ECLI:NL:TGZRAMS:2022:46 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam D2021/3442
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:46 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-04-2022 |
| Datum publicatie: | 20-04-2022 |
| Zaaknummer(s): | D2021/3442 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een klinisch psycholoog. De kinderen van klager waren in behandeling bij een collega (gz-psycholoog) van de klinisch psycholoog voor psychologische behandeling. De klinisch psycholoog is niet als onafhankelijk klachtenfunctionaris bij de behandeling van de klachten tegen zijn collega betrokken geweest. Dit kan hem dus ook niet worden verweten. Voorts heeft de klinisch psycholoog voldoende uitgelegd dat de beëindiging van de behandelrelatie een weloverwogen besluit is geweest. Klacht kennelijk ongegrond. |
Kenmerk: D2021/3442
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam heeft de volgende
beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen:
C, gz-psycholoog,
werkzaam te D,
verweerster.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 8 september 2021;
- het verweerschrift met bijlagen.
1.2 De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling
te worden gehoord. De klacht is op 9 maart 2022 in raadkamer behandeld.
1.3 Klager heeft zijn klacht ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Den Haag (RTG Den Haag). Omdat – vanwege het terugbrengen van het aantal colleges
van vijf naar drie – de bevoegdheid van RTG Den Haag per 1 april 2022 is overgegaan
op het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (hierna: het college),
heeft RTG Den Haag de behandeling van de zaak overgedragen aan het college. Het college
heeft de behandeling van de zaak voortgezet in de stand van de procedure waarin deze
zich op dat moment bevond.
2. Waar gaat de zaak over?
2.1 Verweerster is orthopedagoog en gz-psycholoog bij E in D. F is daar de kinder-
en jeugdafdeling. In juni 2020 zijn de kinderen van klager, beiden geboren in oktober
2019, door de huisarts verwezen naar F voor een psychologische behandeling. In de
verwijsbrief staat het volgende: ‘ (…) Heden verwees ik bovenstaande baby voor SGGZ
zorg naar F ivm gevolgen van een moeizame start en overmatig huilen en/of slecht slapen
en overgevoeligheid voor prikkels bij een onveilige thuissituatie in de zin van ouders
met relatieproblemen.’
2.2 In februari 2021 heeft een intakegesprek plaatsgevonden, waarbij de moeder van de kinderen en verweerster aanwezig waren. Op 7 mei 2021 is de behandeling gestart. Klager is gescheiden van de moeder van de kinderen en had op dat moment geen contact met de kinderen. Klager heeft schriftelijk toestemming gegeven voor de behandeling van zijn kinderen.
2.3 Bij brief van 14 juni 2021 heeft verweerster een bericht over de voortgang van de psychologische behandeling verzonden naar klager en de moeder van de kinderen. Hierin staat onder andere: ‘(…) [de kinderen van klager] zijn bij F onder behandeling voor psychologische zorg met betrekking tot de verwerking van de moeilijke start, het in kaart brengen van het ontwikkelingsbeloop van de kinderen op diverse ontwikkelingsgebieden en hun specifieke ontwikkelingsbehoeften ten gevolgen van de prematuriteit en dysmaturiteit. (…)’
2.4 Op 26 juli 2021 heeft verweerster het volgende gemaild naar klager: ‘(…) Ik heb uw mails ontvangen en uw telefoontje gezien. Ik lees en hoor dat u graag antwoord zou wensen op de door u gestelde vragen en zich niet gehoord voelt door mijn reactie. Vanuit de E heeft G op uw eerdere mails gereageerd en ook zal G uw contactpersoon blijven vanuit onze organisatie. Wij nemen u uiteraard serieus, maar zouden graag om de communicatie goed te laten verlopen zou ik willen voorstellen dat u zich tot G wendt. (…)’
3. Wat houdt de klacht in?
Klager verwijt verweerster dat zij:
1) niet in het belang van de kinderen heeft gehandeld;
2) klagers belangen heeft geschaad;
3) partijdig heeft gehandeld door de andere ouder volledig mee te nemen in de behandeling
en volledig te informeren en klager niet;
4) klager als gezaghebbende ouder doelbewust buitenspel heeft gezet in relatie tot
de behandeling van de kinderen;
5) klager vanaf aanvang van de behandeling niet correct heeft geïnformeerd over de
behandeling;
6) terugbelverzoeken en e-mails niet afhandelt;
7) inhoudelijke vragen over het welzijn van de kinderen niet beantwoordt;
8) juridische adviezen geeft in rapportages zonder subjecten (klagers familie) te
hebben onderzocht;
9) weigert met klager in contact te treden over de behandeling;
10) niet reageert op het verzoek om als getuige-deskundige te verschijnen bij een
zitting in de rechtbank B over het rapport dat door de moeder van de kinderen is ingebracht
als bewijsstuk, waardoor zij moedwillig schade aan klager berokkent;
11) de beroepscode structureel heeft geschonden, gelet op het bovengenoemde;
12) meerdere artikelen uit het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind
(IVRK) heeft geschonden door haar schadelijke handelwijze.
