ECLI:NL:TGZRAMS:2022:49 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3189
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:49 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-04-2022 |
| Datum publicatie: | 26-04-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3189 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Ongegronde klacht tegen een verpleegkundige (gipsverbandmeester). Tussen klaagster en beklaagde is onenigheid ontstaan over de wijze van gipsen. De door klaagster opgestelde werkwijze van gipsen wordt niet als ‘maatwerkprotocol’ beschouwd. Het College is van oordeel dat beklaagde het gips had mogen aanbrengen volgens de methode die volgens haar eigen professionele standaard bij deze klachten geëigend was en zij heeft de afwijkende methode waar klaagster om verzocht niet hoeven volgen. Haar stelling dat een andere wijze van gipsen nodig was, acht het College verdedigbaar. In aanmerking genomen de motivering van beklaagde om de door klaagster beschreven gipsmethode niet te volgen, alsook het feit dat die methode ook niet van de medisch specialist afkomstig was, acht het College het niet onzorgvuldig om contact met de specialist achterwege te laten. Van een noodzaak daartoe is niet gebleken. Klachten over communicatie en dossiervoering ook ongegrond verklaard. |
Kenmerk: A2021/3189
Datum uitspraak: 26 april 2022
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam heeft de volgende
beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: mr. C. Timmer, werkzaam te Etten-Leur,
tegen:
C, verpleegkundige,
werkzaam te D,
beklaagde,
gemachtigde: mr. D. Zwartjens, werkzaam te Zwolle.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 21 juni 2021;
- het verweerschrift met bijlagen;
- de repliek;
- de dupliek.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling
te worden gehoord.
1.3 De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare
terechtzitting van 15 maart 2022. De partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn
verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
2. De feiten
2.1 Klaagster wordt vanaf 2009 in het E (hierna: het ziekenhuis) behandeld wegens
veelvuldige enkeldistorsies aan zowel haar linker- als haar rechterenkel. De behandelingen
vonden plaats op de Spoedeisende Hulp, polikliniek chirurgie, de gipskamer en orthopedie.
Wegens een eczemateuze huidafwijking die opspeelde nadat tape rond de enkel was aangebracht,
is zij ook bij dermatologie in behandeling gekomen.
2.2 Tijdens de behandelperioden ervoer klaagster meermalen problemen, zoals een bacteriële
infectie onder het gips. Toen zij in 2013/2014 na het gipsen bij een enkeldistorsie
links geen problemen ervoer, heeft zij die werkwijze bij het gipsen beschreven en
dit bij de twee betrokken gipsverbandmeesters geverifieerd. In een mail van 19 augustus
2018 heeft klaagster vermeld dat die werkwijze als volgt is:
“HOE TE GIPSEN BIJ MIJ MET RAP OM ENKEL/VOET (protocol gipskamer E 2014 + 2016 F en
G):
- badstof kous
- watten, grote rol vanwege schommelende voetdikte door dystrofie en complexe beenconditie.
- vanwege uitzetten voet ook watten rolletjes naast grote en kleine teen leggen om
extra ruimte te creëren. Deze na het gipsen verwijderen.
- bij enkel gips 3 rollen rap gebruiken!! In ieder geval 2,5 en niet minder. Daar
loop ik anders door heen.
- aan de mediale en laterale zijde van de enkel hard gips gebruiken
- gipsschoen ophogen. Materiaal ligt thuis en anders bij H halen. (…)”
2.3 Deze werkwijze van gipsen wijkt af van het protocol dat geldt voor de beroepsvereniging van gipsverbandmeesters.
2.4 Op 15 december 2017 heeft beklaagde, die als verpleegkundige/gipsverbandmeester in het ziekenhuis werkzaam is, gips bij klaagster aangebracht. Klaagster liet het op 13 december 2017 (door een ander dan beklaagde) aangebrachte gips vervangen omdat dit niet goed zat. Omdat klaagster niet tevreden was over het door beklaagde aangebrachte gips, heeft beklaagde direct daarna nieuw gips aangebracht en daarbij een extra laag vilt gebruikt. Tussen klaagster en beklaagde is tijdens die behandeling op 15 december 2017 onenigheid ontstaan over de wijze van gipsen.
