerder geeft ook een andere
interpretatie aan hetgeen hij aan klager heeft gezegd dan klager daaruit heeft opgemaakt.
Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel stelt het college voorop dat verwijten
over inhoud en wijze van (mondelinge) communicatie zich moeilijk op hun juistheid
laten beoordelen door het college, dat van die communicatie immers geen getuige is
geweest. Het is vaak de toon die de muziek maakt, en die toon is aan derden niet (goed)
over te brengen. Dit geldt ook voor de context waarin woorden of uitlatingen worden
gebruikt: die kan bepalend zijn voor de betekenis ervan, maar is hooguit gebrekkig
te reconstrueren. Daarbij komt dat bij communicatie tussen enerzijds leken en anderzijds
professionals het risico op de loer ligt elkaar mis te verstaan. Dit risico speelt
nog meer als deelnemers aan die communicatie bij het onderwerp ervan emotioneel betrokken
zijn. Een en ander maakt het beoordelen van de gegrondheid van dit verwijt een moeilijke
opgaaf.
Nu alleen klager (een keer samen met zijn dochter) en verweerder aan de gesprekken
hebben deelgenomen, kan het college niet vaststellen hoe die gesprekken precies zijn
verlopen. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerder klachtwaardig
heeft gehandeld. In de dossieraantekeningen en hetgeen ter zitting is besproken, ziet
het college hiervoor ook geen aanknopingspunten. Klachtonderdeel 1 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 2: Gehandeld zonder supervisie van een bedrijfsarts
5.4. Met klachtonderdeel 2 verwijt klager verweerder dat hij zonder supervisie door
een bedrijfsarts heeft gehandeld. Het was voor klager bovendien niet duidelijk wie
de supervisor van verweerder was. Volgens verweerder werkte hij bij G op basis van
een taak-delegatie-overeenkomst voor de bedrijfsarts en kon hij de aan hem gedelegeerde
werkzaamheden zelfstandig uitvoeren. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij
de Verklaring/Protocol taakdelegatie Arbo Arts overgelegd en is de heer E, destijds
de verantwoordelijk bedrijfsarts, gehoord.
5.5 Voor de beoordeling van dit klachtonderdeel is de inhoud van het ‘Standpunt delegatie van taken door de bedrijfsarts en supervisie’ van de NVAB (versie juni 2020) van belang (hierna te noemen: ‘het Standpunt’). Hierin is beschreven welke taken de bedrijfsarts wel en niet kan delegeren, of werkzaamheden onder supervisie kunnen plaatsvinden en welke voorwaarden aan delegatie en supervisie worden gesteld. Uit het Standpunt volgt dat er bij delegatie en supervisie protocollen en instructies dienen te zijn en daarop gebaseerde werkafspraken, waarin duidelijk is beschreven welke taken de gedelegeerde/gesuperviseerde wel en niet kan uitvoeren. De gedelegeerde/gesuperviseerde moet altijd de mogelijkheid hebben om de bedrijfsarts te consulteren. Verder dient de bedrijfsarts het toezicht op het uitvoeren van de gelegeerde taak/de supervisie voldoende te verzekeren. Dit houdt onder meer in dat de bedrijfsarts en de gedelegeerde/gesuperviseerde structureel en op regelmatige basis aantoonbaar overleg voeren. De delegatie, het toezicht en de supervisie zijn maatwerk, afgestemd op de bekwaamheid en deskundigheid van de gedelegeerde/gesuperviseerde. Verder dienen de bedrijfsarts en de gedelegeerde/gesuperviseerde de werknemer te informeren over de taakdelegatie/supervisie, op een zodanige wijze dat de functie en specifieke taak van de gedelegeerde/gesuperviseerde duidelijk is voor de werknemer en hij weet wie de verantwoordelijke bedrijfsarts is. Tevens laten de gedelegeerde/gesuperviseerde en de bedrijfsarts weten hoe en wanneer de werknemer de verantwoordelijke bedrijfsarts kan bereiken.
5.6. Het college constateert op basis van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken dat verweerder klager niet heeft geïnformeerd over de taakdelegatie en de supervisie. Ook heeft verweerder verzuimd aan klager duidelijk te maken wie de verantwoordelijk bedrijfsarts was en hoe en wanneer hij hem kon bereiken. In zoverre is klachtonderdeel 2 gegrond.
