ECLI:NL:TGZRAMS:2022:56 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3296 + 3454

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:56
Datum uitspraak: 06-05-2022
Datum publicatie: 06-05-2022
Zaaknummer(s): A2021/3296 + 3454
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt verweerster, klinisch psychologe, onder meer dat zij haar problematiek heeft onderschat, haar geen adequate behandeling heeft geboden en haar niet heeft doorverwezen naar behandelaren die haar wel konden behandelen. Verweerster voert verweer.

A2021/3296+3454

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM


Beslissing naar aanleiding van de op 28 juli 2021 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a a g s t e r,


tegen


C,
GZ-psycholoog en psychotherapeut,
destijds werkzaam te B,
v e r w e e r s t e r,
gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniels, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand.


1. De procedure
1.1 Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift met bijlagen;
- het aanvullend klaagschrift;
- het verweerschrift, ontvangen 28 oktober 2021, met bijlage;
- de repliek van klaagster, ontvangen 25 november 2021, met bijlagen;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
- de dupliek van verweerster, ontvangen 21 december 2021, met bijlagen;
- de brief van de gemachtigde van verweerster, ontvangen op 31 december 2021;
- de brief van klaagster, ontvangen op 14 januari 2022, met bewijsstuk 1.

1.2 Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3 De klacht is mondeling behandeld op de openbare zitting van 25 maart 2022.
Partijen waren aanwezig. Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Klaagster werd vergezeld door haar partner D (hierna: D). Zij heeft verzocht hem als getuige te horen. D is ter zitting als getuige beëdigd en gehoord.
Beide partijen hebben een toelichting gegeven aan de hand van spreekaantekeningen die aan het college en de wederpartij zijn overgelegd.

2. De feiten
2.1 Vanaf 2014 is klaagster (geboren in augustus 1981) onder behandeling in verband met psychische problemen. In 2016 is bij haar door E te F de diagnose ADD gesteld. Ook was sprake van PTSS, dissociëren en persoonlijkheidsproblematiek. Klaagster heeft een dochter, geboren in 2012.

2.2 Nadat E in 2016 schematherapie had geadviseerd, is klaagster in het voorjaar van 2016 in behandeling gekomen bij G te B (hierna: G), waar via psychiater H ambulante begeleiding is ingezet. Nadat klaagster in verband met de PTSS tijdelijk in november 2016 bij I te F was opgenomen en daar een succesvolle achtdaagse traumabehandeling met IE en EMDR had ondergaan, heeft J deeltijd schematherapie aangeraden voor haar overige klachten (als gevolg van nare levensgebeurtenissen). Daartoe is zij (terug)verwezen naar G.

2.3 Bij het intakegesprek in november 2016 van klaagster bij G is verweerster, toen werkzaam bij G, (deels) aanwezig geweest. G heeft als hoofddiagnose gesteld: As II persoonlijkheidsstoornis NAO, met cluster B en C trekken. Omdat er op dat moment bij G geen plek was in de SFT-groep, heeft klaagster ter overbrugging individuele (schematherapie gerichte) gesprekken gehad met GZ-psycholoog K, totdat deze in de zomer van 2017 ziek is uitgevallen.

2.4 In de zomer van zomer 2017 heeft klaagster, in overleg met K en psychiater H, in verband met PTSS klachten een EMDR-behandeling ondergaan in L te D.

2.5 In de zomer van 2017 vond een reorganisatie plaats binnen de polikliniek G en een herverdeling in de zorglijn Angst en Depressie en de zorglijn Trauma en Persoonlijkheid.

2.6 Half juli en 11 september 2017 heeft verweerster als regiebehandelaar met klaagster gesproken. Op 18 september 2017 is klaagster met de SFT-groep bij de zorglijn Angst en Depressie gestart met eerst zes zogenaamde pretherapie bijeenkomsten. De pretherapie werd geleid door verweerster en een gedragstherapeutisch medewerker (N). Vervolgens werden de wekelijkse groepssessies geleid door verweerster en O, GZ-psycholoog, als groepstherapeuten.

