ECLI:NL:TGZRAMS:2022:47 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam D2021/3443

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:47
Datum uitspraak: 20-04-2022
Datum publicatie: 20-04-2022
Zaaknummer(s): D2021/3443
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een gz-psycholoog. De kinderen van klager waren in behandeling voor psychologische behandeling bij de gz-psycholoog. Omdat klager op het moment van behandeling geen contact had met de kinderen, acht het college het verdedigbaar dat de gz-psycholoog in eerste instantie alleen de moeder heeft betrokken. Hoewel het beter was geweest als klager actiever en in een eerder stadium was geïnformeerd over het verloop van de behandeling, maakt dit niet dat de gz-psycholoog tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Er destijds gekozen voor een andere contactpersoon binnen de organisatie dan de gz-psycholoog, dit is aan klager gecommuniceerd en acht het college niet verwijtbaar. Het is voorts niet gebleken dat de gz-psycholoog juridische adviezen heeft gegeven, ook was er geen aanleiding om familie van klager te onderzoeken. Overige klachtonderdelen eveneens ongegrond. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

Kenmerk: D2021/3443


Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:


A,
wonende te B,
klager.


tegen:


C, gz-psycholoog,
werkzaam te D,
verweerder.


1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 8 september 2021;
- het verweerschrift met bijlagen.


1.2 Klager heeft zijn klacht ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag (RTG Den Haag). Omdat – vanwege het terugbrengen van het aantal colleges van vijf naar drie – de bevoegdheid van RTG Den Haag per 1 april 2022 is overgegaan op het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (hierna: het college), heeft RTG Den Haag de behandeling van de zaak overgedragen aan het college. Het college heeft de behandeling van de zaak voortgezet in de stand van de procedure waarin deze zich op dat moment bevond.


1.3 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.


1.4 Het college heeft de klacht op 9 maart 2022 in raadkamer behandeld.

2. Waar gaat de zaak over?
2.1 Verweerder is klinisch psycholoog bij E in D. F is daar de kinder- en jeugdafdeling. In juni 2020 zijn de kinderen van klager, beiden geboren in oktober 2019, door de huisarts verwezen naar F voor psychologische behandeling.

2.2 In februari 2021 heeft een intakegesprek plaatsgevonden met de moeder van de kinderen en psycholoog G van F (beklaagde in de zaak met kenmerk D2021/3442).

2.3 Op 7 mei 2021 is de behandeling gestart. Klager is gescheiden van de moeder van de kinderen en had op dat moment geen contact met de kinderen. Klager heeft toestemming gegeven voor de behandeling van de kinderen.

2.4 Vanaf 11 juni 2021 hebben per e-mail en telefonisch verschillende contacten plaatsgevonden tussen klager en de behandelend psycholoog G. Op 30 juni 2021 heeft klager per e-mail een klacht ingediend tegen G bij de klachtenfunctionaris van E. In een e-mail van 9 juli 2021 heeft de klachtenfunctionaris aangegeven dat zij heeft geadviseerd om de kinder- en jeugd specialist in het proces te betrekken, vanwege de precaire situatie en het belang van de behandelrelatie met de kinderen, klager en de moeder. Verweerder heeft bij brief van 11 juli 2021 als supervisor en klinisch psycholoog gereageerd op de klachten van klager.

2.5 In de weken daarna heeft klager opnieuw verschillende klachten geuit. Op
20 augustus 2021 heeft er een gesprek plaatsgevonden met klager, verweerder en de heer H, bestuurder van E. Op 27 august 2021 heeft verweerder aan klager het volgende bericht: ‘ (…) In vervolg op ons gesprek van vrijdag 20 augustus 2021, inclusief mijn uitnodiging aan u om in aanwezigheid van G nader van gedachten te wisselen op vrijdag 3 september 2021 met als doelen de behandeling van uw kinderen te bespreken, elkaar beter te leren kennen en het vertrouwen in elkaar verder op te bouwen, mochten wij (H en ondergetekende) van u op maandag 23 augustus 2021 (en ook later deze week) wederom kritische reacties van uw kant ontvangen. Na lang overdenken en overwegen willen wij u in kennis stellen van ons besluit om de behandeling van uw kinderen bij E te D per direct stop te zetten. Wij zien, gelet op de slechte ontwikkeling van ons contact met u, geen mogelijkheden meer om in goed onderling overleg en wederzijds vertrouwen de behandeling van uw kinderen voort te zetten. (…)’


