ECLI:NL:TGZRAMS:2022:45 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam D2021/3030
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:45 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-04-2022 |
| Datum publicatie: | 20-04-2022 |
| Zaaknummer(s): | D2021/3030 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een gz-psycholoog. De gz-psycholoog heeft een eigen praktijk. Klaagster is behandeld door een psychotherapeut uit die praktijk. De gz-psycholoog heeft erkend dat zij het medisch dossier van klaagster te laat - namelijk pas twee jaar na afronding van de behandeling - aan klaagster heeft verstrekt. De informatie bleek ook onvolledig. De gz-psycholoog heeft verder nagelaten klaagster vooraf volledig te informeren over de te verwachten kosten en de effecten van het eigen risico. Dit is niet in lijn met de Beroepscode voor psychologen. Het college overweegt verder dat het overdragen van de feitelijke behandeling aan een niet-BIG-geregistreerde, die dan vervolgens onder regie van een BIG-geregistreerde de behandeling uitvoert, in de individuele gezondheidszorg zeer gebruikelijk is. Daarbij hoort wel dat aan de patiënt of cliënt wordt duidelijk gemaakt wat voor een behandelaar wordt ingezet (in dit geval: een psychosociaal therapeut) en wat het regiebehandelaarschap inhoudt. Hier is de gz-psycholoog in tekort geschoten. Klacht deels gegrond, berisping. |
Kenmerk: D2021/3030
Datum uitspraak: 20 april 2022
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam heeft de volgende
beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: C, echtgenoot van klaagster, wonende te B,
tegen:
D, gz-psycholoog,
werkzaam te B,
beklaagde.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 28 april 2021;
- het verweerschrift met bijlagen;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 1 september 2021;
- de brief van klaagster met 1 bijlage, ontvangen op 30 november 2021.
1.2 Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag (RTG Den Haag)
heeft de behandeling van de klacht in raadkamer verwezen naar een terechtzitting.
1.3 De mondelinge behandeling door het RTG Den Haag heeft plaatsgevonden op de
openbare terechtzitting van 9 maart 2022. Op deze zitting zijn verschenen: beklaagde
en de gemachtigde van klaagster, bijgestaan door een beëdigd tolk, E. De gemachtigde
van klaagster heeft bij aanvang van de zitting een document overgelegd (machtigingsformulier).
Partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
1.4 Omdat – vanwege het terugbrengen van het aantal colleges van vijf naar drie –
de
bevoegdheid van het RTG Den Haag per 1 april 2022 is overgegaan op het Regionaal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg te Amsterdam (hierna aan te duiden als: het college), heeft
het RTG Den Haag de behandeling van de zaak overgedragen aan het college. Het college
heeft de behandeling van de zaak voortgezet in de stand van de procedure waarin deze
zich op dat moment bevond.
2. De feiten
2.1 Beklaagde is werkzaam als gz-psycholoog. Zij is mede-eigenaar van F in B (F).
2.2 Bij deze praktijk is klaagster – na een verwijzing door de studentenpsycholoog
vanwege studie-gerelateerde spanningsklachten – in 2019 onder behandeling geweest.
2.3 Het intakegesprek vond op 24 januari 2019 plaats. Hierbij waren klaagster en beklaagde
aanwezig. Op 7 maart 2019 vond het behandeladviesgesprek plaats. Hierbij was behalve
klaagster en beklaagde ook G aanwezig. G was destijds als psychosociaal therapeut
werkzaam in de praktijk van beklaagde.
2.4 Met toestemming van klaagster is de behandeling na het behandeladviesgesprek overgedragen
aan de psychosociaal therapeut. Beklaagde functioneerde vanaf dat moment als regiebehandelaar.
Klaagster is een aantal keer bij de psychosociaal therapeut op consult geweest. Bij
e-mailbericht van 21 mei 2019 heeft klaagster aan de psychosociaal therapeut laten
weten dat zij zich weer goed voelde en dat zij geen behandeling meer nodig had.
2.5 De voorzitter van het RTG Den Haag heeft de klacht van klaagster tegen de psychosociaal
therapeut op 23 december 2019 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de psychosociaal
therapeut niet behoort tot de kring van personen over wie kan worden geklaagd, nu
zij niet is ingeschreven in de BIG-registers en zij evenmin op grond van artikel 36a
van de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) is onderworpen
aan tuchtrechtspraak.
2.6 De klachtencommissie van de H (hierna: de klachtencommissie) heeft op 19 november
2021 uitspraak gedaan in de klachtprocedure die – parallel aan de onderhavige tuchtklacht
– tussen klaagster en beklaagde heeft gespeeld. De klachtencommissie heeft de klachten
van klaagster deels gegrond verklaard.