2.7 Naast de wekelijkse groepssessies kreeg klaagster vijf individuele ondersteunende gesprekken bij een van de twee groepstherapeuten. Zij had daarnaast op dat moment ook gesprekken met een CJG (Centrum voor Jeugd en Gezin)-coach en er was voor haar dochtertje aparte hulpverlening ingezet.

2.8 In november 2017 heeft klaagster gemeld meer hulp in de vorm van extra ondersteunende gesprekken nodig te hebben omdat haar steunsysteem wegviel (de vader van haar kind raakte buiten beeld, zelf nam zij afstand van haar moeder). Verweerster heeft die (individuele) gesprekken gevoerd.

2.9 Tijdens de individuele sessie met verweerster op 11 december 2017 heeft klaagster aan verweerster advies gevraagd over het al dan niet accepteren van praktische hulp van groepslid D.

2.10 Bij e-mail van 19 januari 2018 heeft klaagster aan verweerster kenbaar gemaakt dat zij aparte psychotherapie wilde buiten de groep. Die was echter niet beschikbaar. Bij e-mail van 22 januari 2018 heeft verweerster aan klaagster, na overleg met haar die ochtend, bericht dat – in aanvulling op de behandeling op de poli van G - het net opgestarte IBT-team (Intensieve Begeleiding Thuis) zorg aan huis kon bieden voor maximaal zes weken. Die (tijdelijke) hulp is gestart in februari 2018.

2.11 Bij e-mail van 24 februari 2018 heeft klaagster aan verweerster geschreven: “De IBt-ers komen nu gemiddeld drie keer per week bij me langs. Ik vind het heel fijn dat je dit voor me geregeld hebt. Ik heb er veel steun aan. (…) Het is wel zo dat alle hulpverlening tezamen nu bij mij voor een te hoge belasting zorgt. Gisteren heb ik dit ook besproken met mijn contactpersoon van het CJG (Centrum Jeugd en Gezin). Naar aanleiding van dit gesprek heb ik besloten de gesprekken met haar tijdelijk op te schorten. Ik wil ook onze individuele gesprekken [met verweerster – RTG] opschorten totdat er weer ruimte voor is. (…)
Verder wil ik terugkomen op de hulp aangeboden door D in de groep. Hierover heb ik in december jouw advies gevraagd in een individuele sessie. Je zei dat ik daar in noodgevallen gebruik van kon maken. Dit heb ik gedaan. De laatste tijd is D steeds meer een steunpilaar voor me geworden. Dat vind ik heel fijn, omdat mijn netwerk weggevallen was. Ik vind het belangrijk dat je dit weet. Zou jij erover na kunnen denken of dit relevant is voor de groep? Wat mij betreft staat het los van het groepsproces.
Ik zou het fijn vinden reactie van je te krijgen voordat we na de vakantie de sessies weer hervatten.”

2.12 Op 26 februari 2018 heeft verweerster geantwoord:
” Ik weet niet of het verstandig is om zowel de individuele gesprekken bij CJG als bij mij op te schorten. (…) Voor wat betreft de hulp van een groepsgenoot, kan ik mij niet herinneren dat ik heb gezegd dat je daar gebruik van kon maken. Ik heb ik gezegd dat wij adviseren om buiten de groep geen contact te hebben met groepsleden tijdens de looptijd van de therapie omdat dit complicaties geeft in een groepstherapie en dat het beter is om andere bronnen van steun aan te boren. Wat ik nu van je begrijp is dat het contact met D zelfs intensief geworden is en dat hij een belangrijke steunpilaar voor je is Dit lijkt mij problematisch en dat is precies waarom we adviseren om geen contact te hebben. Je vermeldt niet hoe vaak jullie elkaar zien/spreken en wat de aard van jullie contact is. Zou je dit alsnog willen doen? Indien nl. sprake is van een relatie dan is de regel dat een van de twee stopt met de groep. Deze regel is gebaseerd op het slechte ervaringen in het verleden. Ik zal e.e.a. met P [P –RTG] bespreken en kom er maandag 5 maart in ons individueel gesprek nog graag op terug. Het lijkt mij goed om dit gesprek wel door te laten gaan, gezien deze berichtgeving.”


