ECLI:NL:TGZRAMS:2022:57 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3038
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:57 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 06-05-2022 |
| Datum publicatie: | 06-05-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3038 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/Afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft een klacht ingediend tegen een psychotherapeut werkzaam bij de Opvoedpoli. De psychotherapeut heeft als regiebehandelaar een onderzoek verricht bij de zoon van klager. Klager heeft geen gezag over zijn zoon en is gescheiden. Klager verwijt de psychotherapeut met name dat hij hem als vader niet heeft betrokken bij het onderzoek, dat hij, nadat met hem als vader was gesproken, het advies niet heeft aangepast, dat hij niet onafhankelijk en objectief heeft opgetreden en dat hij de meldcode huiselijk geweld niet (correct) heeft opgestart. De psychotherapeut heeft primair aangevoerd dat klager niet-ontvankelijk is voor zover hij klacht over de behandeling van zijn zoon. Subsidiair heeft hij gemotiveerd verweer gevoerd. Het college heeft klager ontvankelijk verklaard in zijn klacht en heeft de klacht ongegrond verklaard. Er bestond geen verplichting om klager te betrekken bij het onderzoek nu hij geen gezagdragende ouder is. Het college is van oordeel dat de gang van zaken, gelet op de juridische positie van klager als vader, zorgvuldig is geweest. Het college is van oordeel dat de psychotherapeut het Onderzoeksverslag dan wel de eindbrief niet hoefde aan te passen naar aanleiding van de opmerkingen van klager. De psychotherapeut kon volstaan met het opnemen/aanhechten van zijn opmerkingen. Het college concludeert dat de klacht (in al haar onderdelen) ongegrond is. |
A2021/3038
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 3 mei 2021 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B
klager,
gemachtigde: C (partner van klager),
tegen
D,
psychotherapeut,
destijds werkzaam te E,
verweerder,
gemachtigde: mr. C.G. Versteeg, advocaat te Bussum.
1. De procedure
1.1 Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlage;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
- het proces-verbaal van het op 30 augustus 2021 gehouden mondeling vooronderzoek.
1.2 De klacht is op 25 maart 2022 op een openbare zitting behandeld.
Partijen waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden voornoemd.
1.3 De klacht is behandeld tezamen met de andere, met de klacht samenhangende, klacht, die bekend is onder het zaaknummer A2021/3040, in een samenstelling zoals bedoeld in artikel 57, eerste en tweede lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
2. Waar gaat de zaak over?
2.1 Klager is gescheiden en heeft sinds oktober 2018 geen ouderlijk gezag meer over
zijn zoon (F, geboren in februari 2013) De moeder (ex-partner van klager) heeft alleen
het gezag en de zoon woont bij haar. Sinds de zomer van 2019 heeft klager (bijna)
geen contact meer met zijn zoon.
2.2 De zoon is in 2019 vanwege druk gedrag, concentratieproblemen en emotieregulatie
problemen op verwijzing van de huisarts aangemeld bij G te E.
De hulpvraag van de moeder betrof nadere diagnostiek naar de gedragsproblemen, hetgeen
aanleiding was voor psychodiagnostisch onderzoek.
2.3 Verweerder was als regiebehandelaar bij G betrokken bij het traject van de zoon.
Op 9 december 2019 vond het startgesprek plaats met de moeder en verweerder.
2.4 Op 11 december 2019 heeft de moeder klager gemaild, waarbij ze een e-mail van
10 december 2019 van G heeft doorgestuurd:
“Onderstaande e-mail is ter info voor jou. Ik mail jou over het onderdeel ‘Gezinsanamnese
ouders’ dit is een onderdeel waarbij uiteraard als jij het wenst aan deel kan nemen.
Je kan contact opnemen en eventueel een afspraak maken met G in E (contact gegevens
staan onder aan deze mail)”.
Klager heeft niet op deze e-mail gereageerd.
2.5 Bij het onderzoek van de zoon waren verweerder en collega’s van G betrokken. Op 3 mei 2020 is het onderzoek afgerond en is het Onderzoeksverslag ondertekend door de psycholoog en voor akkoord namens verweerder medeondertekend door de GZ-psycholoog H (tegen wie klager de hierboven onder 1.3 bedoelde tuchtklacht heeft ingediend, bekend onder zaaknummer A2021/3040).