4. Wat is het verweer?
Verweerster heeft de klachten bestreden. Het verweer wordt voor zover nodig hierna
verder besproken.
5. Wat zijn de overwegingen van het college?
5.1 Het college komt tot de conclusie dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Het college licht dat als volgt toe.
5.2 Kern van de klachtonderdelen één tot en met vijf is dat klager niet is betrokken
bij de behandeling van zijn kinderen en dat hij hierover niet is geïnformeerd. Het
college zal deze klachtonderdelen gezamenlijk behandelen. Beklaagde heeft in het verweerschrift
toegelicht dat de aanmeldreden bij F in de eerste plaats was: het bieden van behandeling
voor de gevolgen van prematuriteit en dysmaturiteit van de kinderen. De behandeling
was niet gericht op (de gevolgen van) de mogelijk onveilige thuissituatie, zoals door
de huisarts van de kinderen omschreven; daar werd door andere professionals al onderzoek
naar gedaan. Verweerster heeft zich in haar behandeling uitsluitend gericht op de
ouder-kind relatie met de verzorgende ouder, in dit geval de moeder van de kinderen,
en binnen dat systeem ouder-kind traumatherapie aangeboden. Omdat klager op het moment
van behandeling – overigens zeer tegen zijn wil en tot zijn verdriet – geen contact
had met de kinderen, acht het college het verdedigbaar dat verweerster in eerste instantie
alleen de moeder heeft betrokken. Hoewel het beter was geweest als klager actiever
en in een eerder stadium was geïnformeerd over het verloop van de behandeling, maakt
dit niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.3 Klachtonderdelen zes, zeven en negen zien op het weigeren van verweerster om in
contact te treden met klager. Het college zal deze klachtonderdelen gezamenlijk behandelen.
Verweerster heeft in het verweerschrift toegelicht dat er vanuit de E voor is gekozen
om één contactpersoon, G, aan te stellen voor het contact met klager. Verweerster
heeft klager hierover ook geïnformeerd in haar e-mail van 26 juli 2021. Dit betekent
dat klager weliswaar niet rechtstreeks bij verweerster terecht kon met eventuele vragen,
maar dat er wel iemand anders vanuit de E voor klager beschikbaar was. Het college
acht deze gang van zaken niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
5.4 Het achtste klachtonderdeel gaat over de brief van verweerster 14 juni 2021. Verweerster heeft toegelicht dat de brief bedoeld was om klager te informeren over de ontwikkeling van de kinderen. De brief is niet voor juridische doeleinden geschreven. Zoals hiervoor onder 5.2 is besproken, was de behandeling gericht op de kinderen en de moeder. Er bestond dan ook geen aanleiding voor verweerster om klagers familie bij de behandeling te betrekken. Ook verder is op dit punt niet gebleken van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
5.5 Over het tiende klachtonderdeel overweegt het college dat verweerster geen partij of belanghebbende is in de gezagsprocedure die klager en de moeder van de kinderen voeren. Dat verweerster in die procedure – op verzoek van klager of ambtshalve – door de rechtbank als informant, als getuige of als deskundige is aangemerkt en opgeroepen, is gesteld noch gebleken. Er bestaat in familierechtelijke procedures – die achter gesloten deuren plaatsvinden – verder niet zoiets als een verplichting of mogelijkheid om te verschijnen, nog daargelaten dat verweerster in de procedure een functioneel verschoningsrecht zou zijn toegekomen. Dat verweerster niet zou hebben gereageerd op het verzoek van klager, levert daarom evenmin een tuchtrechtelijk verwijt op.
5.6 Zoals hiervoor is overwogen heeft verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Verweerster heeft dan ook niet de beroepscode geschonden. Het elfde klachtonderdeel is daarom eveneens kennelijk ongegrond.
5.7 Met betrekking tot het twaalfde klachtonderdeel overweegt het college dat klager zijn klacht op dit onderdeel onvoldoende heeft gespecifieerd. Zo heeft hij nagelaten aan te geven welke artikelen van het IVRK verweerster volgens hem heeft overtreden. Het is voor verweerster daardoor niet goed mogelijk zich tegen dit klachtonderdeel te verweren. Het klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.
5.8 De conclusie is dat de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam beslist als volgt:
- verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, T.A.W. van der Schoot en Th.A.M.
Deenen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door B.J. Dekker, secretaris en uitgesproken
op
20 april 2022.