ECLI:NL:TGZRAMS:2022:65 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3215
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:65 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-05-2022 |
| Datum publicatie: | 17-05-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3215 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Gegrond, geen maatregel |
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft in verband met hoofdpijnklachten van zijn meerderjarige zoon telefonisch contact gehad met twee triagisten van de huisartsenpost (HAP). Een van de triagisten heeft naar aanleiding daarvan overleg gevoerd met een collega huisarts van verweerster (eveneens huisarts). Deze heeft geadviseerd Tramadol in te nemen en de volgende dag contact op te nemen met de eigen huisarts. Verweerster was bij deze triage niet betrokken, maar aan haar is op een later moment door de triagist gevraagd om het waarneembericht te autoriseren en goedkeuring te geven voor de medicijnverstrekking. De huisarts die de medicatie had geadviseerd bij de triage was op dat moment niet aanwezig. De zoon bleek later een bacteriële meningitis te hebben. Klager verwijt verweerster dat zij het waarneembericht onvoldoende kritisch heeft beoordeeld en dat zij niet zonder meer had mogen vertrouwen op de afweging van de triagisten en de eerste huisarts. |
A2021/3215
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 29 juni 2021 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a g e r,
gemachtigde: C (vader van klager),
tegen
D,
arts,
werkzaam te E,
v e r w e e r s t e r,
gemachtigde: mr. R.J. Peet, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.
1. De procedure
1.1 Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek.
1.2 Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
1.3 De klacht is op een openbare zitting van 5 april 2022 behandeld. Klager werd vertegenwoordigd door zijn zus F, die werd vergezeld door de moeder. Verweerster was aanwezig en werd bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd.
2. De feiten
2.1 Klager is geboren in maart 2000. Eind december 2020 kreeg hij diverse, onduidelijke, klachten. Hij had rode vlekjes, spierzwakte, spierpijn, soms hoofdpijn en last van algehele malaise. Tot aan begin januari 2021 was er meermaals contact met de huisarts. Bloedonderzoek wees niets uit. De huisarts heeft klager doorverwezen naar een reumatoloog in verband met verdenking op een auto-immuunziekte. Die afspraak stond gepland voor 8 januari 2021.
2.2 Op 5 januari 2021 om 22.44 uur heeft de vader van klager de spoedlijn van de huisartsenpost
(HAP) te G gebeld. Blijkens de transcriptie van het telefoongesprek heeft zich daarbij
(zakelijk weergegeven) het volgende voorgedaan. De vader van klager belde omdat hij
zich zorgen maakte over zijn zoon (klager) die ernstige hoofdpijn had die in de loop
van die dag snel was toegenomen. Hij rilde van de kou en had overal rode vlekjes.
De vader van klager kreeg de coördinerend triagist aan de lijn en vertelde dat klager
knallende hoofdpijn had. De triagist vroeg klager aan de lijn, maar klager kon nauwelijks
antwoord geven, kreunde van de pijn en gaf de telefoon terug aan zijn vader. De triagist
zei dat ze de vader van klager zou doorverbinden met een collega zodra de spoedlijn
vrijkwam.
De tweede triagist nam het gesprek over en de vader van klager heeft ook haar verteld
dat het niet goed ging met klager onder vermelding van de klachten van rillen, rode
vlekjes en knallende hoofdpijn, niet kunnen bewegen. Deze triagist vroeg of klager
zijn kin op zijn borst kon leggen. De vader van klager vertelde haar dat klager dat
niet kon vanwege de pijn. De vader van klager heeft, gevraagd naar de specifieke zorgvraag,
geantwoord dat hij wilde dat er een arts zou komen kijken. De triagist ging vervolgens
in overleg met de arts en kwam terug met de mededeling dat de arts tramadol wilde
voorschrijven en de vader de volgende ochtend contact moest opnemen met de eigen huisarts.
De vader van klager heeft gezegd dat hij het er niet mee eens was dat er geen arts
kwam kijken, dat hij het belachelijk vond dat hij dan zijn zoon een uur alleen moest
laten (voor het ophalen van het medicijn) en dat hij het er absoluut niet mee eens
was maar niet anders kon dan zich erbij neerleggen.