2.6 In het Onderzoeksverslag is, voor zover inhoudelijk van belang, het volgende genoteerd:
“(…)
Vraagstelling
Het doel van dit onderzoek is het in kaart brengen van de psychosociale ontwikkeling
van F, hetgeen nodig is om advies te kunnen geven over passende behandeling en begeleiding,
opdat de klachten F en moeder minder belemmeren in het dagelijks functioneren.
De vraagstelling van het onderzoek luidt:
Hoe kan het gedrag van F worden verklaard?
- Kunnen de klachten verklaard worden vanuit het intelligentieprofiel van F? Hoe is
het intelligentieprofiel opgebouwd?
- Kunnen systemische factoren leiden tot emotieregulatieproblemen bij F?
- Welke behandeling is geïndiceerd?
Contact met vader
Aanvankelijk was het onderzoeksplan gebaseerd op de inzet van beide ouders. Gedurende
de intakefase heeft moeder per mail vader op de hoogte gebracht van de aanmelding
van F bij G. Tevens is vader door moeder uitgenodigd om deel te nemen aan het onderzoek.
De contactgegevens van de betrokken hulpverleners zijn door moeder aan vader verstrekt.
Gedurende het diagnostiektraject heeft vader geen contact met G opgenomen. Informatie
vanuit vader is dan ook niet opgenomen in dit onderzoek.
Onderzoeksmiddelen
• Spelobservatie moeder – F
• Individueel contact F en regiebehandelaar
• Informatie vanuit gezinscoaching
• Ontwikkelingsanamnes
• Gezinsanamnese van moeder
• Observatie in de klas en gesprek met de leerkracht
• Gedragsvragenlijsten voor moeder (SEV) en leerkracht (SDQ SEV)
• Intelligentieonderzoek WISC – V
Integratief beeld
(…)
Aanvankelijk was het onderzoeksplan gebaseerd op de inzet van beide ouders. Gedurende
de intakefase heeft moeder per mail vader op de hoogte gebracht van de aanmelding
van F bij G. Tevens is vader uitgenodigd om deel te nemen aan het onderzoek. De contactgegevens
van de betrokken hulpverleners zijn door moeder aan vader verstrekt. Gedurende het
diagnostiektraject heeft vader geen contact met G opgenomen. Informatie vanuit vader
is dan ook niet opgenomen in dit onderzoek. Om deze reden dient dit verslag met enige
voorzichtigheid geïnterpreteerd worden.
(…)
Beschrijvende diagnose
(…)
Onderliggend aan de gedragsproblemen lijkt er sprake van onvoldoende vaardigheden
om stress en emoties te kunnen reguleren, voorkomend uit een verstoorde gehechtheidsrelatie.
Er wordt een posttraumatische stressstoornis gezien met negatieve effecten van de
afwezigheid van vader in zijn leven, eigen problematiek van moeder voortkomend uit
traumatische gebeurtenissen in het verleden, (…).
(…)
DSM-V-classificatie
309.81 Posttraumatische-stress stoornis
V61.20 Ouder-kind relatie problemen
V61.29 Negatieve invloed van ouderlijke relatieproblemen op een kind
V61.03 Uiteenvallen gezin door scheiding
Advies
De volgende adviezen zijn met moeder tijdens het adviesgesprek dd 12-05-2020 besproken:
• Inzet (pre-verbale)traumabehandeling voor F
• Behandeling van F en moeder waarbij door middel van K gewerkt wordt aan het terugdringen
van de problemen door middel van versterking van de gehechtheidsrelatie
• Advies mbt moeder:
Gezien het feit dat bij K moeder zelf een belangrijk ‘instrument’ is in de behandeling
van F, is ons advies de inzet van eigen behandeling van moeder met als doel traumatische
gebeurtenissen in het verleden te verwerken, moeders alertheid richting F te verminderen
en moeder te verstevigen in haar rol als moeder.
• Advies mbt contact met vader:
Vader is in de eerste twee jaar van het leven van F de primaire verzorger geweest.
Hij was hierin en belangrijk hechtingsfiguur, die plotseling uit zijn leven is verdwenen.