2.13 Daarop heeft klaagster op 27 februari 2018 geschreven:
“(…) Zoals ik uitlegde in mijn vorige mail wilde ik graag onze individuele gesprekken opschorten nu ik in het intensieve traject zit van het IBT. Dit geldt ook voor het gesprek van 5 maart aansluitend aan de groepstherapie.
(..)
D had in december in de groep zijn hulp aangeboden voor praktische ondersteuning, zoals brengen en halen van mijn dochtertje met de auto. Hierbij reageerde je niet afwijzend op zijn voorstel. Aangezien N bij de pretherapie had genoemd dat contact met groepsleden buiten de groep ongewenst zou zijn, wist ik niet of ik van dit aanbod gebruik kon maken. Daarom heb ik je deze kwestie voorgelegd tijdens een individueel gesprek op 11 december. Je reageerde positief en zei dat ik in noodgevallen met mijn dochter daar best gebruik van kon maken. (…)
Misschien kun je je nog herinneren dat ik tijdens dat gesprek vroeg of het niet problematisch zou zijn gezien onze schema’s? Daarop antwoordde je dat daarom contact met groepsleden buiten de groep niet wenselijk is. Deze dubbele boodschap vond ik erg verwarrend, dus controleerde ik nog even bij je of ik nou wel of niet D’s hulp kon aannemen en je besloot het gesprek met de zin: “In noodgevallen kan het wel.”
Voor mij is duidelijkheid heel belangrijk (…)”


2.14 Vervolgens heeft verweerster bij e-mail aan klaagster op 5 maart 2018 gereageerd:
“Ik denk dat de verwarring erin zit dat ik heb bedoeld dat je in noodgevallen een beroep kan doen op een groepslid, als het echt niet anders kan en dat jij in je eerdere mail zegt dat D een belangrijke steunpilaar voor je geworden is. Dat laatste suggereert een meer en intensief en structureel contact, wat wel een probleem kan vormen voor de therapie. Zou je mij hier duidelijkheid over kunnen geven? Ik stel voor om het ind. gesprek door te laten gaan, zodat we hier wat meer ruimte voor hebben, voordat we het in de groep bespreken.
(…)”


2.15 Die avond op 5 maart 2018 heeft klaagster teruggeschreven:
“(…) dat ik grote moeite heb met ambiguïteit. De onduidelijkheid in je antwoord m.b.t. hulp van D heeft me een onveilig gevoel gegeven. Dat je je eerder niet kon herinneren dat je toestemming had gegeven voor hulp van D in noodgevallen heeft hiertoe bijgedragen, evenals de plotselinge introductie van een voor mij nieuwe regel dat er eventueel iemand de groep zou moeten verlaten. Ik zou het daarom fijn vinden als ik mijn individuele gesprekken verder met O zou mogen voortzetten. (…)”


2.16 Op 6 maart 2018 heeft verweerster per e-mail aan klaagster geschreven:
“Inmiddels heb ik begrepen uit de verslaglegging van het INBT dat er inderdaad sprake is van een relatie tussen jou en D. Dat is echt iets anders dan incidenteel een beroep op iemand doen in geval van nood. Het spijt mij maar de regels, die niet nieuw zijn en aan het begin van de therapie met jullie besproken zijn, schrijven voor dat in ieder geval een van de groepsleden dan moet stoppen. Ik zal je de regels nogmaals toesturen per separate mail. Relaties tussen groepsleden tijdens de looptijd van de groep geven teveel verwarring in de therapie voor jezelf en voor anderen. Ik heb e.e.a. in het team besproken en op dit moment is het het beste dat zowel jij als D deelname aan de groep staken totdat er een individueel gesprek met jullie beiden afzonderlijk heeft plaatsgevonden, waarin we een en ander zullen bespreken. Ik heb een afspraak voorgesteld voor maandag 12 maart om 11.30 uur. Ik hoor het graag indien je niet kunt, dan zoeken we een ander tijdstip. Degene die stopt met de groep kan natuurlijk altijd op een ander moment deelnemen aan een groep. Dat spreekt voor zich.”

