ECLI:NL:TGZRAMS:2022:59 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3405
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:59 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-05-2022 |
| Datum publicatie: | 17-05-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3405 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager en klaagster zijn partners. Klager heeft uit een eerdere relatie een zoon en klaagster uit een eerdere relatie een dochter. Verweerster is de huisarts van de kinderen van klagers. Verweerster heeft een melding gedaan bij Veilig Thuis over de zoon van klager in verband met een plekje op zijn hoofd. Klager en klaagster zijn het niet eens met de melding en vinden ook de dossiervoering door verweerster en de wijze waarop zij door verweerster zijn behandeld onjuist. Het college heeft de klachten waarin de medische gegevens van de zoon van klager een rol spelen en de klachten waarin de medische gegevens van de dochter van klaagster een rol spelen ondergebracht in twee aparte zaken, nu klagers geen gezag hebben over elkaars kinderen. Verweerster had daarom twee aparte verweerschriften ingediend. In deze zaak spelen de medische gegevens van de zoon van klager een rol. Voor zover klaagster hierover (mede) klaagt is zij niet ontvankelijk. Inhoudelijk oordeelt het college in deze zaak dat verweerster bij het doen van de melding aan Veilig Thuis heeft gehandeld als een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Zij heeft het gesprek over de mogelijke melding met respect voor de positie van beide ouders gevoerd en niet op lichtvaardige gronden en in overeenstemming met het advies van Veilig Thuis heeft gemeld en vervolgens overeenkomstig de adviezen van Veilig Thuis gehandeld. Verweerster kon verder de mails van de moeder van de zoon van klager niet in het dossier opnemen, omdat de moeder daar geen toestemming voor had gegeven. Het dossier was verder - voor zover mogelijk - compleet. Ook de klachten dat verweerster klager onnodig heeft belemmerd bij het voorschrijven van medicijnen en het weigeren van een doorverwijzing en hem het recht van klager heeft geprobeerd te ontnemen, falen. |
A2021/3405
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de aanvankelijk op 30 augustus 2021 door het Regionaal
Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle ontvangen klacht en na overdracht aan
het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam aldaar op 21 oktober
2021 binnengekomen klacht van:
C,
wonende te B,
klager,
en
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
D,
huisarts,
werkzaam te B,
verweerster,
gemachtigde mr. A.C. de Die, advocaat te Amsterdam.
1. De procedure
1.1. Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de correspondentie met betrekking tot het mondelinge vooronderzoek en
- de correspondentie met betrekking tot de zitting.
1.2. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid van het
mondelinge vooronderzoek.
1.3. Het college heeft de klacht op 5 april 2022 ter zitting behandeld. Klager en klaagster zijn niet verschenen. Verweerster was aanwezig en werd bijgestaan door mr. De Die.
2. Waar gaat de zaak over?
Klager en klaagster zijn partners. Klager heeft uit een eerdere relatie een zoon,
F. Klaagster heeft uit een eerdere relatie een dochter, E. Verweerster heeft een melding
gedaan bij Veilig Thuis. Deze melding is gedaan nadat verweerster op verzoek van de
ex-echtgenote van klager een plek op het hoofd van F heeft beoordeeld, die was ontstaan
tijdens het verblijf van F bij klager. Verweerster was van opvatting dat de door F
gegeven verklaring over het ontstaan van de wond – krabben in de slaap – niet paste
bij de wond. Verweerster had het vermoeden van opzettelijk toegebracht letsel; er
leek sprake van een brandwond.
Klager en klaagster zijn het niet met deze melding eens en vinden ook de dossiervoering
door verweerster en de wijze waarop zij door verweerster zijn behandeld – waaronder
een dreigement richting klaagster en de schending van haar privacy - onjuist.
3. De klacht
3.1. Klager en klaagster hebben hun klachten genummerd van A tot en met P. De klachten
hebben samengevat betrekking op de door verweerster gedane melding bij Veilig Thuis,
de bejegening en communicatie, medicatieverstrekking en doorverwijzing alsmede op
door verweerster uitgeoefende druk op klaagster en de schending van haar privacy.
De klachten laten zich samenvatten als vermeld onder 3.2 tot en met 3.6.
3.2. Klager is van opvatting dat verweerster naar aanleiding van een wondje op het voorhoofd van F ten onrechte een melding heeft gedaan bij Veilig Thuis. Indien verweerster de stappen opgenomen in de KNMG-meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld had gevolgd en voor de melding in overleg zou zijn getreden met Veilig Thuis, dan zou duidelijk zijn geweest dat er voor een melding geen plaats was. Van opzettelijk toegebracht letsel is geen sprake. Klager is voorts van opvatting dat verweerster niet op juiste wijze overleg met hem heeft gevoerd omtrent de melding. Klager voelt zich niet serieus genomen door verweerster. De gedragingen van verweerster ondermijnen zijn gezag als ouder.
