ECLI:NL:TGZRAMS:2022:58 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3719

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:58
Datum uitspraak: 17-05-2022
Datum publicatie: 17-05-2022
Zaaknummer(s): A2021/3719
Onderwerp: Schending beroepsgeheim
Beslissingen: Gegrond, waarschuwing
Inhoudsindicatie: Klager en klaagster zijn partners. Klager heeft uit een eerdere relatie een zoon en klaagster uit een eerdere relatie een dochter. Verweerster is de huisarts van de kinderen van klagers. Het college heeft de klachten waarin de medische gegevens van de zoon van klager een rol spelen en de klachten waarin de medische gegevens van de dochter van klaagster een rol spelen ondergebracht in twee aparte zaken, nu klagers geen gezag hebben over elkaars kinderen. Verweerster had daarom ook twee aparte verweerschriften ingediend. Tussen de partner van klaagster en de huisarts is een conflict ontstaan over een Veilig Thuis melding door de huisarts betreffende zijn zoon. Klaagster verwijt de huisarts dat zij haar privacy heeft geschonden, door haar in die kwestie te noemen in een e-mail aan derden. Tevens verwijt zij de huisarts machtsmisbruik c.q. chantage door te dreigen met een Veilig Thuismelding ten aanzien van de dochter van klaagster en het weigeren medische gegevens van haar dochter aan haar te verstrekken. Het college overweegt dat voor zover klager mede klaagt over de zaak waarin de medische gegevens van de dochter van klaagster een rol spelen, klager geen rechtstreeks belanghebbende is en daarom niet-ontvankelijk is. De klacht van klaagster dat verweerster heeft gepoogd haar het recht van klagen te ontnemen door te dreigen een melding bij Veilig Thuis te doen over haar kinderen treft doel. Verweerster heeft zelf ook erkend dat zij de gewraakte uitlating nooit had mogen doen. het college legt hiervoor de maatregel van een waarschuwing op. De klacht van klaagster dat verweerster haar privacy heeft geschonden is door klaagster onvoldoende onderbouwd en daarmee ongegrond.

A2021/3719
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing naar aanleiding van de aanvankelijk op 30 augustus 2021 door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle ontvangen klacht en na overdracht aan het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam aldaar op 21 oktober 2021 binnengekomen klacht van:


A,
wonende te B,
klaagster,


en


C,
wonende te B,
klager


tegen


D,
huisarts,
werkzaam te B,
verweerster,
gemachtigde mr. A.C. de Die, advocaat te Amsterdam.


1. De procedure
1.1. Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlagen;
- de correspondentie met betrekking tot het mondelinge vooronderzoek en
- de correspondentie met betrekking tot de zitting.

1.2. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid van het mondelinge vooronderzoek.

1.3. Het college heeft de klacht op 5 april 2022 ter zitting behandeld. Klager en klaagster zijn niet verschenen. Verweerster was aanwezig en werd bijgestaan door mr. De Die.

2. Waar gaat de zaak over?
Klaagster en klager zijn partners. Klaagster heeft uit een eerdere relatie een dochter, E. Klager heeft uit een eerdere relatie een zoon, F. Verweerster heeft een melding gedaan bij Veilig Thuis. Deze melding is gedaan nadat verweerster op verzoek van de ex-echtgenote van klager (moeder van F) een plek op het hoofd van F heeft beoordeeld, die was ontstaan tijdens het verblijf van F bij klager. Verweerster was van opvatting dat de door F gegeven verklaring over het ontstaan van de wond – krabben in de slaap – niet paste bij de wond. Verweerster had het vermoeden van opzettelijk toegebracht letsel; er leek sprake van een brandwond.
Klaagster en klager zijn het niet met deze melding eens en vinden ook de dossiervoering door verweerster en de wijze waarop zij door verweerster zijn behandeld – waaronder een dreigement - onjuist.

3. De klacht
3.1. Klaagster en klager hebben hun klachten genummerd van A tot en met P. De klachten hebben samengevat betrekking op de door verweerster gedane melding bij Veilig Thuis, de bejegening en communicatie, medicatieverstrekking en doorverwijzing alsmede op door verweerster uitgeoefende druk op klaagster. De klachten laten zich samenvatten als vermeld onder 3.2 tot en met 3.6.

3.2. Klager is van opvatting dat verweerster naar aanleiding van een wondje op het voorhoofd van F ten onrechte een melding heeft gedaan bij Veilig Thuis. Indien verweerster de stappen opgenomen in de KNMG-meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld had gevolgd en voor de melding in overleg zou zijn getreden met Veilig Thuis, dan zou duidelijk zijn geweest dat er voor een melding geen plaats was. Van opzettelijk toegebracht letsel is geen sprake. Klager is voorts van opvatting dat verweerster niet op juiste wijze overleg met hem heeft gevoerd omtrent de melding. Klager voelt zich niet serieus genomen door verweerster. De gedragingen van verweerster ondermijnen zijn gezag als ouder.