3. De klacht
Klaagster verwijt beklaagde, zakelijk weergegeven, dat:
1) zij het medisch dossier niet heeft verstrekt, hoewel daar meermalen om is gevraagd;
2) zij heeft nagelaten een betalingsbewijs aan klaagster te verstrekken;
3) zij heeft nagelaten voorafgaand aan de behandeling inzicht te geven in de kosten
daarvan;
4) zij klaagster niet heeft ingelicht over het feit dat degene die haar behandeld
heeft, geen gediplomeerd arts is;
5) deze behandelaar zonder overleg drie weken met vakantie is gegaan, terwijl klaagster
vanwege haar toestand behoefte had aan een snel begin van de behandeling.
4. Het standpunt van beklaagde
Beklaagde heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden.
Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.
5. De beoordeling
Inleiding
5.1 De gemachtigde (tevens echtgenoot) van klaagster heeft de handelwijze van beklaagde
tijdens de zitting bij herhaling gekwalificeerd als ‘leugens en bedrog’. Het college
laat deze kwalificatie voor rekening van de gemachtigde, en zal hierna per klachtonderdeel
aan de hand van de feiten vaststellen waar het handelen van beklaagde de toets der
kritiek kan doorstaan, en waar dit – tuchtrechtelijk gezien – anders en zorgvuldiger
had gemoeten. Daarbij geldt het volgende juridisch kader.
Juridisch kader
5.2 Artikel 7:454, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de hulpverlener
een dossier moet inrichten met betrekking tot de behandeling van de patiënt. Hij houdt
in dit dossier aantekening van de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en
van de ten aanzien van de patíënt uitgevoerde verrichtingen. Artikel 7:456 BW bepaalt
dat de hulpverlener aan de patiënt desgevraagd zo spoedig mogelijk een afschrift van
de bescheiden als bedoeld in artikel 7:454 BW verstrekt.
5.3 Deze normen zijn voor (gz-)psychologen zoals beklaagde, verder uitgewerkt in de
Beroepscode voor psychologen van het Nederlands Instituut van Psychologen (hierna:
de beroepscode). De beroepscode bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende:
Artikel 35: Afleggen van verantwoording
Psychologen houden van hun professionele activiteiten op zodanige wijze aantekening
in het dossier, dat zij in staat zijn van hun handelwijze verantwoording af te leggen.
Artikel 63: Informatie bij het aangaan en voortzetten van de professionele relatie
De informatie bij het aangaan en voortzetten van de professionele relatie wordt bij
voorkeur schriftelijk gegeven, waar nodig mondeling toegelicht en in het dossier vastgelegd.
De informatie bevat voor zover van toepassing:
• (…)
• de financiële en andere voorwaarden waaronder psychologen hun opdracht aanvaarden,
voor zover deze informatie voor betrokkenen van belang is voor het verlenen van hun
toestemming en medewerking aan de uitvoering van de opdracht;
• de persoon met wie de psycholoog in de professionele relatie samenwerkt, al dan
niet in multidisciplinair verband (…)
Artikel 67: Inzage in en afschrift van het eigen dossier
De psycholoog geeft de cliënt desgevraagd inzage in en afschrift van het dossier.
(…)
Tegen deze achtergrond overweegt het college over de verschillende klachtonderdelen
als volgt.
Klachtonderdeel 1)
5.4 Beklaagde heeft erkend dat zij het medisch dossier van klaagster te laat – namelijk
pas twee jaar na afronding van de behandeling – aan klaagster heeft verstrekt. De
informatie die zij klaagster uiteindelijk toegezonden heeft, bleek bovendien onvolledig,
nu de psychosociaal therapeut die de behandeling onder regie van beklaagde heeft uitgevoerd,
heeft nagelaten van alle consulten een verslag op te stellen. Omdat deze therapeut
handelde onder regie van beklaagde, is beklaagde hier (mede)verantwoordelijk voor.
Door na te laten toezicht te houden op de dossiervorming en klaagster niet ‘desgevraagd,
zo spoedig mogelijk’ een afschrift van haar medisch dossier te verstrekken, heeft
beklaagde gehandeld in strijd met de op haar rustende informatieplicht, zoals neergelegd
in artikel 7:456 BW en in de artikelen 35 en 67 van de beroepscode. De klacht is daarom
op dit onderdeel gegrond.