3.3. Klager is van opvatting dat verweerster het medisch dossier niet goed heeft gevoerd. Niet alle stukken zijn in dit dossier opgenomen.
3.4. Klager is van opvatting dat verweerster in het kader van het voorschrijven van
medicijnen en het weigeren van een doorverwijzing, althans dit laatste onnodig moeilijk
makend, hem onnodig heeft belemmerd.
3.5. Klager en klaagster zijn van opvatting dat verweerster heeft gepoogd haar het recht van klagen te ontnemen. Dit mede door te dreigen dat indien klaagster een klacht bij het tuchtcollege zou indienen zij een melding bij Veilig Thuis over kinderen van haar en van klager zou doen.
3.6. Klaagster heeft aangevoerd dat verweerster haar privacy heeft geschonden.
4. Procedurele verwikkelingen
4.1. Klager en klaagster klagen over de handelwijze van verweerster richting hen.
Bij het voeren van verweer door verweerster en de beoordeling van de klachten door
het college kunnen de medische gegevens van F en E niet (geheel) buiten bespreking
blijven. Klager heeft echter over E geen wettelijk gezag en klaagster niet over F.
Verweerster heeft er terecht op gewezen dat het haar in verband met haar beroepsgeheim
niet is toegestaan omtrent F en E mededelingen te doen richting de niet gezaghebbend
partner. Verweerster heeft apart verweer gevoerd ten aanzien van de klachten waarin
de medische gegevens van F en die van E een rol spelen.
Het college heeft de klachten van klager waarin de medische gegevens van F en de klachten
van klaagster waarin de medische gegevens van E een rol spelen, gescheiden en ondergebracht
in twee aparte zaken. In deze zaak staan de klachten van klager waarin medische gegevens
van F een rol spelen centraal. In de zaak A2021/3719 staan de klachten waarin de medische
gegevens van E een rol spelen centraal. In beide zaken zal ook een oordeel worden
gegeven over de ontvankelijkheid van de klachten voor zover klager of klaagster heeft
beoogd te klagen over handelingen van verweerster waarbij de medische gegevens van
een kind aan de orde zijn waarover geen gezag bestaat.
Teneinde te voorkomen dat klager of klaagster op de hoogte raakt van medische gegevens
waarop zij geen recht hebben, heeft het college in afwachting van een definitief oordeel
over de ontvankelijk van klager en klaagster het verweerschrift en de bijbehorende
medische gegevens voor zover die betrekking hebben op het kind waarover geen gezag
bestaat niet aan die partij gezonden.
4.2. Het door klager en klaagster aan het college gerichte verbod om het geschil ter
zitting te behandelen en de opdracht de zaak terug te wijzen naar de raadkamer kan
niet worden gevolgd. Voor een behandeling in raadkamer was geen plaats, omdat niet
op voorhand duidelijk was dat de klacht ongegrond was, dan wel dat zich één van de
overige in artikel 67a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
(Wet BIG) genoemde situaties voordeed. Verder vloeit uit dit artikel voort indien
– zoals in dit geval - is bepaald dat een zaak ter terechtzitting zal worden behandeld
de zaak niet naar de raadkamer kan worden teruggewezen. Verder kan niet uit het oog
worden verloren dat het volgen van klager en klaagster ertoe zou leiden dat verweerster
het recht zou worden onthouden zich ter zitting te verdedigen. Dit strijdt met artikel
67 van de Wet BIG inhoudende dat ook verweerster in de gelegenheid wordt gesteld tijdens
de behandeling van een tegen haar gerichte klacht ter zitting aanwezig te zijn en
te worden gehoord.
4.3. Voor inwilliging van het verzoek om behandeling met gesloten deuren is geen plaats. Bij de behandeling van het geschil ter zitting is het gelet op de gronden niet noodzakelijk de naam van F te noemen. Evenmin is nodig dat wordt geopenbaard over welke verwondingen het precies gaat.
4.4. Voor het verlenen van uitstel is evenmin plaats. Klager en klaagster zijn tijdig
op de hoogte gebracht van datum en tijdstip van de zitting. Van de zijde van het secretariaat
van het college is – tot op de dag van de zitting naar aanleiding van berichten van
klager en klaagster – gepoogd informatie te verstrekken over de mogelijkheden en onmogelijkheden
van de procedure.