2.3 De arts over wie wordt gesproken en bij de beoordeling betrokken was, is huisarts
en een collega van verweerster. Verweerster, (ook) huisarts, kreeg deze avond op de
HAP het verzoek het waarneembericht te autoriseren en de goedkeuring te geven voor
de medicijnverstrekking. Dit heeft zij gedaan.
2.4 De vader van klager heeft na dit gesprek de voorgeschreven medicijnen bij een apotheek opgehaald. Klager heeft 45 minuten na inname daarvan de medicijnen uitgebraakt. De vader en een zus van klager hebben die nacht gewaakt. ’s Ochtends troffen ze klager grauw aan, met blauwe lippen, paarse wallen en ijskoude handen. Hij was niet meer aanspreekbaar. Om 8.00 uur is de (eigen) huisarts gebeld die onmiddellijk een ambulance heeft gebeld. Klager is met spoed naar het H gebracht.
2.5 In het H werd vastgesteld dat klager een bacteriële meningitis had en in levensgevaar
verkeerde. De toegediende antibioticakuur sloeg aan en de volgende dag was het levensgevaar
geweken.
2.6 Op 21 januari 2021 heeft klager een klacht bij de HAP ingediend, inhoudende dat
er door de triagisten meerdere fouten zijn gemaakt. Het bestuur van de HAP heeft de
situatie als een calamiteit aangemerkt en bij de Inspectie voor Gezondheid en Jeugd
(IGJ) gemeld. Vervolgens is een rapportage calamiteitenonderzoek (gedateerd 22 maart
2021) opgemaakt.
Verweerster heeft in het kader van het onderzoek tegenover de onderzoekscommissie
het volgende verklaard:
“Ik heb het consult gelezen, vertrouwde op de kundigheid van mijn collega en vervolgens
geautoriseerd. In het verslag van het consult werden geen alarmsymptomen gesignaleerd
door de triagisten en collega huisarts. (Er kwam een U5 uit). Alarmsymptomen volgens
de NHG standaard Hoofdpijn: (per) acuut ontstane, zeer heftige hoofdpijn i.c.m. nekpijn.
Bij deze patiënt bestond de hoofdpijn sinds 6 weken. Nekstijfheid/neurologische symptomen:
de triagiste had gevraagd of hij zijn kin op zijn borst kon brengen en het antwoord
was ja. Hoofdpijn met koorts (en gedaald bewustzijn). In het verslag staat geen koorts.
Menigeale prikkeling: Nee Hoofdpijn matig 5-7 zieke indruk Nee. Als ik geweten had
dat de hulpvraag van de vader was om een huisarts te spreken dan had ik dat zeker
gedaan. Als patiënten een huisarts willen spreken dan wijs ik dat niet af.
Dit is niet mijn ‘normale’ manier van werken. In principe autoriseer ik geen call’s
waarin overlegd is met een collega, tenzij de collega afwezig is of de call echt niet
zelf kan autoriseren omdat hij of zij met een andere patiënt bezig is en er tijdsdruk
is in verband met goede zorg (patiënt heeft bijvoorbeeld snel een recept nodig). Ik
vind dat ik te snel mee ben gegaan met het verzoek van de triagiste om de call te
autoriseren.”
De onderzoekscommissie heeft geconcludeerd dat op meerdere momenten door de triagisten
en de betrokken artsen – ook verweerster – niet is gehandeld conform de zorgvuldigheid
die verwacht mocht worden.
2.7 De beoordelend huisarts van die avond is inmiddels door het Regionaal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg gewaarschuwd voor het geen gehoor geven aan herhaalde en dringende
verzoeken om klager zelf te zien (zaaknummer A2021/3214).
2.8 Klager ondervindt nog altijd klachten en volgt een revalidatietraject in het ziekenhuis.
3. De klacht en het standpunt van klager
De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerster:
- heeft nagelaten om als autoriserend huisarts volgens vastgesteld en als bekend verondersteld
protocol het waarneemrapport zorgvuldig te lezen en/of het scherm met informatie uit
de triage te lezen waardoor zij belangrijke informatie heeft gemist en ten onrechte
het voorgeschreven medicijn tramadol heeft geautoriseerd;
- nalatig is geweest door zonder meer te vertrouwen op de afweging van de triagisten
en de andere huisarts en niet zelf middels een persoonlijk gesprek met de vader van
klager is nagegaan of dit gezien de medische situatie van de patiënt de juiste keuze
was.
