ECLI:NL:TGZRAMS:2022:36 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/2035
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:36 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-04-2022 |
| Datum publicatie: | 19-04-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/2035 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Gegrond, geen maatregel |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht tegen een fysiotherapeut. In het kader van een letselschadeprocedure heeft de fysiotherapeut een aantal vragen over klager, zijn voormalig patiënt, beantwoord. Het college komt tot het oordeel dat een deel van dit antwoord onvolledig is. Het antwoord heeft de fysiotherapeut niet meer nagevraagd bij klager, voordat hij het antwoord instuurde. Ook had hij in zijn antwoord moeten vermelden waarop hij zijn antwoord baseerde en dat hij deze informatie niet meer bij klager had geverifieerd. Dat dit beter had gekund, heeft de fysiotherapeut erkend. Er wordt geen maatregel opgelegd, omdat de fysiotherapeut zijn werkwijze heeft aangepast. Overig klachtonderdeel ongegrond. Klacht deels gegrond, geen maatregel. |
Kenmerk: A2021/2035
Datum uitspraak: 19 april 2022
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam heeft de volgende beslissing
gegeven inzake de klacht van:
A,
(destijds) wonende te B,
klager,
tegen:
C, fysiotherapeut,
werkzaam te B,
verweerder, hierna: de fysiotherapeut,
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam te Utrecht.
1. De kern van de klacht en de beslissing
1.1 Klager heeft op 29 juli 2019 een verkeersongeval gehad. Hij heeft hieraan rug-,
nek- en schouderklachten overgehouden. Op advies van verzekeringsmaatschappij Z is
klager bij de fysiotherapeut in behandeling gegaan. De behandelingen vonden plaats
van 31 januari 2020 tot en met 6 april 2020. Op 30 april 2020 heeft klager de behandeling
bij de fysiotherapeut beëindigd en is hij voor verdere behandeling naar revalidatiecentrum
D (hierna: D) gegaan. In het kader van de letselschadeprocedure naar aanleiding van
het verkeersongeval heeft de advocaat van klager aan de fysiotherapeut schriftelijk
een aantal vragen over de behandeling gesteld. De fysiotherapeut heeft deze vragen
op 25 juni 2020 schriftelijk beantwoord.
1.2 Klager verwijt de fysiotherapeut dat hij bij het beantwoorden van die vragen onjuiste
informatie heeft gegeven. Daarnaast verwijt klager de fysiotherapeut dat hij hem heeft
‘gemanipuleerd’ om niet voor een behandeling naar D te gaan.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat een deel van de klacht gegrond is, omdat
het antwoord van de fysiotherapeut op één van de vragen onvolledig is. De rest van
de klacht is volgens het college ongegrond. Hieronder vermeldt het college eerst hoe
de procedure tot nu toe is verlopen. Daarna licht het college de beslissing over de
klacht verder toe.
2. De procedure tot nu toe
2.1 Klager heeft het klaagschrift met bijlagen aan het college gestuurd. Het college
heeft dit op 17 maart 2021 ontvangen. De fysiotherapeut heeft vervolgens schriftelijk
gereageerd op de klacht (verweerschrift) en verschillende bijlagen meegestuurd waaronder
het medisch dossier. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de door het college
geboden mogelijkheid om samen met de secretaris van het college in gesprek te gaan
(mondeling vooronderzoek). In plaats daarvan hebben de partijen allebei nog een keer
schriftelijk gereageerd (repliek en dupliek).
2.2 De klacht is op 8 maart 2022 op een openbare zitting behandeld. De zitting zou eerst plaatsvinden op 19 oktober 2021, maar de zaak is toen uitgesteld omdat klager niet was verschenen en het op dat moment niet duidelijk was of hij op de juiste manier was opgeroepen en op de hoogte was van de zitting. Klager heeft gevraagd om de zitting van 8 maart 2022 via een digitale verbinding via MS Teams of telefonisch bij te mogen wonen vanwege verblijf in het buitenland. Het college heeft dit mogelijk gemaakt, maar op de zitting heeft het college klager niet telefonisch of digitaal kunnen bereiken. De fysiotherapeut, bijgestaan door zijn gemachtigde, was wel aanwezig en heeft zijn standpunt mondeling toegelicht.
