ECLI:NL:TGZRAMS:2022:70 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2253
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:70 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-04-2022 |
| Datum publicatie: | 29-04-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/2253 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een psychiater. Klaagster was onder behandeling bij een verslavingskliniek voor een alcoholprobleem. Verweerder was naast psychiater medisch directeur van de verslavingskliniek. Klaagster verwachtte dat zij bij de kliniek ook behandeld zou worden voor haar ‘liefdesverslaving’, welke diagnose in Zuid-Afrika was gesteld. Dit bleek echter volgens klaagster niet of onvoldoende het geval, omdat de behandelaren van de kliniek in Nederland hier geen kennis van hadden. Klaagster verwijt verweerder dat hij 1) een verkeerde beslissing heeft genomen door voor klaagster een andere hoofdbehandelaar aan te wijzen, 2) zijn dossiervoering onvoldoende was en dat hij 3) geen goede doorverwijzing in gang heeft gezet. Verweerder voert verweer. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 1 maart 2021 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
psychiater,
destijds werkzaam te D,
verweerder,
gemachtigde: mr. R. Kroes te Amsterdam.
1. De procedure
1.1. Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- aanvullend klaagschrift met de bijlagen;
- brief van verweerder van 25 juni 2021;
- brief van klaagster van 10 juli 2021 met daarbij het deskundigenrapport;
- e-mail van klaagster van 19 juli 2021;
- brief van verweerder van 22 juli 2021;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de correspondentie met betrekking tot het mondelinge vooronderzoek;
- het proces-verbaal van het op 13 december 2021 gehouden verhoor in het kader van
het vooronderzoek;
- correspondentie zitting.
1.2. Het college heeft de klacht op 18 maart 2022 ter zitting behandeld. Klaagster
en verweerder waren aanwezig. Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde mr.
R. Kroes.
2. Waar gaat de zaak over?
Klaagster stond van 2010 tot april 2011 onder behandeling van E (hierna: E) voor haar
alcoholprobleem. E is een psychiatrische instelling voor mensen met verslavingsproblematiek.
Ze hebben meerdere locaties in Nederland. Verweerder was daar van 2007 tot en met
2011 werkzaam als psychiater op onder andere de locatie D. Daarnaast was hij medisch
directeur bij E.
Klaagster heeft zich in 2010 bij E gemeld voor behandeling. Ze heeft daar een intake
gehad met de F, psychiater (hierna: behandelaar 1). Op advies van hem werd klaagster
eerst een maand intern behandeld in de verslavingskliniek in G. Daarna werd de behandeling
voortgezet in H. Daar verbleef ze twee maanden in een kliniek.
Na terugkomst in Nederland volgde klaagster het nazorgprogramma (‘aftercare’ programma)
op de locatie D bij counselor I (hierna: counselor 1). Zij is niet BIG-geregistreerd
en stond onder supervisie van verweerder. Ook bleef klaagster tijdens het nazorgprogramma
gesprekken voeren met behandelaar 1. Kort na de start van de behandeling heeft klaagster
laten weten dat ze niet meer wilde worden behandeld door counselor 1. Na overleg tussen
counselor 1 en counselor J, gestalttherapeut (hierna: counselor 2) werd klaagster
overgedragen aan counselor 2. Ook counselor 2 is niet BIG-geregistreerd en stond onder
supervisie van verweerder, die eindverantwoordelijk was voor de behandeling van klaagster.
Op 4 maart 2011 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen klaagster en verweerder.
In dit gesprek heeft verweerder aan klaagster medegedeeld dat de gesprekken met behandelaar
1 gestaakt zouden worden. Op 6 maart 2011 stuurde klaagster verweerder een e-mail
waarin zij hem dringend verzocht om de gesprekken te mogen hervatten met behandelaar
1. Als dat niet kon wilde zij een counselor die onder supervisie van behandelaar 1
viel. Ze voelde zich namelijk onveilig bij counselor 2. Op 12 maart 2011 stuurde klaagster
counselor 2 een e-mail waarin ze hem vertelde te stoppen met de behandeling. Op 13
maart 2011 informeerde klaagster verweerder en behandelaar 1 over haar besluit de
behandeling bij E te beëindigen.