2.17 Klaagster heeft op 7 maart 2018 weer aan verweerster te kennen gegeven niet met haar te willen spreken, maar wel met O, de andere groepstherapeut (en regiebehandelaar van D). In een e-mail van 9 maart 2018 aan O zegt klaagster dat dat is “om mijn eigen gevoel van veiligheid en m’n grenzen te bewaken”. Verweerster heeft klaagster in de ochtend van 12 maart 2018 gemaild dat zij toch bij het gesprek die dag aanwezig wil zijn, omdat zij regiebehandelaar is. Klaagster is niet naar het gesprek op 12 maart 2018 gegaan. Daarop heeft verweerster dezelfde dag aan klaagster een e-mail gestuurd waarin ze klaagster alsnog een gesprek aanbiedt bij alleen O “Omdat er iets besloten moet worden over jouw deelname aan de groep, willen we wel van jou horen wat er precies aan de hand is, dit ook om verder beleid voor jouw behandeling te bepalen en die van D.”. Dat gesprek heeft plaatsgevonden op 16 maart 2018. Volgens klaagster heeft O in dit gesprek te kennen gegeven dat ofwel D ofwel klaagster de groep moest verlaten, waarop klaagster aangaf dat een van hen in een gat zou vallen, terwijl ze de therapie allebei nodig hadden.

2.18 Klaagster heeft besloten de groep te verlaten. D is in de groep gebleven.


2.19 Bij e-mails van 19 en 26 maart 2018 heeft klaagster aan O gevraagd om een nieuwe regiebehandelaar. In april kreeg klaagster een nieuwe behandelaar (P), maar zij viel spoedig uit door ziekte.

2.20 Klaagster heeft omstreeks april 2018 een klacht ingediend tegen verweerster bij de interne klachtenfunctionaris. In dat kader heeft verweerster twee schriftelijke reacties op de klacht gegeven en heeft de afdelingsmanager van verweerster op 13 juni 2018 een gesprek gehad met klaagster en haar naar aanleiding daarvan op 2 juli 2018 een brief geschreven. Klaagster heeft telkens schriftelijk gereageerd. Op de uitnodiging om de klacht in een gesprek met verweerster te bespreken is klaagster niet ingegaan. Het klachtdossier is op 16 juli 2018 gesloten.

2.21 Haar klacht over verweerster heeft klaagster ook besproken tijdens het intakegesprek begin juni 2018 met de psychiater van de afdeling Angst en Depressie, Q. Later heeft Q aan klaagster ADHD-medicatie, antipsychotica en benzodiazepines voorgeschreven.