Gezien het feit dat we geen contact hebben kunnen krijgen met vader, hebben we geen
inschatting kunnen maken over de mogelijkheden van hem om te voorzien in de behoeften
van
F. Indien vader het contact met F wil aangaan, is het advies om dit in eerste instantie
begeleid te laten plaatsvinden. Afhankelijk van de betrouwbaarheid van vader op gebied
van afspraken nakomen en zijn vermogen om zich in te leven in de gevoelens en emotionele
behoeften van F en hierin op adequate manier in tegemoet te komen, kan hierna een
omgangsregeling worden ingezet.
• De inzet van ouderbegeleiding bij de moeilijkheden die ervaren worden in de begeleiding
van F mbt de afwezigheid van zijn vader
• Terugkoppeling onderzoeksgegevens en psycho-educatie over PTSS aan school met als
doel in overleg een plan te maken om F zo goed mogelijk te ondersteunen in de schoolse
situatie
Afspraken die gemaakt zijn mbt de adviezen welke gedeeld zijn tijdens het adviesgesprek
dd 12-05-2020: Moeder gaat akkoord met de inzet van alle adviezen.
Omgang met vader blijft een vraagstuk, waarop wij vanuit G voor nu geen advies kunnen
formuleren omdat wij vader niet kennen. In overleg wordt besloten dat moeder voor
nu hierin geen beslissing hoeft te nemen. Gedurende het vervolgtraject zal de ontwikkeling
van F goed gemonitord worden en zal contact met vader onderwerp van gesprek blijven
met als doel moeder te ondersteunen in haar besluitvorming.”
2.7 Na afronding van het onderzoek op 3 mei 2020 is verweerder zelf niet meer betrokken geweest als regiebehandelaar. Vanaf dat moment is het regiebehandelaarschap aan de GZ-psycholoog H overgedragen.
2.8 Op 12 mei 2020 heeft een gesprek met de moeder plaatsgevonden, waarbij de adviezen zijn besproken. In juni 2020 is met toestemming van de moeder door G contact opgenomen met klager, toen duidelijk werd dat zijn zoon met hem in contact wilde komen.
2.9 In juni 2020 werd aan de ouders het advies gegeven voor begeleide omgang (BOR) vanuit I. Na het psychodiagnostisch onderzoek van G is behandeling door K gestart en begeleiding bij de omgang door I.
2.10 Op 3 juli 2020 heeft een gesprek met klager, de GZ-psycholoog H en de psycholoog
plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek zijn (globaal) de conclusies en adviezen van G
besproken. Van dit gesprek is een verslag gemaakt dat onderaan het Onderzoeksverslag,
onder het kopje ‘Aanvulling’, is toegevoegd. Hierin is het volgende, voor zover van
belang, opgenomen:
“(…)
Vader onderkent dat F bepaalde nare ervaringen heeft mee gemaakt in het verleden,
en vader vraagt zich af in hoeverre dit F gevormd heeft. Vader denkt dat voornamelijk
een genetische component een rol speelt bij de gedragsproblemen van F, hij herkent
het analytische denkvermogen van F bij zichzelf. Vader geeft aan de echtscheiding
als zeer vervelend te hebben ervaren.
Vader vertelt zijn zoon zeer te missen en hij geeft aan graag open te staan voor contact
met F. Tevens doet vader het verzoek om een rapportage van dit gesprek toe te voegen
aan het onderzoeksverslag, welke gehonoreerd wordt.
Met vader wordt afgesproken dat G intern in overleg gaat hoe het contact tussen F
en vader in de toekomst begeleid zal worden.”
2.11 Op 9 september 2020 heeft klager per e-mail een klacht ingediend, gericht aan
de GZ-psycholoog H en de psycholoog, omtrent de gang van zaken rondom het traject
van zijn zoon. Klager meldde dat hij zijn zoon niet meer zag omdat zijn ex daartoe
had besloten, dat hij onvoldoende werd betrokken, dat de inzet van I volgens hem niet
aansloot bij wat zij nodig hadden en dat zijn rechten als niet-gezaghebbende vader
werden geschaad.
2.12 Op 18 september 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden met klager en de GZ-psycholoog
H en de psycholoog, met als doel: Anamnese, gericht op de beleving van vader op de
ontwikkeling van de zoon. Van dit gesprek is met akkoord van klager een uitgebreid
verslag opgemaakt, dat als bijlage 7 ‘Anamnese vanuit het perspectief van vader’ is
gehecht aan het Onderzoeksverslag.