In de periode 20 maart – 1 april 2011 vond er een e-mailwisseling plaats tussen verweerder
en klaagster over het vinden van een passende behandeling buiten E. Op 22 maart 2011
stuurde verweerder in dat kader een e-mail naar K, psychomotorische therapeut, of
zij de behandeling van klaagster kon overnemen. Op 4 april 2011 vond er een kennismakingsgesprek
plaats tussen klaagster en K. Na dit gesprek liet klaagster aan verweerder weten dat
zij haar oude therapeut, die haar behandelde voordat zij in zorg kwam bij E, weer
ging opzoeken.
3. De klacht
Nadat klaagster is gewezen op de verjaringstermijn van 10 jaar heeft zij haar klacht
beperkt tot de periode na 1 maart 2011.
Klaagster verwijt verweerder:
1. dat hij haar heeft verboden om contact te hebben met behandelaar 1 en dat hij onzorgvuldig
heeft gehandeld ten aanzien van de klachten over de behandeling van counselor 2;
2. het dossier niet goed heeft bijgehouden waardoor het gespreksverslag van 4 maart
2021 ontbreekt;
3. dat hij haar niet goed heeft begeleid bij de doorverwijzing naar een andere therapeut.
4. Het verweer
Verweerder is het niet eens met de klacht. E heeft hem niet op de hoogte gebracht
van de onvrede van klaagster. Hierdoor wist hij pas tien jaar later, toen hij de tuchtklacht
ontving, dat klaagster niet tevreden is over de behandeling waar hij verantwoordelijk
voor was. Verweerder begrijpt niet waarom klaagster geen contact heeft gezocht met
hem. Hij had graag met haar willen praten en haar willen helpen in de strijd tegen
zijn oud-werkgever E. Verweerder heeft toegestaan dat klaagster enige tijd op twee
verschillende locaties onder behandeling stond van behandelaar 1 en counselor 2. Op
een gegeven moment werkte dit niet meer. Toen is daarover een gesprek geweest tussen
behandelaar 1, counselor 2 en L, psychiater en eerste geneeskundige bij E. Behandelaar
1 deed enkel intakes bij E, vandaar dat hij niet de behandelaar was van klaagster
tijdens het nazorgprogramma. Bij de beslissing om counselor 2 alleen behandelaar te
maken was behandelaar 1 betrokken. Volgens verweerder pasten de gesprekken tussen
klaagster en behandelaar 1 niet in het takenpakket van behandelaar 1 binnen E. Dit
heeft verweerder klaagster in een gesprek op 4 maart 2011 verteld. Verweerder was
eindverantwoordelijk voor de nazorg aan klaagster. Counselor 1 en 2 stonden onder
zijn leiding en zij werkten onder zijn supervisie. Verweerder is pas in contact gekomen
met klaagster toen alles al mis en vastgelopen was. Eerder had verweerder geen signalen
gekregen dat klaagster zich onveilig voelde bij counselor 2. In totaal was hij verantwoordelijk
voor tientallen mensen over vier locaties. De behandelaren (counselors) hielden hem
op de hoogte van hoe de behandelingen verliepen. Het was in die tijd volstrekt gebruikelijk
binnen E om af te gaan op de mededelingen van de andere behandelaren zonder een dossier
erbij te pakken.
5. Wat vindt het college van de klacht en het verweer?
Het college is van oordeel dat onderdeel 1 van de klacht gegrond is. Daarmee is de
klacht deels gegrond. Het college licht dit als volgt toe:
5.1 Het college stelt vast dat verweerder als psychiater van de locatie D en als supervisor
van de counselors 1 en 2 eindverantwoordelijk was voor de behandeling van klaagster.
Ook staat vast dat de therapie van counselor 2 onprofessioneel is geweest. Dit heeft
verweerder ook in het verweerschrift en op zitting erkend. Het college is van oordeel
dat de klachtonderdelen zien op de eerste tuchtnorm als bedoeld in artikel 47 lid
1 Wet BIG, die betrekking heeft op het verlenen van medische zorg. De persoonlijke
verwijtbaarheid van verweerder wordt per klachtonderdeel beoordeeld.