3.3. Klager is van opvatting dat verweerster het medisch dossier niet goed heeft gevoerd. Niet alle stukken zijn in dit dossier opgenomen.

3.4. Klager is van opvatting dat verweerster in het kader van het voorschrijven van medicijnen en het weigeren van een doorverwijzing, althans dit laatste onnodig moeilijk makend, hem onnodig heeft belemmerd.

3.5. Klaagster en klager zijn van opvatting dat verweerster heeft gepoogd haar het recht van klagen te ontnemen. Dit mede door te dreigen dat indien klaagster een klacht bij het tuchtcollege zou indienen zij een melding bij Veilig Thuis over kinderen van haar en van klager zou doen.


3.6. Klaagster heeft aangevoerd dat verweerster haar privacy heeft geschonden.

4. Procedurele verwikkelingen
4.1. Klaagster en klager klagen over de handelwijze van verweerster richting hen. Bij het voeren van verweer door verweerster en de beoordeling van de klachten door het college kunnen de medische gegevens van E en F niet (geheel) buiten bespreking blijven. Klaagster heeft echter over F en klager over E geen wettelijk gezag. Verweerster heeft er terecht op gewezen dat het haar in verband met haar beroepsgeheim niet is toegestaan omtrent F en E mededelingen te doen richting de niet gezaghebbend partner. Verweerster heeft apart verweer gevoerd ten aanzien van de klachten waarin de situatie van E en die van F een rol spelen.
Het college heeft de klachten van klaagster waarin de medische gegevens van E en de klachten van klager waarin de medische gegevens van F een rol spelen, gescheiden en ondergebracht in twee aparte zaken. In deze zaak staan de klachten waarin medische gegevens van E een rol spelen centraal. In de zaak A2021/3405 staan de klachten waarin de medische gegevens van F een rol spelen centraal. In beide zaken zal ook een oordeel worden gegeven over de ontvankelijkheid van de klachten voor zover klaagster of klager heeft beoogd te klagen over handelingen van verweerster waarbij de medische gegevens van een kind aan de orde zijn waarover geen gezag bestaat.
Teneinde te voorkomen dat klager of klaagster op de hoogte raakt van medische gegevens waarop zij geen recht hebben, heeft het college in afwachting van een definitief oordeel over de ontvankelijkheid van klager en klaagster het verweerschrift en de bijbehorende medische gegevens voor zover die betrekking hebben op het kind waarover geen gezag bestaat niet aan die partij gezonden.

4.2. Het door klaagster en klager aan het college gerichte verbod om het geschil ter zitting te behandelen en de opdracht de zaak terug te wijzen naar de raadkamer kan niet worden gevolgd. Voor een behandeling in raadkamer was geen plaats, omdat niet op voorhand duidelijk was dat de klacht ongegrond was, dan wel dat zich één van de overige in artikel 67a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) genoemde situaties voordeed. Verder vloeit uit dit artikel voort indien – zoals in dit geval - is bepaald dat een zaak ter terechtzitting zal worden behandeld de zaak niet naar de raadkamer kan worden teruggewezen. Verder kan niet uit het oog worden verloren dat het volgen van klaagster en klager ertoe zou leiden dat verweerster het recht zou worden onthouden zich ter zitting te verdedigen. Dit strijdt met artikel 67 van de Wet BIG inhoudende dat ook verweerster in de gelegenheid wordt gesteld tijdens de behandeling van een tegen haar gerichte klacht ter zitting aanwezig te zijn en te worden gehoord.

4.3. Voor inwilliging van het verzoek om behandeling met gesloten deuren is geen plaats. Bij de behandeling van het geschil ter zitting is het gelet op de gronden niet noodzakelijk de naam van E te noemen.

4.4. Voor het verlenen van uitstel is evenmin plaats. Klaagster en klager zijn tijdig op de hoogte gebracht van datum en tijdstip van de zitting. Van de zijde van het secretariaat van het college is – tot op de dag van de zitting naar aanleiding van berichten van klaagster en klager – gepoogd informatie te verstrekken over de mogelijkheden en onmogelijkheden van de procedure.

4.5. Volledigheidshalve merkt het college nog op dat aan klaagster en klager is gemeld dat verzoeken van procedurele aard – waaronder het verzoek om behandeling met gesloten deuren - ter zitting aan de orde kunnen worden gesteld en dat op die verzoeken dan onmiddellijk zal worden beslist.