3. Het oordeel van het college
Toetsingskader
3.1 Het college moet beoordelen of de fysiotherapeut binnen de grenzen van een redelijke
beroepsuitoefening is gebleven, met andere woorden: of hij heeft gehandeld zoals van
een redelijk bekwaam fysiotherapeut in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht.
Onjuiste informatieverstrekking (klachtonderdeel 1)
3.2 Klager maakt de fysiotherapeut twee verwijten. In de eerste plaats verwijt klager
de fysiotherapeut dat hij aan zijn advocaat onjuiste informatie heeft verstrekt. Dit
verwijt heeft betrekking op de volgende passages uit de brief van de fysiotherapeut
van 25 juni 2020:
a) “Meneer meldt de volgende klachten tijdens de intake: (…) Vermoeid gevoel eind
van de dag”
b) “Het genezingsproces verliep voorspoedig. De progressie verliep gestaag, maar de
behandelingen sloegen aan. Meneer ervaarde minder klachten en ging vooruit in het
genezingsproces.”
c) “Op het moment dat hij bij ons de therapie stopte had hij geen rugklachten meer
en speelde vooral de nekklachten nog recidiverend op.”
3.3 Deze passages zijn volgens klager onjuist, want:
a) klager stelt dat hij zich de hele dag vermoeid voelt en hoofdpijn heeft. Volgens
hem heeft de fysiotherapeut tijdens behandelingen ook opgemerkt dat hij er ‘s middags
moe uitzag’ en heeft klager tegen hem gezegd dat hij het nodig had om ’s middags te
slapen; en
b) volgens klager kwamen de klachten steeds terug. Op 28 maart 2020 heeft hij de fysiotherapeut
een e-mail gestuurd waarin hij aangaf dat de pijn verergerde; en
c) volgens klager zijn de rugklachten nooit weggegaan. Naar aanleiding van de e-mail
van klager van 28 maart 2020 heeft hij in april 2020 op advies van de fysiotherapeut
nog materialen besteld om zijn rugklachten te behandelen. Verder verwijst klager naar
medische stukken van andere zorgverleners waaruit blijkt dat de rugklachten nog niet
zijn verdwenen.
3.4 De fysiotherapeut heeft toegelicht dat hij bij het beantwoorden van de vragen
is uitgegaan van het medisch dossier. De informatie in het medisch dossier is gebaseerd
op aantekeningen van wat klager zelf tijdens de behandelingen heeft verteld en de
eigen bevindingen van de fysiotherapeut tijdens de behandeling. Met de rugklachten
bedoelde hij de lage rugklachten. De aandacht ging tijdens de laatste consulten alleen
nog naar de nekklachten. Hij betreurt dat hij dit niet uitgebreider heeft toegelicht
in zijn brief. Naar aanleiding van de e-mail van 28 maart 2020 heeft klager op 1 april
2020 een consult gehad. Tijdens dit consult is alleen gesproken over de nekklachten
en niet over de lage rugklachten.
3.5 Het verwijt dat de fysiotherapeut onjuiste informatie heeft verstrekt is volgens het college op één punt (passage c) gegrond en op de andere punten (passages a en b) ongegrond. Voor wat betreft de vermoeidheid en het genezingsproces in het algemeen is het college van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de fysiotherapeut onjuiste informatie heeft verstrekt. Om het handelen van de fysiotherapeut te kunnen beoordelen, moet eerst duidelijk zijn wat er is gebeurd. Klager en verweerder verschillen van mening over wat er precies is gezegd en dat is voor het college nu niet meer precies na te gaan. Het is niet zo dat het college de één meer gelooft dan de ander, maar het is voor het college niet vast te stellen.
3.6 In het medisch dossier heeft de fysiotherapeut bij de anamnese genoteerd dat klager
aan het eind van de dag een vermoeid gevoel had. De stelling van klager dat hij tijdens
de intake zou hebben gezegd dat hij de hele dag moe was kan het college niet controleren,
omdat het hier vanzelfsprekend niet bij aanwezig was. Ook uit de andere door klager
gestuurde bijlagen blijkt niet dat klager tijdens de intake iets anders heeft gezegd
dan de fysiotherapeut heeft genoteerd.
3.7 De fysiotherapeut heeft in het medisch dossier meerdere keren genoteerd dat klager
meldde dat het beter ging. Ook uit de pijnmetingen blijkt dat er sprake was van vooruitgang.