Klachtonderdeel 1: onzorgvuldig handelen ten aanzien van de klachten over de behandeling
5.2 Vanwege de verjaringstermijn, de tijd dat iemand nog een klacht kan indienen bij
het tuchtcollege over het handelen van een BIG-geregistreerde zorgverlener, beperkt
de beoordeling van de klacht door het college zich tot het handelen van verweerder
in de periode van 1 maart 2011 tot en met 13 april 2011. Ter toetsing staat of verweerder
in die periode als eindverantwoordelijk psychiater heeft gehandeld als van hem verwacht
mocht worden. Daarbij wordt het handelen van verweerder getoetst aan de stand van
de wetenschap en de normen en standaarden die golden voor psychiaters in die periode.
5.3 Het eerste klachtonderdeel heeft betrekking op het onzorgvuldig handelen van verweerder
ten aanzien van de klachten van klaagster over de behandeling, in het bijzonder het
contactverbod met behandelaar 1 en de uitingen van klaagster dat zij zich onveilig
voelde bij counselor 2. Verweerder heeft zijn handelwijze als volgt verklaard. Nadat
hem naar eigen zeggen geluiden hadden bereikt over de moeizaam verlopende behandeling
door counselor 2, heeft verweerder overleg gevoerd met behandelaar 1 en counselor
2, in het bijzijn van de eerste geneeskundige. Zijn conclusie na dat gesprek was dat
de omstandigheid dat er twee behandelaren betrokken waren de behandelrelatie tussen
klaagster en counselor 2 niet ten goede kwam en dat de gesprekken met behandelaar
1 ook niet pasten binnen de taakverdeling in de organisatie. Verweerder heeft daarop
besloten de gesprekken tussen behandelaar 1 en klaagster te laten beëindigen. Hij
heeft dit in een gesprek op 4 maart 2011 aan klaagster medegedeeld.
Klaagster stemde daarmee in eerste instantie ook in, maar kwam daarop in haar e-mail
van 6 maart 2011 terug. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij tot aan de
e-mail van 6 maart 2011 van klaagster niet wist dat zij zich onveilig voelde bij counselor
2. Ook heeft hij verklaard tot dan niet op de hoogte te zijn geweest van het (zeer)
onprofessionele gedrag van counselor 2 tijdens de therapie van klaagster.
5.4 Dit had hij echter naar het oordeel van het college wel kunnen weten en ook moeten weten voorafgaande aan het gesprek van 4 maart 2011 met klaagster. Het college constateert op grond van de stukken en hetgeen op de zitting is besproken dat verweerder op grote afstand stond van de behandeling van klaagster. Er waren geen vaste contactmomenten met de counselors die hij superviseerde. De counselors konden hem consulteren en deden dit ook. Zij hielden hem op de hoogte van de voortgang van de behandelingen. Verweerder voer dus sterk op de informatie van de counselors. In de praktijk kwam het erop neer dat de counselors en verweerder alleen die behandelingen bespraken die niet goed verliepen. Weliswaar was dit destijds binnen de geestelijke gezondheidszorg geen ongebruikelijke manier van werken, maar in deze situatie had van verweerder meer betrokkenheid en een actievere houding mogen worden verwacht. De signalen die hij ontving van counselor 2 over de moeizaam verlopende behandeling van klaagster, in combinatie met de snelle counselorswissel aan de start van het nazorgprogramma, hadden voor verweerder, als eindverantwoordelijk behandelaar, aanleiding moeten zijn om tenminste klaagsters medisch dossier zelf te bestuderen voordat hij de gesprekken aanging met in eerste instantie behandelaar 1 en counselor 2 en vervolgens met klaagster op 4 maart 2011. Dat hij dit niet heeft gedaan is onzorgvuldig jegens klaagster. Hierdoor heeft hij de ernst van de signalen over de behandeling niet goed kunnen inschatten waardoor hij niet in staat was een adequate interventie te doen, hetgeen wel van hem als eindverantwoordelijk behandelaar verwacht mocht worden. Dat valt verweerder tuchtrechtelijk te verwijten. Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.