Volgens klager mag van een autoriserend arts worden verwacht dat zij het waarneembericht
kritisch beoordeelt en niet zonder meer vertrouwt op de afweging van de triagisten
of de eerste huisarts.
4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.
Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Ter toetsing staat of verweerster bij het beroepsmatig handelen ten opzichte
van klager buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is getreden,
uitgaande van de relevante en vaststaande feiten en rekening houdend met de geldende
wettelijke bepalingen, de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig
geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard
was aanvaard.
5.2. Het tuchtcollege is van oordeel dat dit het geval is geweest; verweerster is onvoldoende kritisch geweest ten aanzien van de aan haar door de triagist voorgelegde vraag om autorisatie van het waarneembericht. Dat verweerster ondanks het feit dat de hulpvraag door een triagist was uitgevraagd en door een collega-arts was afgedaan (in dit geval) kritischer had moeten zijn, heeft te maken met het feit dat het onder haar aandacht gebrachte verslag van de triagist tegenstrijdigheden vertoonde over de ernst van de hoofdpijn. Enerzijds wordt verslag gedaan van hoofdpijn die reeds zes weken bestond, maar anderzijds is beschreven dat ‘de hoofdpijn nooit zo erg was’, dat ‘het hoofd uit elkaar knalt’, en dat ‘het hoofd moet worden vastgehouden’. Van betekenis is ook de verslagen bezorgdheid van de vader van klager. Zo staat er dat vader het niet eens is met het louter voorschrijven van medicatie en dat hij wil dat zijn zoon door een huisarts beoordeeld wordt. Dergelijke punten hadden bij verweerster vragen moeten oproepen en hadden moeten leiden tot contact met de beoordelend arts en/of extra vragen aan de triagist. Anders gezegd: vertrouwen op collega’s is juist en een belangrijk goed, maar mag niet leiden tot de afwezigheid van een eigen kritische blik, ongeacht drukte, de urgentie van een verzoek om te tekenen en wat dies meer zij.
5.3. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in al haar onderdelen gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klager had behoren te betrachten.
5.4. Een en ander betekent echter niet dat het tuchtcollege geen oog heeft voor de
feitelijke gang van zaken op huisartsenposten, de meer dan eens aanwezige hectiek
en het belang om in korte tijd belangrijke beslissingen te nemen. Het tuchtcollege
weet dat onder die omstandigheden meer dan eens verslagen zullen worden geautoriseerd
die mogelijk niet aandachtig genoeg zijn gelezen. Die praktijk mag echter niet tot
de conclusie leiden dat zij daarmee steeds acceptabel is. Integendeel, zij brengt
risico’s met zich die vanuit de kwaliteit van zorg bezien en benoemd moeten worden
en het tuchtcollege ziet het als zijn taak dit belangrijke signaal te geven.
Wat de persoon van verweerster betreft, betekent de praktijk tegelijkertijd dat het
tuchtcollege hierin reden ziet om de vraag of een maatregel op zijn plaats is negatief
te beantwoorden (artikel 69 lid 4 Wet BIG). Daar komt bij dat verweerster er blijk
van heeft gegeven zich de situatie zeer aan te trekken; het tuchtcollege verwacht
dat verweerster de beoordelingen van triagisten en collega’s nooit meer als ‘zonder
meer juist’ zal zien.
5.5. Zodra deze beslissing onherroepelijk is geworden, zal deze worden gepubliceerd in de Staatscourant en ter publicatie worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact. De reden daarvoor is dat het college het van belang acht nog eens te benadrukken dat een arts op een HAP de hulpvraag van de patiënt en de informatie van de triage-assistent kritisch dient te beoordelen en niet zonder meer mag vertrouwen op de afweging van de assistent, maar een eigen verantwoordelijkheid heeft om voldoende informatie te bemachtigen teneinde adequate zorg te kunnen leveren.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt geen maatregel op;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat deze onherroepelijk is geworden, in geanonimiseerde
vorm in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal
worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Aldus beslist door:
J. Brand, voorzitter,
I. Boekhout, A. Wewerinke en D.E de Jong, leden-arts,
R.P. Wijne, lid-jurist,
bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2022 door de voorzitter in aanwezigheid
van de secretaris.