5.7. Ten aanzien van het toezicht op de delegatie en de supervisie oordeelt het college
als volgt. In de Verklaring/Protocol taakdelegatie Arbo Arts is te lezen dat dossiers
met gedelegeerde taken indien nodig tijdens het wekelijks overleg worden besproken/geëvalueerd.
Van deze bespreking wordt een verslag gemaakt en in het medisch dossier opgeslagen.
In het dossier heeft het college echter niet kunnen teruglezen dat een dergelijk overleg
heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de heer E over het toezicht/de supervisie verklaard
dat hij maandelijks overleg voerde met de arboartsen en medewerkers. Ook vond overleg
plaats op verzoek of wanneer zich een probleem voordeed en voerde hij dossieronderzoek
uit bij onervaren arboartsen en medewerkers. Ook hiervan heeft het college niets kunnen
teruglezen in het dossier. Het college heeft op basis van dit alles niet kunnen vaststellen
dat ten aanzien van klager overeenkomstig het Standpunt en de afspraken tussen verweerder
en de bedrijfsarts aantoonbaar structureel en regelmatig overleg heeft plaatsgevonden
met de bedrijfsarts. Ook op dit punt is klachtonderdeel 2 gegrond.
Klachtonderdeel 3: Geen informatie verzameld
5.8. Klachtonderdeel 3 is ongegrond. Naar het oordeel van het college heeft verweerder
niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door voorafgaand aan het eerste spreekuur
het dossier van klager niet bij de eerdere arbodienst op te vragen. Verweerder heeft
daarna wel medische informatie opgevraagd bij de huisarts. Verweerder heeft zich daarmee
voldoende geïnformeerd.
Klachtonderdeel 4: Geen actieve rol gespeeld bij de gevraagde bemiddeling
5.9. Op verzoek van de jurist van klager heeft op 30 augustus 2021 een gesprek plaatsgevonden
tussen klager, zijn werkgever en verweerder. Klager verwijt verweerder dat hij tijdens
dit gesprek geen actieve/bemiddelende rol heeft gespeeld, maar zich afzijdig heeft
gehouden. Volgens verweerder wist hij niet dat het om een bemiddelingsgesprek ging.
Het college stelt voorop dat een dergelijk driegesprek niet tot de gebruikelijke werkzaamheden
van een arbo- of bedrijfsarts hoort. Hiervoor bestaat ook geen normstelling.
Naar het oordeel van het college was het beter geweest als verweerder aan het begin
van het gesprek ieders verwachtingen had besproken en duidelijkheid had gegeven over
zijn rol in het gesprek. Verweerder heeft nu onduidelijkheid laten bestaan door wel
aanwezig te zijn bij het gesprek maar hieraan geen actieve bijdrage te leveren. Gelet
op het onderwerp van gesprek en de verdere gang van zaken tijdens het gesprek, kan
echter niet worden gezegd dat verweerder zich zodanig onzorgvuldig zou hebben opgesteld
dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op grond van de hiervoor onder
5.2 genoemde norm. Klachtonderdeel 4 is ongegrond.
Conclusie
5.10. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht deels gegrond is. Verweerder
heeft wat betreft klachtonderdeel 2 niet voldaan aan de in 5.2. weergegeven tuchtrechtelijke
norm. Verweerder heeft nagelaten om klager te informeren over de taakdelegatie en
supervisie, wie de verantwoordelijk bedrijfsarts was en hoe klager hem kon bereiken.
Maatregel
5.11. Het college overweegt wat betreft de op te leggen maatregel als volgt. Verweerder
heeft het belang van een concrete invulling van de supervisie/taakdelegatie en de
verslaglegging daarvan niet onderkend. Ook is hij niet transparant hierover geweest
richting klager. Verweerder dient zich daar in de toekomst rekenschap van te geven.
Gelet hierop acht het college oplegging van de maatregel van waarschuwing passend.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel 2 gegrond;
- legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;
- wijst de klacht voor het overige af.
Aldus beslist door:
P.J. van Eekeren, voorzitter,
R.L. Kloots, E.G. van der Jagt, E.G. Ackema, leden-beroepsgenoten,
S. Colsen, lid-jurist,
bijgestaan door C. Neve, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2022 door de voorzitter in aanwezigheid
van de secretaris.