Weliswaar blijkt uit de e-mail van klager van 28 maart 2020 en de aantekeningen bij
het consult van 1 april 2020 dat klager meer klachten ervoer, maar bij het consult
van 6 april 2020 is weer genoteerd dat het redelijk ging en dat de oefeningen hielpen.
Op basis hiervan kan het college niet vaststellen dat de passage over het genezingsproces
onjuist is.
3.8 Naar het oordeel van het college heeft de fysiotherapeut wel onjuiste informatie
over de rugklachten verstrekt, omdat het antwoord van de fysiotherapeut niet volledig
is. Ter zitting heeft verweerder toegelicht, en zo blijkt ook uit het medisch dossier,
dat de lage rugklachten tijdens de laatste behandelingen niet meer aan de orde zijn
geweest. De fysiotherapeut heeft niet bij klager kunnen navragen of de lage rugklachten
verdwenen waren, omdat de behandeling al was beëindigd voordat een evaluatiegesprek
heeft kunnen plaatsvinden. Het college is van oordeel dat de fysiotherapeut op basis
hiervan niet heeft kunnen concluderen dat klager geen rugklachten meer had; deze formulering
is te stellig. Zoals de fysiotherapeut ter zitting zelf ook heeft erkend, had hij
duidelijker moeten toelichten waarop hij zijn antwoord baseerde en had hij moeten
vermelden dat hij deze informatie niet meer bij klager heeft kunnen verifiëren. Dit
klachtonderdeel is daarom gegrond.
Afraden behandeling bij D (klachtonderdeel 2)
3.9 Het tweede verwijt dat klager de fysiotherapeut maakt is dat de fysiotherapeut
hem heeft gemanipuleerd om niet naar D te gaan. Volgens klager is er sprake van een
dubieuze samenwerking met Z. De fysiotherapeut betwist dat hij klager ervan heeft
weerhouden om naar D te gaan. Ook is er volgens hem geen sprake van een samenwerkingsverband
met Z. Hij is slechts door Z benaderd met de vraag of hij ruimte had om een cliënt
van Z te behandelen.
3.10 Dit verwijt van klager is volgens het college ongegrond omdat het geen betrekking heeft op het individuele handelen van de fysiotherapeut. Het kan de fysiotherapeut niet worden verweten dat Z klager naar hem heeft verwezen. In het klaagschrift heeft klager genoteerd dat hij op advies van (een medewerker van) Z naar de fysiotherapeut is gegaan. Dit blijkt ook uit de aantekening op de door klager ondertekende offerte die klager als bijlage heeft meegestuurd. Klager heeft op deze offerte de volgende aantekening gemaakt: “Op advies van Z terecht gekomen bij E. Op bezoek van meneer F [medewerker van Z] adviseerde meneer F mij niet naar D te gaan. Onder deze voorwaarde teken ik deze offerte.” Het college ziet verder ook geen aanwijzingen in de stukken die wijzen op manipulatie door de fysiotherapeut om klager ervan te weerhouden naar D te gaan. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Conclusie en op te leggen maatregel
3.11 De conclusie van bovenstaande beoordeling is dat de klacht gedeeltelijk gegrond
is. De fysiotherapeut heeft niet overeenkomstig gehandeld met de zorg die van hem
als redelijk bekwaam en redelijk handelend fysiotherapeut had mogen worden verwacht
voor zover het gaat om de verstrekte informatie over de rugklachten. Voor het overige
is de klacht ongegrond.
3.12 Aan de fysiotherapeut zal in dit geval geen maatregel worden opgelegd vanwege
de geringe ernst van de gemaakte fout. Ook weegt het college mee dat de fysiotherapeut
heeft geleerd van de klacht en dat hij zijn werkwijze heeft aangepast. Tijdens de
zitting heeft de fysiotherapeut verklaard dat hij bij dergelijke verzoeken zijn antwoord
voortaan eerst voor akkoord aan de patiënt stuurt. Alles afwegend vindt het college
het passend om geen maatregel op te leggen.
4. De beslissing
Het college:
- verklaart het eerste klachtonderdeel gegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- verklaart het tweede klachtonderdeel ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door E.P. de Beij, voorzitter, B.S. Abdoelkariem, lid-jurist,
D. van Poppel, J.M. Uijen en J.L. Keijzer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
L.B.M. van ’t Nedereind, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 19 april 2022.
De voorzitter De secretaris is buiten staat de uitspraak te ondertekenen