Klachtonderdelen 2) en 3)
5.5 Het college ziet aanleiding deze klachtonderdelen samen te behandelen, omdat ze
beide zien op (het geven van voorlichting en verstrekken van informatie over) de financiële
consequenties van de behandeling. Klaagster beklaagt zich om te beginnen over het
feit dat beklaagde heeft nagelaten vooraf inzage te geven in de kosten die de behandeling
met zich zou (kunnen) brengen. Daarnaast is zij ontevreden over het feit dat beklaagde
na afloop van de behandeling heeft nagelaten een gespecificeerde factuur toe te sturen,
toen klaagster daar
– bijvoorbeeld bij e-mail van 28 augustus 2019 – om verzocht. Beklaagde heeft tijdens
de zitting erkend dat zij klaagster vooraf niet volledig over de kosten heeft geïnformeerd
en dat zij haar na afloop geen gespecificeerde factuur heeft toegezonden. Zij meende
te kunnen volstaan met toezending van de informatie die zij ook aan de verzekeraar
had toegestuurd (te weten: een algemene uitleg over de maximale tarieven voor prestaties
van het type kort, middel, intensief en chronisch binnen de generalistische basis-ggz).
5.6 Met klaagster is het college van oordeel dat beklaagde op dit punt niet heeft
voldaan aan haar informatieplicht. Nog daargelaten dat de informatie die uiteindelijk
bij brief van 26 april 2021 aan klaagster is verstrekt niet zag op het behandeljaar
2019 (maar in plaats daarvan op 2021), is deze te laat gegeven en was deze bovendien
onvoldoende gespecificeerd. Ook heeft beklaagde nagelaten klaagster vooraf te informeren
over de te verwachten kosten en de effecten van het (verplichte of eventueel vrijwillig
verhoogde) eigen risico. Beklaagde heeft daarmee op onvolledige wijze invulling gegeven
aan haar informatieplicht zoals omschreven in artikel 63 van de beroepscode. De klacht
zal daarom op deze onderdelen gegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel 4)
5.7 Klaagster klaagt bovendien over het feit dat haar niet is verteld dat degene die
haar behandelde (de psychosociaal therapeut), geen arts was. Beklaagde heeft op dit
punt gemotiveerd verweer gevoerd en aangegeven dat klaagster tijdens/na het adviesgesprek
is gekoppeld aan de psychosociaal therapeut, omdat beiden I spraken. Aan klaagster
is uitgelegd dat beklaagde de hoofdbehandelaar zou blijven en dat zij ‘op de achtergrond
zou meekijken’. Klaagster is hiermee akkoord gegaan. Het college overweegt dat het
overdragen van de feitelijke behandeling aan een niet-BIG-geregistreerde, die dan
vervolgens onder regie van een BIG-geregistreerde de behandeling uitvoert, in de individuele
gezondheidszorg zeer gebruikelijk is. Daarbij hoort wel dat aan de patiënt of cliënt,
in dit geval aan klaagster, wordt duidelijk gemaakt wat voor een behandelaar wordt
ingezet (in dit geval: een psychosociaal therapeut) en wat het regiebehandelaarschap
inhoudt. Het college is van oordeel dat beklaagde is tekort geschoten in haar uitleg
aan klaagster over de taken en verantwoordelijkheden van de betrokken psychosociaal
therapeut. Het klachtonderdeel is dan ook gegrond.
Klachtonderdeel 5)
5.8 Klaagster stelt tot slot dat de psychosociaal therapeut na de eerste behandeling
drie weken vakantie heeft genomen zonder dit te melden. Beklaagde heeft dit betwist
en heeft gesteld dat de psychosociaal therapeut – in de periode waarin zij in de praktijk
werkzaam was – nooit drie weken aaneengesloten verlof heeft gehad. Het college is
van oordeel dat klaagster haar stelling in het licht van de gemotiveerde betwisting
door beklaagde onvoldoende heeft onderbouwd en zal de klacht op dit onderdeel daarom
ongegrond verklaren.
Conclusie en op te leggen maatregel
5.9 De conclusie is dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Bij het bepalen van een
passende sanctie, heeft het college in voor beklaagde matigende zin rekening gehouden
met het feit dat zij zich leerbaar heeft opgesteld. Zo heeft zij tijdens de zitting
op vragen van het college uitgelegd hoe zij de diverse aanbevelingen van de klachtencommissie
– die onder meer zagen op het professionaliseren van de dossiervoering, het geven
van voorlichting over financiële consequenties van een behandeling en het verstrekken
van (medische) informatie op eerste verzoek van de cliënt – heeft opgepakt. Daar staat
echter tegenover dat het college meerdere overtredingen van de informatieplicht heeft
geconstateerd. Alles afwegend acht het college een berisping daarom een passende sanctie.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht op de onderdelen 1), 2), 3) en 4) gegrond;
- legt op de maatregel van een berisping;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door J.T.W. van Ravenstein, voorzitter, M.M. van ‘t Nedereind,
lid-jurist, C.H.J.A.M. van de Vijfeijken, T.A.W. van der Schoot en Th.A.M. Deenen,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door B.J. Dekker, secretaris, en uitgesproken in
het openbaar op 20 april 2022.