2.22 Begin 2019 is door R Locatie S te T bij klaagster (tevens) de diagnose ASS gesteld.

3. De klacht en het standpunt van klaagster
De klacht, zoals omschreven in bijlage 25 bij het klaagschrift, houdt in dat verweerster:
1) signalen van zowel klaagster als van andere betrokken hulpverlening (POH en CJG) heeft genegeerd;
2) zich niet coöperatief heeft opgesteld tegenover de hulpverlening die contact zocht met haar;
3) aan klaagster ambigue boodschappen gegeven over de groepsregels en hoe klaagster daar flexibel mee om kon gaan; vervolgens heeft verweerster dat ontkend en verdraaid en daar geen verantwoordelijkheid voor genomen;
4) de procedure omtrent de prille relatie van klaagster met D onprofessioneel en ongevoelig aangepakt, waardoor zij het vertrouwen in verweerster verloren;
5) klaagster trachtte te dwingen met haar om tafel te gaan, waardoor klaagster nog meer in haar schulp kroop;
6) a) klaagster voor de keuze heeft gesteld: of klaagster of D moest de groep verlaten; voor klaagster betekende dit dat haar therapie abrupt stopte en dat middenin een crisissituatie (door deze traumatische ervaring zelfs nog versterkt) haar problematiek onbehandeld bleef voor te lange tijd;
b) deze beslissing niet heeft genomen met het oog op therapeutische processen maar uit eigen belang;
c) klaagster en D geen kans heeft gegeven om te laten zien dat het (een relatie binnen de groep – RTG) juist heel goed kan gaan;
7) klaagster zelf heeft laten vechten voor vervangende therapie, hetgeen veel wisselingen tot gevolg had; daardoor werd klaagster ernstig overprikkeld, hetgeen vanuit haar autisme een contra-indicatie is;
8) klaagster niet heeft doorverwezen naar een andere regiebehandelaar, terwijl verweerster klaagster niet de juiste behandeling kon geven;
9) klaagster niet heeft doorverwezen naar
a) de geschikte afdeling: Trauma en Persoonlijkheid, terwijl klaagsters hoofddiagnose persoonlijkheidsstoornis was;
b) een andere groep, bijvoorbeeld VERS-training of SFT-training of de lotgenotengroep seksueel misbruik (beide laatste bij de afdeling Trauma en Persoonlijkheid)
c) een psychiater om te overleggen over eventuele behandeling met medicatie; klaagster slikt nu een antipsychoticum, een antidepressivum en zo nodig Lorazepam en melatonine – dat helpt haar stabiel te blijven;
10) klaagster toen haar benadeling stagneerde niet heeft doorverwezen voor verdere diagnose, waardoor pas veel later haar nieuwe behandelaar U klaagsters autisme signaleerde en klaagster met haar traumaverwerking en levensverhaal goed heeft geholpen;
11) klaagster niet uit zichzelf heeft doorverwezen naar ambulante hulp thuis, niet heeft onderkend dat klaagster structurele begeleiding thuis nodig had en niet heeft gewezen op het bestaan van RIBW; inmiddels heeft klaagster al drie jaar structurele thuisondersteuning vanuit het RIBW voor 6 uur per week.

4. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen gemotiveerd bestreden. Het spijt verweerster wel dat zij kennelijk soms in de communicatie niet duidelijk (genoeg) is geweest. Zij heeft er verder op gewezen dat een en ander zich 3 à 4 jaar geleden heeft afgespeeld en dat zij zich alles niet meer precies herinnert. Sinds 1 juli 2019 werkt verweerster niet meer bij G; zij heeft daardoor geen toegang meer tot de verslaglegging aldaar. Verweerster heeft de indruk dat klaagster haar verantwoordelijk wil maken voor haar keuze om een relatie aan te gaan met een groepsgenoot. Ook voert zij aan dat er naar aanleiding van de interne klachtenprocedure in de organisatie verbeteringen zijn doorgevoerd, te weten dat de regels over wat er gebeurt als groepsleden een relatie krijgen nu ook aan het begin op schrift worden uitgereikt aan de cliënten. Wat betreft de hoedanigheid waarin zij is opgetreden, merkt verweerster het volgende op. Zij was bij G werkzaam in de functie van klinisch psycholoog/regiebehandelaar en was van daaruit (dus niet in haar hoedanigheid/registratie van psychotherapeut) als regiebehandelaar en co-systeemtherapeut betrokken bij de behandeling van klaagster. Zij erkent wel dat zij door de omstandigheden (personeelstekort) ook min of meer als behandelaar optrad en dat dat voor klaagster verwarrend geweest kan zijn.

5. De beoordeling
5.1. Als formeel verweer heeft verweerster aangevoerd dat zij hier uitsluitend is opgetreden als GZ-psycholoog en niet (ook) als psychotherapeut. Het college overweegt dat alleen al uit het feit dat verweerster ook naar eigen zeggen als co-therapeut van klaagster is opgetreden in de schema-(groeps)therapie, volgt dat zij tevens in haar hoedanigheid van psychotherapeut is opgetreden. Overigens is het zeer de vraag of dit uitmaakt voor de beoordeling van deze klacht.