Klachtonderdeel 2: geen goede verslaglegging, vooral van het overleg van 4 maart 2011
5.5 In het tweede onderdeel verwijt klaagster verweerder dat hij het medisch dossier
niet goed bij hield. Klaagster verwijt verweerder vooral dat hij geen verslag heeft
gemaakt van het gesprek van 4 maart 2011. Verweerder ontkent dit. In het gedeelte
van het medisch dossier dat het college in zijn bezit heeft lijkt een gedeelte van
de rapportage over het gesprek van 4 maart 2011 te ontbreken. Er staat: “M: beoordeling
ihkv korte heropname en vervolg ambulante behandeling bij N in D. Drinkt nog af en
toe in het weekeinde, en zou m.i. baclofen toch moeten proberen. heb dit ook besproken.
Overigens lijkt het proces op gang en is het plan accoord: korte heropname O, liefst
met poging instellen baclofen. Continueren aftercare in”.
Uit het overgelegde deel van het medisch dossier volgt dat verweerder wel verslag
heeft gedaan van zijn contact met klaagster op 4 maart 2011. Doordat het medisch dossier
echter incompleet is, kan het college niet vaststellen of die verslaglegging onvolledig
is geweest. Het college acht dit klachtonderdeel om die reden ongegrond.
Klachtonderdeel 3: niet goed begeleiden van de doorverwijzing
5.6 Het derde klachtonderdeel gaat erover dat verweerder zich niet voldoende zou hebben
ingezet voor het vinden van een andere behandelaar voor klaagster. Het college deelt
dit niet met klaagster. Het college is van oordeel dat verweerder zich voldoende heeft
ingespannen voor klaagster om een behandelaar te vinden buiten E. Dat dit niet is
gelukt valt hem niet te verwijten. Klaagster heeft op 4 april 2011, na een kennismaking
met een door verweerder geregelde therapeut, per e-mail aangegeven dat zij haar oude
therapeut weer ging opzoeken. In de e-mail staat hierover: “Heb wel besloten om mijn
oude therapeut weer op te zoeken. (……) “Een bijzonderheid, hoeveel kritiek anderen
ook op hem mogen hebben, zoals jullie, dat ie nooit een diagnose heeft gesteld, dat
hij mij nooit in een hokje heeft geduwd. Ik heb hem dat gevraagd, de kritiek voorgelegd,
en hij zei ‘ik geloof niet in hokjes, ik kijk naar de mens’. En dat heeft hij in ieder
geval bij mij altijd gedaan. Dus geen idee hoe dit eindigt, zoek naar wat goed is
voor mij.”
Verweerder mocht er na deze e-mail vanuit gaan dat zijn hulp bij het zoeken naar een
andere behandelaar niet meer nodig was. Dat klaagster, zoals zij zelf aangeeft, van
haar zorgverzekeraar niet terug mocht naar haar oude therapeut was niet bekend bij
verweerder en valt hem ook niet te verwijten. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
De conclusie
5.7 De conclusie van het voorgaande is dat klachtonderdeel 1 gegrond is. Verweerder
heeft hiermee gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van
de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klaagster had behoren
te betrachten.
Daarom moet er worden bezien of er een maatregel opgelegd moet worden.
De maatregel
5.8 Het college overweegt met betrekking tot de op te leggen maatregel als volgt.
Rekening houdend met het feit dat de verweten gedragingen geruime tijd geleden hebben
plaatsgevonden acht het college de oplegging van een waarschuwing passend.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- legt op de maatregel van waarschuwing.
Aldus beslist op 29 april 2022 door:
J.F. Aalders, voorzitter,
A.C.M. Kleinsman, A.M. van Hemert en A.E. van der Waal, leden-beroepsgenoten,
A2021/2253
R.E. van Hellemondt, lid-jurist,
bijgestaan door F.J.E. van Geijn, secretaris.