2.5 In het medisch dossier van klaagster is voor zover van belang vermeld:
“13-12-2017 Beloop opnieuw soft cast aangelegd vlgs persoonlijk voorschrift, co 2
wkn af. 15-12-2017 Beloop belde had klachten v.h gips nieuw wrape aan geleg. Te veel
ruimte Conclusie patient wil niet meer door mij in gipst worden.. ik ben het namelijk
niet mee eens op de manier hoe mw. het wil. ( namelijke een hoeveelheid watten )”
3. De klacht
Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat zij:
a. bij het aanleggen van het gips ten onrechte is afgeweken van het voor klaagster
opgestelde maatwerkprotocol (niet strak genoeg en te weinig watten);
b. geen motivering heeft gegeven voor het afwijken van dat maatwerkprotocol;
c. onzorgvuldig heeft gecommuniceerd ten opzichte van klaagster en haar behandelend
specialist (door niet met de specialist te overleggen);
d. is tekortgeschoten in haar dossierplicht.
4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.
Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1 Bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen gaat het er niet om
of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of
beklaagde bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk
bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde
van het door klaagster klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep
terzake als norm was aanvaard. Het College zal het handelen van beklaagde aan de hand
hiervan beoordelen. Klachtonderdelen a en b: niet-volgen van het ‘maatwerkprotocol’
en dat niet-motiveren
5.2 Klaagster heeft verklaard dat voor het gipsen van haar enkels het onder 2.2 bedoelde
maatwerkprotocol van toepassing is. Ter zitting is gebleken dat het een handgeschreven
papier betreft dat klaagster zelf heeft opgesteld. Hierin beschrijft zij op welke
wijze het gips bij een eerdere (2013/2014) enkelkwetsuur naar haar tevredenheid was
aangebracht omdat zij daarna geen klachten door het gips had ervaren. Het College
merkt op dat de bevestiging van twee gipsverbandmeesters dat zij de voorkeurswijze
van gipsen destijds correct op schrift had weergegeven en dat zij daar op dat moment
achter stonden, niet maakt dat deze wijze van gipsen daardoor voortaan als een ‘maatwerkprotocol’
moet worden beschouwd.
Beklaagde heeft toen klaagster op 15 december 2017 voor het aanbrengen van gips bij
haar kwam, kennisgenomen van de werkwijze die klaagster haar daarbij verzocht te hanteren.
Zij heeft geoordeeld dat de afwijkende gipsmethode geen goede behandeling zou zijn
van de op dat moment aanwezige klachten. Daarbij heeft zij aandacht gehad voor het
feit dat klaagster ‘slotklachten’ had, waarbij het gips niet te los mag worden aangebracht.
Verder stonden de peesklachten van klaagster in 2017 meer op de voorgrond dan in 2013/2014,
wat maakt dat het gips juist wat strakker moet worden aangebracht. Er moest daarom
naar een evenwicht worden gezocht en het was volgens beklaagde nodig, mede gelet op
de complexiteit van klaagsters enkelproblematiek en het feit dat door de ontwikkeling
van de wetenschap nu ook ander materiaal gebruikt werd, om af te wijken van de door
klaagster gewenste werkwijze. Beklaagde voert aan dat zij bij het aanbrengen van het
gips heeft gezocht naar een wijze van gipsen die een goede behandeling van de peesklachten
zou zijn, waarbij ook rekening gehouden werd met dystrofie. Zij heeft daarbij een
compromis gezocht tussen de wensen van klaagster en hetgeen zij zelf medisch gezien
noodzakelijk achtte. Het College is van oordeel dat beklaagde het gips had mogen aanbrengen
volgens de methode die volgens haar eigen professionele standaard bij deze klachten
geëigend was en zij heeft de afwijkende methode waar klaagster om verzocht niet hoeven
volgen. Haar stelling dat vanwege voornoemde redenen een andere wijze van gipsen dan
onder 2.2 bedoeld nodig was, acht het College verdedigbaar. Daar komt bij dat ook
wanneer het gips wel ‘volgens persoonlijk voorschrift’ werd aangebracht, zoals volgens
het dossier op 13 december 2017 het geval was, klaagster zich meldde met klachten.