5.2 Vervolgens komt het college toe aan de inhoudelijke toetsing van de gedragingen van verweerster. Bij de tuchtrechtelijke beoordeling gaat het niet om de vraag of het beroepsmatig handelen beter had gekund, maar of verweerster is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klaagster klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard.

5.3 Van november 2016 tot april 2018 is verweerster bij de behandeling van klaagster betrokken geweest als regiebehandelaar en als co-therapeut van de SFT-groep. Op die periode heeft de tuchtrechtelijke beoordeling betrekking.


Klachtonderdelen 3 tot en met 7, regels omtrent relaties, vertrek uit de groep en vervolg
5.4 Uit de stukken en de verklaringen van partijen blijkt dat de voornaamste oorsprong van de vertrouwensbreuk tussen klaagster en verweerster (en van de klacht) ligt in de periode december 2017 tot en met maart 2018 en in het bijzonder in de relatie die tussen klaagster en D is ontstaan en het daarop gevolgde vertrek van klaagster uit de SFT-groep. In deze zaak is de vraag of verweerster, in het licht van bovenvermelde maatstaf, terzake een tuchtrechtelijk verwijt treft.

5.5 Met betrekking tot het gesprek op 11 december 2017 zijn partijen, al hebben zij wellicht ieder een iets andere herinnering aan de details van dat gesprek van ruim 4 jaar geleden, het over het volgende eens. Klaagster wist dat contact met groepsleden buiten de therapie ontraden werd, dat was haar in de pretherapie verteld. Toen groepslid D begin december 2017 aan klaagster praktische hulp aanbood, die zij goed kon gebruiken omdat zij niemand anders (meer) had om op terug te vallen, heeft klaagster daarom tijdens de individuele sessie op 11 december 2017 aan verweerster gevraagd of zij dat aanbod kon aanvaarden. Klaagster noemde als voorbeeld dat zij haar toen vijfjarige dochter alleen thuis zou moeten laten terwijl klaagster op de fiets medicijnen bij de apotheek haalde. Verweerster heeft toen gezegd dat contact met groepsleden buiten de therapie inderdaad ontraden wordt, maar dat klaagster als het echt niet anders kon incidenteel in noodgevallen zijn hulp kon accepteren.

5.6 Deze boodschap van verweerster is duidelijk: de hoofdregel is dat contact ontraden (niet verboden) wordt, maar in noodgevallen kan het wel. Dat klaagster dit als onduidelijk heeft ervaren zoals zij stelt, kan niet verweerster tuchtrechtelijk worden aangerekend.

5.7 Toen klaagster vervolgens op 24 februari 2018 aan verweerster mailde dat D de laatste tijd steeds meer een steunpilaar voor haar was geworden, met de vraag of dit relevant was voor de groep (zie hiervoor onder 2.11), heeft verweerster twee dagen erna geantwoord dat indien sprake is van een relatie, de regel is dat een van de twee stopt met de groep (vanwege slechte ervaringen in het verleden). Ook deze regel, dat bij een relatie een van de twee moet stoppen met de groep, is gebruikelijk en begrijpelijk. Wel is van belang dat de zorgverlener er zorgvuldig mee omgaat. Zo dient hij/zij betrokkene tijdig en duidelijk over de regel te informeren. Dat is hier gebeurd: toen verweerster van klaagster op 24 februari 2018 signalen kreeg dat er wellicht een relatie met D ontstond, heeft verweerster klaagster twee dagen later gemaild (zie hiervoor onder 2.12) dat in dat geval een van beiden de groep zou moeten verlaten. Vanaf dat moment wist klaagster dus in ieder geval van het bestaan van deze regel. Deze is later nog een paar keer bevestigd door verweerster en ook door mevrouw O. Omstreeks 6 maart 2018 heeft verweerster de regels nog op schrift gemaild aan klaagster. Hoewel het goed is dat de regels inmiddels, zoals verweerster heeft verklaard, aan het begin van de behandeling op schrift worden verstrekt aan de patiënten, maakt dat voor de beoordeling van deze klacht niet uit. Klaagster stelt dat zij wellicht andere afwegingen had gemaakt als zij eerder van de regel had geweten, maar wat zij daarmee bedoelt is niet duidelijk geworden.