5. De splitsing van de klachten en de ontvankelijkheid van klager
5.1. In de klachtonderdelen van klaagster vermeld onder 3.5 en 3.6 spelen medische gegevens van E een rol. Deze klachtonderdelen worden in deze beslissing als reactie op de klachten van klaagster besproken.

5.2. Klager heeft over E geen wettelijk gezag. Klager kan bij deze klachten dan ook niet worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65 van de Wet BIG. Klager is daarom ten aanzien van de onder 5.1 genoemde klachten vermeld niet klachtgerechtigd en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5.3. De klachtonderdelen van klager vermeld onder 3.2 tot en met 3.5 zijn behandeld in de zaak A2021/3405 waarin heden uitspraak is gedaan en blijven hier buiten bespreking.


6. Het verweer ten aanzien van de klachten vermeld onder 3.5 en 3.6
Verweerster heeft erop gewezen dat niet is toegelicht op welke wijze de privacy van klaagster is geschonden. Voor zover klaagster doelt op de bij het klaagschrift gevoegde mail van 5 februari 2021 aan beide ouders van F kan verweerster – zoals zij klaagster heeft uitgelegd bij mail van 23 februari 2021 - hierop niet richting klaagster reageren. De mail betreft de zoon van klager; het beroepsgeheim verbiedt haar hier richting klaagster over te communiceren.
Verweerster heeft ten slotte naar voren gebracht dat de klacht vermeld onder 3.5 terecht is. Zij had de gewraakte uitlating nooit mogen doen. De omstandigheid dat zij deze uitlating heeft gedaan in reactie op een mail van klaagster waarin zij dreigt een klacht bij het tuchtcollege in te dienen als verweerster een gevraagde rectificatie niet honoreert, biedt hiervoor geen enkele rechtvaardiging.


7. Wat vindt het college van de klacht en het verweer?
7.1. Het college moet beoordelen of verweerster de zorg heeft verleend die van haar als huisarts mocht worden verwacht. De norm daarvoor is een ‘redelijk bekwame en redelijk handelende’ huisarts. Het college houdt bij de beoordeling rekening met de wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening en met de toen voor de huisarts geldende beroepsnormen.

7.2. De klacht vermeld onder 3.5 treft doel. Het in reactie op een dreiging van de zijde van klaagster met een klacht bij het tuchtcollege dreigen met twee meldingen bij Veilig Thuis is volstrekt uit den boze. Of deze reactie van verweerster moet worden geduid als dwang, dreiging of chantage is hierbij niet van belang. Met een dergelijke dreiging heeft verweerster – naar zij zelf ook ruiterlijk heeft toegegeven - gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 van de Wet BIG jegens klaagster had behoren te betrachten.

7.3. De klacht vermeld onder 3.6 treft geen doel. Klaagster heeft haar standpunt waaruit de schending van haar privacy bestaat niet (op voldoende wijze) onderbouwd. Het is het college niet duidelijk kunnen worden op welke wijze verweerster de privacy van klaagster heeft geschonden. Voor zover klaagster zou doelen op de mail van verweerster van 5 februari 2021 is naar het oordeel van het college de opvatting van verweerster zoals vermeld in de eerste alinea van rubriek 6 juist. Voor zover de klacht betrekking heeft op het toezenden van een verslag van de SEH van 5 juli 2021 miskent klaagster dat geen sprake is van een weigering. Nog daargelaten op welke wijze de privacy van klaagster hierbij in geding is, is het verslag toegezonden. De vertraging in de toezending was gerechtvaardigd, omdat het verslag onjuistheden bevatte die rectificatie behoefden.

7.4. De conclusie van het voorgaande is dat het klachtonderdeel 3.6 ongegrond en klachtonderdeel 3.5 gegrond is. Omtrent de op te leggen maatregel overweegt het college als volgt. Uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting is het college zonder enige twijfel gebleken dat verweerster de onjuistheid van haar handelen onderkent en ernstig betreurt. Verweerster is van opvatting dat zij deze uiting – onder welke omstandigheden dan ook – nimmer had mogen doen en ook nooit meer zal doen. Onder deze omstandigheden kan nog net met de oplegging van de maatregel van waarschuwing worden volstaan.


8. De beslissing
Het college:
- verklaart klager niet ontvankelijk in zijn klachtonderdelen vermeld onder 3.5 en 3.6;
- verklaart klachtonderdeel 3.5 van klaagster gegrond;
- verklaart klachtonderdeel 3.6 van klaagster ongegrond;
- legt verweerster op de maatregel van waarschuwing.

Aldus beslist door:
J. Brand, voorzitter,
I. Boekhout, A. Wewerinke en D.E. de Jong, leden-arts,
R.P. Wijne, lid-jurist,
bijgestaan door S. Verdaasdonk, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2022 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.