ECLI:NL:TGZRAMS:2022:63 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3653
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:63 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 31-05-2022 |
| Datum publicatie: | 31-05-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3653 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijke ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. De gz-psycholoog heeft een Pro Justitia rapportage opgesteld over klager. Zij heeft dit onderzoek voortijdig afgebroken, omdat zij zich niet langer in staat achtte om haar werkzaamheden goed uit te voeren vanwege de door haar als dwingend ervaren verzoeken van klager. Klager is van mening dat de gz-psycholoog onjuist heeft gehandeld omdat zij, kort gezegd, niet de juiste informatie bij het rapport heeft betrokken, geweigerd heeft haar werkzaamheden uit te voeren, niet deskundig is en klager onheus heeft bejegend. Het college vindt de keuze van de gz-psycholoog om het onderzoek te beëindigen - gelet op de inhoud en toon van de e-mails van klager- verdedigbaar. Overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond verklaard. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing van 31 mei 2022 naar aanleiding van de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen
C,
Gz-psycholoog,
werkzaam te B,
verweerster, hierna ook: de gz-psycholoog,
gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam te Utrecht.
1. De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 23 november 2021;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de brief van klager met bijlage aan het college, ontvangen op 15 februari 2022;
- de e-mailberichten van klager aan het college, ontvangen op 25 en 28 maart 2022;
- de repliek met bijlagen;
- de dupliek met bijlage.
1.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt. Het college heeft de klacht op basis van de stukken beoordeeld.
2. Waar gaat de zaak over?
De gz-psycholoog heeft in opdracht van het Openbaar Ministerie op 17 december 2020 een Pro Justitia rapportage opgesteld over klager. Zij heeft dit onderzoek voortijdig afgebroken, omdat zij zich niet langer in staat achtte om haar werkzaamheden goed uit te voeren. Klager is van mening dat de gz-psycholoog onjuist heeft gehandeld omdat zij, kort gezegd, niet de juiste informatie bij het rapport heeft betrokken, geweigerd heeft haar werkzaamheden uit te voeren, niet deskundig is en klager onheus heeft bejegend. Het college is van oordeel dat de gz-psycholoog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hieronder licht het college toe hoe het tot die beslissing is gekomen.
3. Wat is er precies gebeurd?
3.1 De gz-psycholoog is verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). In opdracht van de officier van justitie heeft de gz-psycholoog een psychologisch onderzoek ingesteld naar klager, die wordt verdacht van belaging en bedreiging. Voor het onderzoek heeft de gz-psycholoog een dossier van het Openbaar Ministerie ontvangen. Op 4 december 2020 heeft de gz-psycholoog met klager een gesprek gevoerd. Tijdens dit gesprek hebben de gz-psycholoog en klager afgesproken dat klager aan de gz-psycholoog een e-mail mocht sturen met zijn visie op het tenlastegelegde. Aan het eind van het gesprek heeft de gz-psycholoog aan klager een aantal vragenlijsten meegegeven om in te vullen voor het testpsychologisch onderzoek.
3.2 In de dagen na het gesprek heeft klager meerdere e-mails aan de gz-psycholoog gestuurd en op 7 december 2020 heeft klager ook telefonisch contact met haar opgenomen. In dit telefoongesprek verzocht klager de gz-psycholoog om zijn e-mails in het het rapport op te nemen, het strafdossier te vernietigen en hem per direct het dossier toe te zenden.
3.3 De gz-psycholoog achtte zich door de door haar als dwingend ervaren verzoeken niet meer in staat om vrij, onafhankelijk en naar eigen professioneel inzicht haar onderzoek te doen. Na overleg met een psycholoog en een jurist van het NIFP heeft zij daarom besloten het onderzoek naar klager te staken.
3.4 Op 10 december is klager aanwezig bij het NIFP voor het testonderzoek dat die dag zou plaatsvinden. Als klager vanaf het NIFP naar de gz-psycholoog belt, laat zij hem weten dat de afspraak geen doorgang vindt omdat zij heeft besloten om het onderzoek te staken. De gz-psycholoog biedt haar verontschudigingen aan voor het feit dat klager niet is afgebeld.
3.5 In het Pro Justitia rapport van december 2020 is vermeld dat de gz-psycholoog zich door de opstelling van klager in combinatie met de grote hoeveelheid ongevraagde mails met verzoeken, niet meer vrij voelt om onderhavig onderzoek onafhankelijk en naar eigen professionele standaarden uit te voeren. Verder is vermeld dat het persoonlijkheidsonderzoek niet van de grond is gekomen en voortijdig is afgebroken vanwege (het ontbreken van) de benodigde medewerking/samenwerking met klager en dat daardoor de (6) onderzoeksvragen niet konden worden beantwoord. Wel bevat het rapport een beschrijving over het verloop van het onderzoek en het voortijdig beëindigen daarvan. Ook bevat het rapport een weergave van de stukken uit het strafdossier, waaronder een Pro Justitia rapport van mei 2017 dat is opgesteld door de heer D, psychiater. De e-mails van klager aan de gz-psycholoog zijn als bijlagen bij het rapport gevoegd.