In het Onderzoeksverslag onder de ondertekening werd een extra kopje toegevoegd:
“Klacht van vader, sept 2020
De klacht van vader is onder andere dat hij vindt dat een onderzoeksverslag nooit
bezien kan worden vanuit 1 ouder. G deelt deze mening. Op 11 december 2019 heeft moeder
vader per mail op de hoogte gesteld van het onderzoek en hiervoor om zijn deelname
gevraagd. Vader was via de mail van moeder in het bezit van de contactgegevens van
de betrokken hulpverleners, maar vader heeft destijds geen contact met G opgenomen.
Om deze reden is gestart met onderzoek vanuit de beleving van moeder en moet de conclusie
met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden.”
2.13 Op 5 en 8 oktober 2020 heeft klager per e-mail zijn twijfels geuit ten aanzien
van de interventie BOR I. De voorkeur van klager ging uit naar de interventie BOR/ouderschap
aangeboden vanuit J. Op 8 oktober 2020 heeft de GZ-psycholoog H klager per e-mail
laten weten dat de moeder geen intensief traject wil en dat er een wachtlijst is voor
BOR J
Na twee begeleide contactmomenten met klager heeft de moeder de interventie bij BOR
J stopgezet. Hierdoor werd de interventie voortijdig afgesloten.
2.14 Op 23 november 2020 heeft klager per e-mail aan de GZ-psycholoog H laten weten
dat er feitelijke onjuistheden in het Onderzoeksverslag zitten.
2.15 Op 1 februari 2021 ontving klager een e-mail van zijn ex-partner dat het traject
bij G afgerond is en dat een eindgesprek bij K heeft plaatsgevonden.
Hierop heeft klager op 16 februari 2021 een e-mail gestuurd aan de GZ-psycholoog H
en de psycholoog, met 18 inhoudelijke vragen over het gevolg dat is gegeven aan de
adviezen van G en de ondernomen acties op de volgens klager aanwezige ouderverstoting
en het huidige gedrag van zijn zoon.
2.16 Op 2 maart 2021 heeft de GZ-psycholoog H per e-mail de eindbrief aan klager toegestuurd,
waarbij werd meegedeeld dat het dossier van de zoon bij G is gesloten en dat klager
voor vragen zich zal moeten wenden tot zijn ex-partner. Daarbij is uitleg gegeven
over het recht op informatie van een ouder zonder gezag.
Klager heeft vervolgens op 3 maart 2021 per e-mail gereageerd op de eindbrief, waarin
hij onder meer meedeelde dat een deel van de door moeder verstrekte informatie in
de eindbrief volgens hem onjuist was (feitelijke onjuistheden). Deze reactie van klager
op de eindbrief is op 3 maart 2021 integraal als aanvulling toegevoegd onderaan de
eindbrief van G.
2.17 Op 12 maart 2021 heeft klager een brief gestuurd naar G waarin hij zijn onvrede
uit met name over het feit dat het onderzoek is opgestart zonder klager als vader
erbij te betrekken en over de inhoud van het rapport. Verder heeft klager aangegeven
dat het rapport volgens hem onvolledig is omdat zijn inbreng ontbreekt en vanwege
feitelijke onjuistheden door de inbreng van de moeder. Klager heeft verzocht het onderzoeksrapport
aan te passen.
Klager is vervolgens uitgenodigd voor een gesprek. Op 1 april 2021 hebben verweerder,
de GZ-psycholoog H en de psycholoog per brief een reactie gestuurd aan klager. Hierin
is onder meer vermeld:
“(…)
In het rapport of desgewenst in een afzonderlijke brief kunnen wij nog eens extra
benadrukken dat de inhoud mede voor zover deze betrekking heeft op uw rol in de eerste
levensjaren van uw zoon is gebaseerd op de anamnese van moeder. Daaraan kunnen wij
toevoegen dat dit bezien dient te worden tezamen met het daaraan gehechte verslag
van het gesprek met u.”