Klachtonderdeel a slaagt daarom niet. Voor zover klaagster stelt dat er ook na 15
december 2017 nog contact met beklaagde was, kan dat niet worden vastgesteld, nu die
stelling gemotiveerd is betwist en dit niet valt op te maken uit het dossier.
5.3 Duidelijk is dat beklaagde en klaagster het niet eens konden worden over op welke
wijze het gips moest worden aangebracht. Klaagster heeft niet betwist dat beklaagde
haar heeft uitgelegd waarom zij heeft gekozen voor een andere methode dan klaagster
wenste, zodat ook klachtonderdeel b faalt.
Klachtonderdeel c: communicatie en niet afstemmen met de specialist
5.4 Klaagster verwijt beklaagde dat zij onvoldoende met haar heeft gecommuniceerd,
dat zij geen contact met een specialist heeft opgenomen en dat er geen informed consent
was. Beklaagde heeft aangevoerd dat zij geen aanleiding zag om daarover met een specialist
te overleggen. Nadat zij het gips voor de tweede keer op een aangepaste wijze had
aangebracht, is klaagster vertrokken. In aanmerking genomen de motivering van beklaagde
om de door klaagster beschreven gipsmethode niet te volgen, alsook het feit dat die
methode ook niet van de medisch specialist afkomstig was, acht het College het niet
onzorgvuldig om contact met de specialist achterwege te laten. Van een noodzaak daartoe
is niet gebleken. Uit het vertrek van klaagster nadat de tweede keer gips was aangebracht
mocht beklaagde afleiden dat klaagster dit had geaccepteerd.
Over de communicatie tussen beklaagde en klaagster merkt het College op dat zowel
uit de stukken als ter zitting is gebleken dat tijdens de behandeling een vertroebelde
sfeer is ontstaan. Beklaagde heeft ter zitting erkend dat zij beter minder fel had
kunnen reageren en dat beiden het erover eens zijn dat ‘zij in elkaars allergie zaten’.
In aanmerking genomen hetgeen beide partijen over het consult hebben verklaard en
het feit dat beklaagde met zelfreflectie op haar handelwijze terugkijkt, voert het
te ver beklaagde met betrekking tot haar wijze van communicatie een tuchtrechtelijk
verwijt te maken.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel d: dossierplicht en niet-motiveren van het afwijken het ‘maatwerkprotocol’
5.5 Beklaagde heeft over het consult van klaagster summiere aantekeningen in het dossier
gemaakt, maar heeft de essentie wel vastgelegd. Hoewel een uitgebreidere vastlegging
wenselijk was geweest, is de verslaglegging in dit geval niet zodanig dat beklaagde
daarvan een tuchtrechtelijk verwijt moet worden gemaakt.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
5.6 Nu de klacht in zijn geheel ongegrond is, is er ook geen plaats voor een kostenveroordeling.
5.7 De conclusie is dat niet kan worden gesteld dat beklaagde heeft gehandeld in strijd
met de zorg die zij ten opzichte van klaagster behoorde te betrachten. De klacht zal
ongegrond worden verklaard.
6. De beslissing
Het College:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door I.K. Spros, voorzitter, P.M. de Keuning, lid-jurist,
W.M.E. Bil, I.M. Bonte en W.J. van der Meer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
Y.M.C. Bouman, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 26 april 2022.