4. Wat houdt de klacht in en wat is het verweer?
4.1 Klager verwijt de gz-psycholoog dat zij:
2. geweigerd heeft om te controleren of het rapport van D in het dossier van klager thuishoort;
3. geweigerd heeft om de door klager aangeleverde aanvullende informatie (e-mails en ingevulde vragenlijsten) bij haar rapport te betrekken en geen aanvullende informatie heeft opgevraagd bij de de huisarts (en praktijkondersteuner) van klager;
5. geweigerd heeft haar werkzaamheden uit te voeren;
8. ongeschikt is voor het uitvoeren van haar werkzaamheden omdat zij niet over juridische kennis beschikt;
12. klager onheus heeft bejegend, hem niet serieus heeft genomen en het deed voorkomen alsof eiser geen medewerking aan het onderzoek wilde verlenen;
17. geweigerd heeft het verslag van het interne overleg tussen de gz-psycholoog en de psycholoog en jurist van het NIFP aan klager toe te zenden.
4.2 Volgens de gz-psycholoog is het derde klachtonderdeel niet ontvankelijk
omdat klager niet de opdrachtgever van het onderzoek is. Verder heeft zij de klacht
inhoudelijk bestreden.
5 Wat zijn de overwegingen van het college?
Is de klacht ontvankelijk?
5.1 Anders dan de gz-psycholoog is het college van oordeel dat het derde klachtonderdeel over het weigeren van het uitvoeren van de werkzaamheden wel ontvankelijk is. Klager kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65, eerste lid, onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Het onderzoek gaat immers over klager en hij heeft er belang bij dat het onderzoek op een juiste manier wordt afgerond. Voor de volledigheid merkt het college op dat klager ook in de andere klachtonderdelen kan worden ontvangen.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.2 Voordat het college inhoudelijk ingaat op de verschillende klachtonderdelen, wordt vooropgesteld dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen anders of beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
Inhoudelijke beoordeling
5.3 De klacht bestaat uit zes klachtonderdelen. Het college behandelt eerst de klachtonderdelen 3 en 5 gezamenlijk en bespreekt daarna de andere klachtonderdelen.
Klachtonderdeel 3 en 5: weigering uitvoering werkzaamheden en bejegening
5.4 Met klager is afgesproken dat hij zijn visie op het tenlastegelegde naar de gz-psycholoog zou sturen en dat zij dat tijdens een volgende afspraak zouden bespreken. Klager heeft de gz-psycholoog vervolgens op 4 en 5 december 2020 meerdere e-mails verstuurd, waarin onder meer is vermeld: “Geachte C, (…) bevestigt u alstublieft per omgaande dat u het rapport van D vernietigd. (…)”, en: “Geachte C, (…) Van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg hoorde ik niets mee. Werkweigering. Wat een aanfluiting. Ik verzoek u alle informatie die u mogelijk van deze boeven heeft ontvangen per direct met een grote boog mijn dossier uit te mieteren en mij per ommegaande bevestiging te sturen hiervan. Alvast bedankt voor uw welwillende medewerking in deze en met vriendelijke groet (…)” en “Geachte C, (…) Ik reken erop dat u uw werkzaamheden wel naar behoren uitvoert (…)” en “Geachte anoniempje, (…) uw gedrag is klachtwaardig. Past u een beetje op? (…).” Het college vindt de keuze van de gz-psycholoog om het onderzoek te beëindigen - gelet op de inhoud en toon van de mails - verdedigbaar. Die keuze valt binnen de onder 5.2 bedoelde grenzen. Weliswaar zou het beter zijn geweest wanneer de gz-psycholoog klager eerst had gewezen op de mogelijke consequenties van zijn gedrag alvorens het onderzoek te beëindigen, maar dit is onvoldoende om haar een tuchtrechtelijk verwijt te maken.
5.5 Dat aan klager vervolgens niet is gemeld dat de testafspraak op 10 december 2020 geen doorgang zou vinden zodat klager voor niets naar een afspraak voor testonderzoek is gegaan, is ongelukkig. Ook dit is echter van onvoldoende gewicht om te spreken van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid.
5.6 De gz-psycholoog heeft dit verloop van het onderzoek en de reden van beëindiging beschreven in het rapport onder het kopje “Medewerking aan het onderzoek”. Volgens klager heeft de gz-psycholoog hem onheus bejegend doordat het lijkt alsof hij niet aan het onderzoek wilde meewerken, terwijl hij dat wel deed. Daarnaast stelt klager dat de gz-psycholoog tijdens het gesprek op 4 december 2020 vooringenomen was en klager toesprak alsof hij een klein kind was. De gz-psycholoog heeft deze verwijten bestreden. Het college kan niet vaststellen dat de gz-psycholoog klager onheus heeft bejegend. Het dossier biedt daarvoor geen aanknopingspunten. Het is het woord van de één tegen dat van de ander. Dit maakt dat het college niet kan vaststellen dat dit verwijt gegrond is. Klachtonderdelen 3 en 5 zijn dus ongegrond.