2.18 Op 6 april 2021 heeft een afrondend gesprek plaatsgevonden met klager en de klachtenfunctionaris.
Op 12 april 2021 heeft klager een e-mail gestuurd, waarin hij onder meer vermeldt
dat in de bevestiging van het gesprek ontbreekt dat hij meerdere signalen van ouderverstoting
heeft genoemd. Op 19 april 2021 is door een beleidsmedewerker aan klager per e-mail
meegedeeld dat zijn zoon niet meer bij G in behandeling is en dat er voor G geen aanleiding
is (geweest) voor een melding bij Veilig Thuis. Verder werd meegedeeld dat niet verder
op de inhoudelijke situatie kon worden ingegaan. Klager werd geadviseerd zijn zorgen
te bespreken met de huidige betrokken partijen/hulpverleners.
3. De klacht en het standpunt van klager
De klacht houdt in dat verweerder:
1. ondanks de onderzoeksopzet niet zijn eigen verantwoordelijkheid heeft genomen om
vader (klager) te betrekken in het onderzoek;
2. nadat met vader (klager) is gesproken, met deze nieuwe feiten en informatie geen
weging of aanvullende beschouwing heeft gegeven ten aanzien van de eerdere conclusies
en adviezen;
A2021/3038
7
3. een niet deugdelijke en onvolledige eindevaluatie heeft opgesteld en heeft nagelaten
om ten aanzien van de gegeven adviezen, een deugdelijke beoordeling, eindevaluatie
en een eventueel vervolgadvies te geven;
4. een verkeerde interventie heeft ingezet en een onjuist advies heeft gegeven (strijdig
met de laatste wetenschappelijke inzichten);
5. in het onderzoeksverslag en in de eindbrief geen duidelijke scheiding heeft gemaakt
tussen: feiten, meningen, persoonlijke ervaringen en professionele weging van de bevindingen;
6. ondanks klagers verzoek, feitelijke onjuistheden niet heeft verwijderd uit het
onderzoeksverslag en eindbrief;
7. niet terughoudend heeft gerapporteerd over belastende informatie, alsook belastende
informatie vermeldt die voor het doel van de rapportage niet noodzakelijk is;
8. desgevraagd klager onvolledig en partijdig heeft geïnformeerd over belangrijke
feiten en omstandigheden die zijn zoon alsook zijn verzorging en opvoeding betreffen,
waardoor klager niet onafhankelijk van moeder een beeld heeft kunnen vormen over de
verzorging en opvoeding van zijn kind;
9. niet-onafhankelijk en niet-objectief heeft opgetreden;
10. mogelijke signalen van een ernstige ontwikkelingsbedreiging niet heeft herkend;
11. de wettelijk verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling niet heeft
opgestart en de vijf stappen niet heeft doorlopen;
12. zijn zorgplicht niet is nagekomen.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder heeft allereerst opgemerkt dat het klachtrecht respectievelijk het belang
van klager – als niet gezaghebbende ouder – zich beperkt tot het handelen van verweerder
ten opzichte van hem. Voor zover klager klaagt over de ingezette vorm en de inhoudelijke
hulpverlening aan zijn zoon, is verweerder primair van mening dat klager niet-ontvankelijk
is in zijn klacht. Hetzelfde geldt voor de verwijten die zien op de inhoud van het
onderzoeksrapport/ verslaglegging.
Voor zover klager wel ontvankelijk is in zijn klachtverwijten meent verweerder dat
hij zorgvuldig, professioneel als ook onpartijdig en met respect voor beide ouders
heeft gehandeld, zowel ten aanzien van de hulpverlening, de vervolgadviezen en de
eindevaluatie, als ook met betrekking tot de inhoud van de verslaglegging en de communicatie
van de aan de zoon verleende hulp. Verweerder verzoekt dan ook subsidiair de klacht
van klager op alle onderdelen af te wijzen.
5. Wat is het oordeel van het college?
5.1 In deze zaak ligt allereerst de vraag voor of klager in zijn klacht ontvankelijk
is. Het college is van oordeel dat dit het geval is.
Vast staat dat geprobeerd is vader bij het onderzoek te betrekken en dat er na 3 mei
2020 veel contact (gesprekken, e-mails) over het onderzoek en het vervolg is geweest
tussen verweerder (en collega’s) in zijn hoedanigheid van beroepsbeoefenaar enerzijds
en klager anderzijds. Klager is daarom ontvankelijk in zijn klacht.
5.2 Nu klager ontvankelijk is in zijn klacht, zal het college de klacht inhoudelijk
behandelen.