4.5. Volledigheidshalve merkt het college nog op dat aan klager en klaagster is gemeld
dat verzoeken van procedurele aard – waaronder het verzoek om behandeling met gesloten
deuren - ter zitting aan de orde kunnen worden gesteld en dat op die verzoeken dan
onmiddellijk zal worden beslist.
5. De splitsing van de klachten en de ontvankelijkheid van klaagster
5.1. In de klachtonderdelen van klager vermeld onder 3.2, 3.3, 3.4 en 3.5 spelen de
medische gegevens van F een rol. Deze klachtonderdelen worden in deze beslissing als
reactie op de klachten van klager besproken.
5.2. Klaagster heeft over F geen wettelijk gezag. Klaagster kan bij deze klachten dan ook niet worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65 van de Wet BIG. Klaagster is daarom ten aanzien van haar klachten vermeld onder 5.1 niet klachtgerechtigd en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.3. De klachtonderdelen van klaagster vermeld onder 3.5 en 3.6 zijn behandeld in de zaak A2021/3719 waarin heden uitspraak is gedaan en blijven hier buiten bespreking.
6. Het verweer ten aanzien van de klachten vermeld onder 3.2, 3.3, 3.4 en 3.5
Verweerster heeft in verweer naar aanleiding van de klachten van klager waarin de
medische gegevens van F een rol spelen uiteengezet dat zij twijfelde aan de verklaring
die F en klager gaven over het ontstaan van de plek op het hoofd van F. Omdat verweerster
geen passende medische verklaring had voor het ontstaan van de wond heeft zij haar
zorg voorgelegd aan beide ouders. Hierbij heeft ook een rol gespeeld dat er ook andere
zorgen speelden over het gezin. Er was al eerder een melding van school bij Veilig
Thuis gedaan en de ouders uiten doorlopend over en weer jegens elkaar ernstige beschuldigingen.
Het met de ouders – deels in het bijzijn van F – gevoerde overleg heeft haar zorgen
niet weggenomen en zij heeft de ouders gemeld dat zij contact zal opnemen met Veilig
Thuis. Het overleg met Veilig Thuis heeft geleid tot het advies om tot een melding
over te gaan, hetgeen verweerster heeft gedaan.
Verweerster heeft het dossier op juiste wijze gevoerd. Zij heeft feitelijke onjuistheden
in het dossier steeds verbeterd. Verweerster heeft echter geweigerd gegevens verstrekt
door de moeder van F in het dossier op te nemen. Dat mag zij niet zonder de toestemming
van de moeder en deze had zij uitdrukkelijk niet.
7. Wat vindt het college van de klacht en het verweer?
7.1. Het college moet beoordelen of verweerster de zorg heeft verleend die van haar
als huisarts mocht worden verwacht. De norm daarvoor is een ‘redelijk bekwame en redelijk
handelende’ huisarts. Het college houdt bij de beoordeling rekening met de wetenschappelijke
inzichten op het moment van de zorgverlening en met de toen voor de huisarts geldende
beroepsnormen. Hierbij speelt voor wat betreft de melding een belangrijke rol de KNMG-meldcode
kindermishandeling en huiselijk geweld.
7.2.1. De klacht vermeld onder 3.2 treft geen doel. Het antwoord op de vraag of al
dan niet sprake is van opzettelijk toegepast letsel is, anders dan klager meent, niet
van doorslaggevend belang. Het gaat om het antwoord op de vraag of verweerster als
redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts een melding bij Veilig Thuis heeft
kunnen doen. Dit is gelet op de omstandigheden van deze zaak het geval. Verweerster
werd al langere tijd geconfronteerd met twee ouders met een verschillende visie over
hetgeen ook in medisch opzicht goed was voor F. Daarbij komt nog dat verweerster op
de hoogte was van een eerdere melding van school bij Veilig Thuis, dat er meerdere
instanties betrokken zijn bij het gezin van klager en met klager eerder afspraken
zijn gemaakt over het zich onthouden van lijfstraffen. In deze situatie is verweerster
op het moment dat de moeder van F zich bij haar meldde met de mededeling dat F na
een verblijf bij klager thuiskwam met een wond op zijn voorhoofd terecht alert geweest.