Klachtonderdeel 1: rapport D
5.7 Volgens klager heeft de rechter in een eerdere zaak geoordeeld dat het rapport van D niet in het dossier in die zaak van klager thuishoorde. De gz-psycholoog had dit rapport niet mogen opnemen. Naar het oordeel van het college kan de gz-psycholoog niet worden verweten dat zij in haar rapport een beschrijving heeft gegeven van het rapport van D. In de NIFP-richtlijn (NIFP Richtlijn Ambulant forensisch psychologisch onderzoek en rapportage in het strafrecht) staat dat het psychologisch onderzoek onder meer berust op het strafdossier. De gz-psycholoog stelt terecht dat het niet haar taak is om te controleren welke stukken in het strafdossier thuishoren. Zij kan deze stukken niet op verzoek van klager buiten beschouwing laten. Indien de gz-psycholoog op basis van haar eigen bevindingen tot een andere conclusie zou komen, had zij dit in haar overwegingen kunnen opnemen. Zover is het niet gekomen omdat het onderzoek voortijdig is geëindigd. Klachtonderdeel 1 is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 2: weigering opnemen aanvullende informatie
5.8 Klager stelt dat de gz-psycholoog zijn aanvullende e-mails en de door hem ingevulde vragenlijsten bij het rapport had moeten betrekken. Ook verwijt hij haar dat ze geen informatie bij de huisarts en de praktijkondersteuner heeft opgevraagd, terwijl klager hier wel schriftelijk toestemming voor heeft gegeven. Het college overweegt dat het aan de onderzoeker is om te bepalen welke van de door klager verstrekte informatie bij het rapport wordt betrokken. Overigens heeft de gz-psycholoog de e-mails van klager wel als bijlage bij het rapport gevoegd. De gz-psycholoog heeft toegelicht dat zij de vragenlijsten niet meer bij het onderzoek heeft betrokken en geen informatie bij de huisarts van klager heeft opgevraagd, omdat het onderzoek voortijdig is beëindigd. De onderzoeksvragen konden daardoor (in het geheel) niet worden beantwoord. De gz-psycholoog valt geen verwijt te maken van het feit dat ze de voornoemde informatie niet bij het onderzoek heeft betrokken. Klachtonderdeel 2 is ongegrond.
Klachtonderdeel 4: deskundigheid gz-psycholoog
5.9 Volgens klager heeft de gz-psycholoog het verhaal van aangevers en OM als feitelijk juist aangemerkt en blijkt hieruit dat zij niet over juridische kennis beschikt. Dit maakt haar volgens klager ongeschikt voor het uitvoeren van de werkzaamheden voor de NIFP. Deze klacht slaagt niet. De opdracht aan de gz-psycholoog was om onderzoek te doen naar de psychische gesteldheid van klager en de vraag of een psychische stoornis of ontwikkelingsachterstand doorwerkt in het tenlastegelegde. Niet gebleken is dat de gz-psycholoog hiervoor onvoldoende gekwalificeerd is. De gz-psycholoog stelt dat zij ruime ervaring heeft met het opmaken van Pro Justitia rapportages. De gz-psycholoog heeft terecht naar voren heeft gebracht dat het voor de uitvoering van de opdracht niet nodig is om jurist te zijn. Daarnaast is ook niet gebleken dat de gz-psycholoog is uitgegaan van de juistheid van het verhaal van het OM. Zoals vermeld onder 3.5 bevat de rapportage onder meer een beschrijving van de stukken uit het strafdossier. Dit betekent niet dat de gz-psycholoog deze stukken als feitelijk juist heeft aangemerkt. Klachtonderdeel 4 is ongegrond.
Klachtonderdeel 6: weigering ter beschikking stellen gespreksverslag
5.10 De gz-psycholoog heeft het onderzoek beëindigd na overleg met een psycholoog en een jurist van het NIFP. Klager trekt in twijfel of dit gesprek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en hij verwijt de gz-psycholoog dat zij weigert om het verslag van dit gesprek aan hem toe te zenden. Los van de vraag of er van dit gesprek een verslag is gemaakt, is het college van oordeel dat de gz-psycholoog een dergelijk verslag niet aan klager hoeft toe te zenden. De gz-psycholoog heeft wel een (in verband met de veiligheid van betrokkene geanonimiseerde) verklaring overgelegd waaruit blijkt dat er destijds overleg tussen de gz-psycholoog en het NIFP heeft plaatsgevonden. Ook klachtonderdeel 6 is daarom ongegrond.
Conclusie
5.11 De conclusie is dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is. Het verzoek van klager om een proceskostenveroordeling wordt daarom afgewezen.
6. De beslissing
De klacht is kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door P.M. de Keuning, voorzitter, T.A.W. van der Schoot
en C.H.J.A.M. van de Vijfeijken, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door L.B.M. van
‘t Nedereind, secretaris.
secretaris
voorzitter