De klacht omvat een 12-tal verwijten. In de kern gaat de onvrede van klager erover
dat het onderzoek omtrent zijn minderjarige zoon is opgestart zonder hem daarbij te
betrekken en over de inhoud van het Onderzoeksverslag. Het college is, gelet op de
overlegde stukken alsmede gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, van
oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Voor die
beslissing acht het college het volgende van belang.
5.3 Verweerder was als regiebehandelaar betrokken bij het psychodiagnostisch onderzoek
van de zoon van klager. Aangezien klager geen gezag over zijn zoon had, was er geen
verplichting voor verweerder om klager op eigen initiatief bij het onderzoek te betrekken,
noch hem hierover direct te benaderen. Het college is van oordeel dat het in verweerder
en zijn collega’s te prijzen is dat zij toch meenden dat de input van beide ouders
te verkiezen was boven de input van slechts één ouder en dat ze ook hebben geprobeerd
dat voor elkaar te krijgen. Dat zij er meer aan hadden kunnen doen om klager als vader
te betrekken in het onderzoek, brengt echter niet mee dat ze er te weinig aan hebben
gedaan. Het is naar het oordeel van het college begrijpelijk - en juist - dat ze dat
via de moeder geprobeerd hebben, zij was namelijk de enige ouder met het wettelijk
gezag. Er bestond voor verweerder geen verplichting om de vader bij het onderzoek
te betrekken, een onderzoek dat gericht was op het kind. Volgens artikel 1:377c Burgerlijk
Wetboek “wordt de niet met het gezag belaste ouder desgevraagd door derden die beroepshalve
beschikken over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die de persoon
van het kind of diens verzorging en opvoeding betreffen, daarvan op de hoogte gesteld,
(…)” . Tot meer is de zorgverlener niet verplicht. Het college verwijst ook naar de
uitspraak van het CTG van 15 augustus 2017 (ECLI:NL:TGZCTG:2017:234), met name rechtsoverweging
4.3: “4.3 Evenals het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel
dat de psychiater, omdat alleen de moeder was belast met het gezag over F., uitsluitend
haar bij de besluitvorming over de behandeling van F. diende te betrekken. Klager
had als niet-gezaghebbend ouder desgevraagd alleen recht op informatie inzake belangrijke
feiten en omstandigheden betreffende F. of zijn verzorging of opvoeding. Dit heeft
de psychiater op ruimschoots voldoende wijze gedaan door klager inzage te verlenen
in de
(concept-)rapportages. De psychiater was daarbij niet gehouden om informatie die klager
aan haar verstrekte tijdens de gesprekken die ze met hem heeft gehad, in de rapportage
die zij over F. heeft opgesteld op te nemen. Het dossier biedt geen aanknopingspunten
voor de veronderstelling dat de psychiater onjuiste afwegingen heeft gemaakt bij haar
beslissingen over de in de rapportage te verwerken informatie.” In deze uitspraak
van het CTG wordt bevestigd dat alleen de gezagdragende ouder bij de besluitvorming
omtrent de behandeling van het kind behoeft te worden betrokken. Het recht op informatie
van de niet-gezaghebbende ouder omvat globale en feitelijke informatie (zie ook ‘KNMG
Wegwijzer Toestemming en informatie bij behandeling van minderjarigen’, 2019, m.n.
par. 5.3). Verweerder, en zijn collega’s, hebben dus geen andere of actieve verplichtingen
en hoefden klager niet (zelf) uit te nodigen.
5.4 Uit de e-mail van moeder van 11 december 2019 aan vader (klager) bleek duidelijk wat de bedoeling was (zie hierboven onder 2.4). Gebleken is dat deze e-mail klager heeft bereikt en dat hij er vervolgens voor heeft gekozen om geen contact op te nemen met G en zich aldus buiten het onderzoek te houden. In zijn e-mail van 9 september 2020 schrijft klager immers onder meer: “(…) Voor een deel moet ik de hand in eigen boezem steken dat ik geen actie ondernomen heb op die ene e-mail van mijn ex over dit onderwerp. (…)”.