5.8 Verweerster heeft klaagster uitgenodigd voor een gesprek om te achterhalen of er inderdaad sprake was van een relatie en om in dat geval met klaagster te bespreken hoe verder. Dat is een zorgvuldige stap die een goed zorgverlener betaamt. Helaas heeft klaagster, ondanks herhaaldelijk daartoe te zijn uitgenodigd en ondanks aandringen door mede-groepstherapeut O, geweigerd verweerster te woord staan. Klaagster voerde daarvoor als reden aan dat zij zich onveilig voelde bij verweerster. Dat zou al het geval zijn geweest sinds het gesprek van 11 december 2017. Voor klaagster voelde dit wellicht logisch, maar voor verweerster was dit – op 5 maart 2018 - nieuw. Omdat zij zich als klaagsters regiebehandelaar – terecht - verantwoordelijk voelde, bleef verweerster aanvankelijk bij klaagster aandringen op een gesprek tussen hen. Dit werkte bij klaagster averechts, zij kreeg het gevoel dat zij niet serieus werd genomen en ervoer het optreden van verweerster als kil en koud. Dit is betreurenswaardig, maar uiteraard subjectief. Naar objectieve maatstaven is verweerster, gelet op haar optreden en tekst en toon van haar e-mails, naar het oordeel van het college gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Bij dat oordeel is ook in aanmerking genomen dat verweerster al een week later, op 12 maart 2018, het roer heeft omgegooid omdat er duidelijkheid moest komen over klaagsters deelname aan de groep: het gesprek moest dan maar alleen met mevrouw O plaatsvinden.

5.9 Nadat klaagster medio maart 2018 in overleg met D had besloten dat zij degene was die de groep zou verlaten, heeft klaagster gevraagd om een andere regiebehandelaar. Op dat moment was er geen andere SFT-groep beschikbaar binnen G, zo heeft verweerster onweersproken gesteld. Klaagster kreeg in april 2018 een nieuwe behandelaar, GZ-psycholoog U (gekoppeld aan een andere regiebehandelaar: psychiater V), ter overbrugging totdat er plaats was binnen de zorglijn Trauma en Persoonlijkheid binnen G. Vanaf dat moment was verweerster niet meer betrokken bij de behandeling van klaagster en kan zij daar dus ook niet meer tuchtrechtelijk op worden aangesproken. In mei 2018 is klaagster overgegaan naar de zorglijn Trauma en Persoonlijkheid, kreeg zij een nieuwe behandelaar (U) en psychiater (V) en startte zij met VERS-training. Al deze wisselingen waren niet ideaal en zullen voor klaagster (zeker gezien haar - later vastgestelde - autisme), gelet op de stressvolle situatie waarin zij mede als gevolg van het verlaten van de groep en daarmee het tussentijds afbreken van die therapie, niet prettig zijn geweest. Verweerster heeft echter geen tuchtrechtelijke grenzen overschreden in de tijd dat zij nog regiebehandelaar was van klaagster. Zij heeft binnen een gepaste termijn voor een ambulante behandeling (een maand) een andere behandelaar voorgedragen. Hoewel de situatie wellicht kwetsbaar was, was verweerster ook op de hoogte van het feit dat er nog ambulante begeleiding thuis plaatsvond en waren er (toen of eerder) geen aanwijzingen dat er sprake was van spoed of crisis waarvoor een andere interventie gerechtvaardigd zou zijn geweest.

5.10 Gelet op dit alles verwijt klaagster verweerster ten onrechte dat klaagster (of D) de groep moest verlaten. Klaagster verliest uit het oog dat dit simpelweg de consequentie was van de tussen haar en D ontstane relatie. De situatie was voor klaagster niet beter geweest als verweerster na 11 december 2017 actiever de vinger aan de pols had gehouden met betrekking tot het ontstaan van een relatie. Klaagster verwijt verweerster dan ook ten onrechte dat zij dat niet heeft gedaan. Ook voor de aantijging dat verweerster deze beslissing niet op therapeutische gronden maar uit eigen belang zou hebben genomen is geen grond. Tenslotte lijkt uit het onder 6.c) weergegeven klachtonderdeel (dat verweerster klaagster en D geen kans heeft gegeven om te laten zien dat een relatie binnen de groep juist heel goed kan gaan) te volgen dat klaagster in wezen niet accepteert dat deze regel, hoe vervelend ook, nu eenmaal geldt, ook voor haar.