3. Wat houdt de klacht in?
Klager verwijt verweerder dat hij:
1) G in alle onderdelen steunt en geen onafhankelijke klachtbehandelaar is, omdat hij zelf ook werkt bij E. Klager vindt het kwalijk hoe verweerder de reactie van 11 juli 2021 heeft opgesteld, gezien zijn afhankelijke positie ten opzichte van G;
2) zonder steekhoudende argumenten en op onbedachtzame wijze op 27 augustus 2021 heeft ge-emaild dat de behandeling van de kinderen per direct wordt stopgezet. Dit is zeer zorgwekkend, getuigt niet van zorgvuldigheid en schaadt het welzijn van de kinderen op een schokkende en grove wijze.


4. Wat is het verweer?
Verweerder heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat hij de brief van 11 juli 2021 in zijn hoedanigheid van supervisor en klinisch psycholoog heeft opgesteld. De beslissing om de behandeling te beëindigen is genomen na veelvuldig en uitvoerig overleg.

5. Wat zijn de overwegingen van het college?


5.1 Het college komt tot de conclusie dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college licht dat als volgt toe.


5.2 Het is het college duidelijk dat klager erg ontevreden is over de wijze waarop hij betrokken is bij de behandeling van zijn kinderen bij F. In het tuchtrecht gaat het echter om het persoonlijke handelen van de aangeklaagde zorgverlener. Het college kan in deze procedure dus alleen het handelen of nalaten van verweerder toetsen en niet van de andere bij de zorg voor de patiënt betrokken artsen of verpleegkundigen. Het college moet beoordelen of verweerder heeft gehandeld als een redelijk bekwaam psycholoog, rekening houdend met de stand van de wetenschap en de geldende beroepsnormen van dat moment. Dat is een zakelijke beoordeling. Kennis achteraf kan daarbij niet in aanmerking worden genomen, omdat verweerder daarmee bij het bepalen van zijn beleid ook geen rekening heeft kunnen houden.

5.3 Kern van klachtonderdeel één is dat verweerder niet als onafhankelijke klachtenfunctionaris heeft opgetreden. Het college stelt voorop dat verweerder niet zelf betrokken is geweest bij de behandeling. Zoals hiervoor onder 2.4 is weergegeven, is verweerder op advies van de klachtenfunctionaris bij de afhandeling van de klachten betrokken geraakt. Dit is ook uitgelegd aan klager in de e-mail van de klachtenfunctionaris van 9 juli 2021 en in de brief van verweerder van 11 juli 2021. Het was nooit de bedoeling dat verweerder als onafhankelijk klachtenfunctionaris zou optreden en hij heeft ook nooit als zodanig gefungeerd. Dat verweerder zich niet onafhankelijk heeft opgesteld kan hem in die zin dan ook niet verweten worden. Het college acht de gang van zaken niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

5.4 Klachtonderdeel twee ziet op de beëindiging van de behandelrelatie. Volgens klager is die beëindiging onzorgvuldig verlopen. Het college begrijpt dat de beëindiging van de behandeling ingrijpend is geweest voor alle betrokkenen. Het college is evenwel van oordeel dat er onder de gegeven omstandigheden geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Verweerder heeft in zijn e-mail en in het verweerschrift uitgelegd waarom E geen mogelijkheden meer zag om de behandeling middels ouder-kind traumatherapie voort te zetten. Daarbij is gewezen op de slechte ontwikkeling van het contact tussen klager en E. Voor een behandelrelatie is goed overleg en wederzijds vertrouwen namelijk essentieel. In het verweerschrift is verder toegelicht dat het welzijn van de kinderen bij het besluit is betrokken en is – voordat tot beëindiging van de behandelrelatie werd overgegaan – eerst de vraag beantwoord bij welke organisaties de behandeling kon worden voortgezet. Hoewel het college dat laatste niet met zoveel woorden terugleest in de e-mail van 27 augustus 2021, blijkt voor het college voldoende dat de beslissing om de behandeling te stoppen weloverwogen is genomen.

5.5 Om bovenstaande redenen zal de klacht kennelijk ongegrond worden verklaard.


6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam beslist als volgt:
verklaart de klacht kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 20 april 2022 door J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, T.A.W. van der Schoot en Th.A.M. Deenen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door B.J. Dekker, secretaris.