5.5 Verweerder heeft uitdrukkelijk in het Onderzoeksverslag opgenomen dat informatie vanuit vader dan ook niet is opgenomen in het onderzoek en dat het verslag om die reden met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd dient te worden (zie hierboven onder 2.6). In het Onderzoeksverslag is duidelijk weergegeven dat in het verslag een weergave is gedaan van de informatie zoals deze afkomstig is uit de anamnese van moeder. Al met al is het college van oordeel dat deze gang van zaken, gelet op de juridische positie van klager als vader, zorgvuldig is geweest. De stelling van klager ter zitting “Verweerders hadden de plicht om met mij contact op te nemen”, is gelet op het bovenstaande niet juist en dus onhoudbaar. Alles overziend is het derhalve niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder, gelet op de juridische positie van de vader, niet meer heeft gedaan om vader bij het onderzoek te betrekken. Ook gedurende het onderzoek was er voor verweerder geen aanleiding om klager, als niet-gezaghebbende ouder, op eigen initiatief te benaderen.
5.6 Na afronding van het onderzoek op 3 mei 2020 is verweerder niet meer als regiebehandelaar
betrokken geweest. Vanaf dat moment is het regiebehandelaarschap aan de GZ-psycholoog
overgedragen. Toen bleek dat de zoon met zijn vader in contact wilde komen, is in
juni 2020 met toestemming van de moeder actief door G contact opgenomen met klager.
Het Onderzoeksverslag was op dat moment al gesigneerd, geaccordeerd en gearchiveerd.
Er heeft op 3 juli 2020 een gesprek met klager plaatsgevonden, met als doel de onderzoeksgegevens
en adviezen globaal met hem te bespreken en zijn mening te horen met betrekking tot
het contact met zijn zoon. Er is vervolgens correct gehandeld door in het Onderzoeksverslag
een kopje ‘Aanvulling’ op te nemen. In die aanvulling is onder meer te lezen dat vader
onderkende dat zijn zoon bepaalde nare ervaringen heeft meegemaakt in het verleden,
zijn zoon zeer te missen en open te staan voor contact. Met vader werd afgesproken
dat G intern in overleg zou gaan over hoe het contact tussen vader en zoon in de toekomst
begeleid kon worden.
5.7 Er is tweemaal begeleid contact geweest. Moeder heeft de begeleide omgang vervolgens
stopgezet nadat school had aangegeven dat het functioneren van de zoon bergafwaarts
ging (aldus blz. 9 van het Onderzoeksverslag). Om in de behoefte van de vader te voorzien
om zijn kant van het verhaal aan het Onderzoeksverslag toe te voegen is er op 18 september
2020 gedurende anderhalf uur met klager een gesprek geweest met de GZ-psycholoog en
de psycholoog om te praten over de ontwikkeling van zijn zoon en zijn kijk daarop.
Daar is een uitgebreid verslag van gemaakt (Anamnese vanuit het perspectief van vader),
dat als bijlage 7 is aangehecht aan het Onderzoeksverslag. Verder is ook nog de reactie
van klager op de eindbrief van G integraal als aanvulling opgenomen. Het college is
van oordeel dat verweerder het Onderzoeksverslag dan wel de eindbrief niet hoefde
aan te passen naar aanleiding van de opmerkingen van klager. Verweerder kon volstaan
met het opnemen/aanhechten van zijn opmerkingen. Het college verwijst hierbij naar
hetgeen hiervoor onder 5.3 reeds is vermeld.
5.8 Nadat het dossier al bij G was afgesloten, heeft op 24 maart 2021 nog een gesprek
met klager plaatsgevonden en is klager in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt
nader toe te lichten. Op 1 april 2021 is vanuit G nog een afsluitende brief aan klager
verstuurd, waarin ook de rechten van een niet gezag dragende ouder zijn uiteengezet.
Na het afrondend gesprek met klager op 6 april 2021 en de e-mail van klager op 12
april, is correct aan klager bericht dat de zoon niet meer bij G in behandeling was
en er geen aanleiding voor een door klager gesuggereerde melding bij Veilig Thuis
was (geweest). Het college merkt hierbij nog op dat ten tijde van het onderzoek van
de zoon er geen omgang was met de vader. Er was in die periode geen reden om de meldcode
huiselijk geweld en kindermishandeling op te starten. Ook dit klachtonderdeel kan
derhalve niet slagen. Ook het verwijt dat verweerder zijn zorgplicht niet is nagekomen
kan niet slagen. Vanuit G is een advies gegeven, en voor het vervolg is terecht doorverwezen
naar een andere instantie. Het verwijt dat verweerder niet onafhankelijk en niet objectief
heeft opgetreden, is betwist door verweerder en is overigens niet gebleken. In het
Onderzoeksverslag is meermalen benadrukt dat informatie in het verslag berustte op
de van moeder ontvangen informatie, en - dat aanvankelijk – de visie van vader ontbrak.