5.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de klachtonderdelen 3 tot en met 7 ongegrond zijn.
Klachtonderdelen 1,2, 8, 9, 10 en 11. Verkeerde behandeling

5.12 De resterende klachtonderdelen komen er in de kern op neer dat verweerster klaagster niet de juiste behandeling heeft gegeven - de gegeven SFT-therapie zou niet passend zijn geweest - en haar eerder had moeten doorverwijzen. Daarin wordt zij niet gevolgd door het college. De ingezette schematherapie is een logische behandeling op grond van het eerdere, uitvoerige, psychologische onderzoek door E. E had klaagster ook juist voor schematherapie verwezen naar G. Dit was de eerste en enige SFT-groep binnen G op dat moment; de zorglijn Trauma en Persoonlijkheid had een aannamestop en bood geen schematherapie, zo heeft verweerster onweersproken aangevoerd.
Pas bij stagnatie van de behandeling is er reden om te bezien of de diagnose misschien moet worden bijgesteld. Tijdens de periode dat klaagster bij verweerster in behandeling was, was daartoe geen aanleiding. Klaagster was zelf ook zeer te spreken over de schematherapie (mede daarom vond zij het zo naar om de groep te moeten verlaten). Dat later, begin 2019, door R te S bij klaagster (tevens) de diagnose ASS is gesteld, is kennis achteraf, en betekent niet dat verweerster indertijd tuchtrechtelijk is tekortgeschoten. Overigens heeft verweerster onweersproken aangevoerd dat schematherapie ook bij ASS passend kan zijn.


5.13 Verder is niet aannemelijk geworden dat verweerster naar aanleiding van signalen van zowel klaagster als van andere betrokken hulpverlening (POH en CJG) een andere behandeling of interventie had moeten inzetten. Verweerster heeft ingeschat dat er geen sprake was van een acute crisissituatie. Het college acht deze inschatting, gelet op verklaringen van partijen en de stukken waaronder de e-mails van klaagster uit de periode november 2017-januari 2018, niet onbegrijpelijk. Wel heeft verweerster voor klaagster, naar aanleiding van haar signalen dat zij daar grote behoefte aan had, ambulante hulp thuis (IBT) geregeld. Dat is adequaat. Klaagster heeft inmiddels meer structurele hulp thuis via het RIBW. Of dat door verweerster is aangevraagd (zoals verweerster zegt) of door het IBT-team (zoals klaagster zegt) kan hierbij in het midden blijven.

5.14 Voor doorverwijzing naar de psychiater was volgens verweerster geen aanleiding, omdat klaagster geen medicatie wenste. Klaagster zegt echter dat zij dat wel wilde en ook heeft kenbaar gemaakt. De visies van partijen op de feiten staan hier haaks op elkaar. Uit de stukken en de verklaringen van partijen kan het college niet opmaken welke partij gelijk heeft. Nu de feiten die aan klachtonderdeel 9.c) ten grondslag liggen dus niet kunnen worden vastgesteld, kan het klachtonderdeel niet gegrond worden verklaard.


5.15 Dit alles betekent dat klachtonderdelen 1, 2, 8, 9, 10 en 11 ongegrond zullen worden verklaard.
Conclusie


5.16 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in al haar onderdelen ongegrond is. Verweerster kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.


6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist op 6 mei 2022 door:
G.M. Boekhoudt, voorzitter,
T.A.W. van der Schoot, C. Oele en R. van der Ree, leden-beroepsgenoten,
M.A.H. Verburgh, lid-jurist,
bijgestaan door C. Neve, secretaris.
secretaris voorzitter