Verweerster heeft op 8 januari 2021 gesproken met de moeder van F, F en klager. Verweerster
heeft de wond bezien en uitgevraagd hoe deze is ontstaan. Volgens klager en F is de
wond veroorzaakt door krabben in de slaap, maar verweerster vond de wond daarbij niet
passen. Het leek verweerster het meest op een genezende brandwond. Verweerster heeft
in deze situatie nu zij niet kon uitsluiten dat sprake was van een structurele onveiligheid
terecht aanleiding gezien te overwegen om zich tot Veilig Thuis te wenden. Terecht
heeft zij in dit kader eerst met klager en de moeder van F overleg gepleegd. Zowel
uit het verslag van dit gesprek als opgenomen in het medisch dossier, als uit het
uitgewerkte verslag van een door klager gemaakte opname van het gesprek, komt geenszins
een zodanig geruststellend beeld naar voren op grond waarvan verweerster had moeten
afzien van het vragen van advies aan Veilig Thuis. Wel komt hieruit naar voren dat
verweerster het overleg op juiste zorgvuldige wijze heeft gevoerd en geenszins afbreuk
heeft gedaan aan het gezag van klager.
7.2.2. Verweerster heeft op 11 januari 2021 contact opgenomen met Veilig Thuis. Verweerster heeft conform het verkregen advies gemeld en overeenkomstig dit advies gehandeld. Zo is zowel een kinderarts van “het Leck” als een dermatoloog ingeschakeld. Uit de door deze artsen verrichte onderzoeken komt naar voren dat de zorgen van verweerster worden gedeeld en wordt de diagnose dermatitis artefacta – een vorm van automutilatie – gesteld. Anders dan klager blijkbaar van opvatting is, betekent dit noch dat verweerster een verkeerde diagnose heeft gesteld, noch dat er met F niets aan de hand is en verweerster ten onrechte ernstige zorgen had over het welzijn van F. Van een verkeerde diagnose is geen sprake, omdat verweerster geen diagnose heeft gesteld, maar de wond niet vond passen bij krabben in de slaap. Dit vermoeden bleek juist en automutilatie is veelal een uiting van ernstige psychische problemen.
7.2.3. Uit 7.2.1 en 7.2.2 volgt dat verweerster het gesprek omtrent de mogelijke melding met respect voor de positie van beide ouders heeft gevoerd en zeker niet op lichtvaardige gronden en in overeenstemming met het advies van Veilig Thuis heeft gemeld en vervolgens overeenkomstig de adviezen van Veilig Thuis heeft gehandeld.
7.3. De klacht vermeld onder 3.3 treft ook geen doel. De klacht ziet op het niet opnemen in het dossier van mails van de moeder van F aan verweerster. Dit zijn stukken die nu de moeder van F geen toestemming heeft gegeven deze op te nemen in het medisch dossier van F niet in dat dossier kunnen worden opgenomen. Het dossier is derhalve – voor zover mogelijk – compleet, zodat de klacht feitelijke grondslag mist.
7.4. De klacht vermeld onder 3.4 treft geen doel. Uit het medisch dossier volgt dat verweerster steeds heeft gepoogd met respect voor de standpunten en positie van alle betrokken partijen tot oplossingen te komen. Verweerster heeft steeds – voor zover mogelijk gelet op de gezagsrelatie – alle opvattingen van betrokkenen in haar overwegingen meegenomen en afwegingen gemaakt die kunnen worden gevolgd. Dat verweerster voordat zij een doorverwijzing naar de kinderpsychiater en de kinderfysiotherapie afgeeft een spreekuurbezoek noodzakelijk achtte, getuigt zeker in de bestaande situatie waar betrokkenen veelal niet op één lijn zaten, geenszins van het onnodig hinderen of belemmeren van klager of klaagster, dan wel van onnodig formalisme, maar van een juiste beroepsuitoefening.
7.5. De klacht van klager vermeld onder 3.5 treft evenmin doel. Verweerster heeft niet klager, maar klaagster gedreigd naar aanleiding van een dreiging van de zijde van klaagster richting verweerster. Onderdeel van de dreiging was het doen van een melding richting Veilig Thuis omtrent F. Deze dreiging is niet uitgevoerd. De melding van verweerster bij Veilig Thuis heeft geen relatie met deze dreiging. Uit de klacht van klaagster blijkt ook niet op welke wijze hij of F zijn geschaad.
7.6. Uit het voorgaande volgt dat de klacht van klager in al zijn onderdelen ongegrond
is.
8. De beslissing
Het college:
- verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar klachtonderdelen vermeld onder 3.2,
3.3, 3.4 en 3.5;
- verklaart de klachtonderdelen van klager vermeld onder 3.2, 3.3, 3.4 en 3.5 ongegrond.
Aldus beslist door:
J. Brand, voorzitter,
I. Boekhout, A. Wewerinke en D.E. de Jong, leden-arts,
R.P. Wijne, lid-jurist,
bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2022 door de voorzitter in aanwezigheid
van de secretaris.