Verweerder en zijn collega’s hebben klager naar aanleiding van zijn e-mails en vragen
voor zover mogelijk inhoudelijk geïnformeerd over de betrokkenheid van G en hem op
juiste wijze verwezen naar moeder en/of I inzake de omgang. Hierbij is klager telkens
ingelicht over zijn (beperkte) rechten als niet-gezaghebbende ouder.
Het verwijt dat verweerder mogelijke signalen van een ernstige ontwikkelingsbedreiging
niet heeft herkend, is naar het oordeel van het college niet voldoende onderbouwd.
Ook dit klachtonderdeel kan derhalve niet slagen.
5.9 Volgens vaste tuchtrechtelijke jurisprudentie dient een rapportage dan wel een
onderzoeksverslag vanuit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid te voldoen
aan bepaalde eisen, zodat uit het verslag/rapport het volgende volgt:
a. de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
A2021/3038
11
b. een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
c. een inzichtelijke en consistente uiteenzetting van gronden die de conclusies steunen;
d. de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de
geconsulteerde personen en
e. dient de rapporteur binnen de grenzen van zijn deskundigheid te blijven.
Hierbij wordt ten volle getoetst of het onderzoek door de deskundige uit het oogpunt
van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan.
Ten aanzien van de conclusie van het verslag/rapport wordt beoordeeld of de deskundige
in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.
5.10 Naar voorgaande maatstaf beoordeeld, voldoet het handelen en rapporteren door
verweerder naar het oordeel van het college aan de daaraan te stellen eisen.
Het Onderzoeksverslag is een weergave van het afgeronde onderzoek dat op verzoek van
moeder heeft plaatsgevonden, met daarin de anamnese van moeder. Het advies is voorzichtig
geformuleerd, nu de anamnese van de vader ontbrak ten tijde van het onderzoek. Het
college is van oordeel dat niet gebleken is dat het Onderzoeksverslag evidente onjuistheden
bevat of dat er onjuiste of onzorgvuldige afwegingen zijn gemaakt. Voor zover klager
een opmerking heeft gemaakt over de feiten dan wel een andere visie had, is dit ook
(als bijlage) opgenomen in het Onderzoeksverslag, dan wel in de eindbrief.
Er wordt door G een kind gezien met een PTSS met negatieve effecten van de afwezigheid
van vader (zie Beschrijvende diagnose). In het advies met betrekking tot vader (zie
Advies, vierde bolletje) wordt vader als belangrijke hechtingsfiguur voor de zoon
gezien; het advies om contact tussen vader en zoon in eerste instantie begeleid te
laten plaatsvinden acht het college niet onbegrijpelijk, gelet op de voorgeschiedenis
(waarvan de vader heeft erkend dat zijn zoon bepaalde nare ervaringen heeft meegemaakt)
en de PTSS van de zoon. Overigens bevat het Onderzoeksverslag ook adviezen richting
de moeder. Het college constateert in dit advies met betrekking tot een begeleide
omgangsregeling zeker geen ouderverstoting, integendeel.
Verweerder is als rapporteur binnen de grenzen van zijn deskundigheid gebleven. Het
Onderzoeksverslag is naar het oordeel van het college voldoende duidelijk en stelt
het college in staat te toetsen of verweerder in redelijkheid tot zijn conclusie heeft
kunnen komen.
Het college merkt tot slot nog wel op dat de bij het advies opgenomen zin ’Afhankelijk
van de betrouwbaarheid van vader op het gebied van afspraken nakomen…’ niet gepast
is. Het college acht dit echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, nu dit gecorrigeerd
wordt door het opnemen van de laatste alinea in het Onderzoeksverslag (zie hiervoor
onder 2.6).
Conclusie
5.11 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht (in al haar onderdelen) ongegrond
is. Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel
47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist op 6 mei 2022 door:
G.M. Boekhoudt, voorzitter,
T.A.W. van der Schoot, C. Oele en R. van der Ree, leden-beroepsgenoten,
M.A.H. Verburgh, lid-jurist,
bijgestaan door C. Neve, secretaris.