ECLI:NL:TGZRAMS:2022:34 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam D2021/3526
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:34 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-04-2022 |
| Datum publicatie: | 12-04-2022 |
| Zaaknummer(s): | D2021/3526 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster was 41 weken en 5 dagen zwanger toen zij via de verloskundige naar het ziekenhuis werd doorverwezen. De gynaecoloog is daar werkzaam als supervisor. Het college begrijpt dat klaagster teleurgesteld is dat er uiteindelijk een keizersnede heeft plaatsgevonden in plaats van een bevalling via de natuurlijke weg. De opname en het inleiden van de bevalling zijn echter logische keuzes geweest gelet op ruime bloedverlies en de vergevorderde zwangerschap. Met het plaatsen van een katheter heeft klaagster zelf ook ingestemd. Bij het voorstel van een keizersnede en de uitvoering daarvan was de aangeklaagde gynaecoloog niet betrokken, dus daar kan zij niet verantwoordelijk voor worden gehouden. De klacht is kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de op 6 oktober 2021 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
tegen
C,
gynaecoloog,
werkzaam te D,
verweerster,
gemachtigde: mr. E.J.C. de Jong, werkzaam in Utrecht.
1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- het verweerschrift met de bijlage;
- de repliek;
- de dupliek;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De klacht is in raadkamer behandeld.
2. Waar gaat de zaak over en wat is de beslissing?
Klaagster is op 26 januari 2021 in het ziekenhuis bevallen van een dochter. Zij is
van mening dat de door haar ondergane keizersnede niet nodig was en is ontevreden
over de bejegening tijdens haar verblijf in het ziekenhuis. Het college acht de klacht
kennelijk ongegrond en licht dit als volgt toe.
3. De feiten
Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:
3.1 Klaagster was zwanger van haar eerste kindje en onder behandeling van haar eigen verloskundige. Op 23 januari 2021 is zij door de verloskundige naar het ziekenhuis verwezen in verband met de lange duur van de zwangerschap (serotiniteit). De in het ziekenhuis dienstdoende verloskundige heeft geprobeerd haar te strippen (vruchtvliezen losmaken van de baarmoederwand), maar dat is niet gelukt. Er waren geen bijzonderheden en klaagster is teruggegaan naar huis, omdat zij hoopte op een natuurlijk begin van de bevalling en nog wilde afwachten. Op 25 januari 2021 is zij door de verloskundige opnieuw verwezen in verband met bloedverlies en serotiniteit. Zij was toen 41 weken en 5 dagen zwanger.
3.2 Verweerster is als gynaecoloog in het ziekenhuis werkzaam en was op 25 januari 2021 de supervisor van de arts-assistent die klaagster op de poli heeft gezien. Hoewel klaagster eigenlijk liever naar huis wilde, heeft zij – na overleg met haar verloskundige – alsnog ingestemd met opname ter observatie en met plaatsing van een Foley-katheter ter inleiding van de bevalling.
3.3 Op 26 januari 2021 is klaagster via een keizersnede bevallen van haar dochter. Op 28 januari 2021 is klaagster uit het ziekenhuis ontslagen.
4. De klacht en het standpunt van klaagster
Klaagster verwijt verweerster:
- dat zij verkeerd heeft gehandeld en dat klaagster een normale bevalling had kunnen hebben in plaats van een keizersnede;
- dat de bejegening van klaagster tijdens haar opname in het ziekenhuis en de bevalling niet correct is geweest: er werd over klaagster gezegd dat zij niet aardig was, klaagster is aan haar lot overgelaten en de weeën zijn niet eens herkend.
5. Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Kort weergegeven heeft zij aangevoerd dat zij slechts op twee momenten bij de bevalling en de behandeling van klaagster betrokken is geweest. De eerste keer was op 25 januari 2021, toen klaagster op de polikliniek gezien werd. De arts-assistent die klaagster zag, heeft met verweerster overleg gevoerd. De arts-assistent en verweerster zagen in het bloedverlies in combinatie met de duur van de zwangerschap een reden voor opname, met eventueel een inleiding van de bevalling. Dit was gezien de omstandigheden een juiste beslissing. Klaagster wilde liever naar huis, maar heeft toch het medische advies opgevolgd en met de opname ingestemd. Verweerster heeft klaagster die dag niet zelf gezien. Zij heeft klaagster voor het eerst gezien op 9 maart 2021 bij een reguliere nacontrole op de polikliniek. Een andere gynaecoloog heeft op 26 januari 2021 de indicatie voor de keizersnede gesteld en deze ook uitgevoerd. Omdat deze gynaecoloog niet meer in het ziekenhuis werkte, heeft verweerster namens de vakgroep gereageerd op de door klaagster bij het ziekenhuis ingediende klacht.
6. De beoordeling
6.1 Het is duidelijk dat klaagster had gehoopt dat haar dochter langs natuurlijke
weg zou worden geboren. Het is heel begrijpelijk dat zij teleurgesteld is dat dit
anders is gelopen en dat er uiteindelijk een keizersnede is uitgevoerd. Ook valt het
te betreuren dat zij daarvan nog verschillende klachten ondervindt.
maatstaf
6.1 Het college stelt voorop dat de vraag die moet worden beantwoord is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar mocht worden verwacht. Dit is een zakelijke beoordeling. De norm daarvoor is een ‘redelijk bekwame en redelijk handelende’ gynaecoloog. Het college gaat bij de beoordeling uit van de geldende beroepsnormen en wetenschappelijke inzichten op het moment van de zorgverlening.
6.2 Het gaat daarbij verder om de persoonlijke verwijtbaarheid van verweerster bij de behandeling van klaagster. Verweerster kan geen verwijt worden gemaakt van handelen of nalaten door anderen, behalve als dit zorgverleners betreft die onder haar supervisie stonden of die op een andere manier onder haar verantwoordelijkheid werkten.
betrokkenheid van verweerster: opname en inleiding met Foley-katheter
6.3 Het medisch dossier bevestigt dat verweerster in de periode waar de klacht over gaat, namelijk het ziekenhuisverblijf van klaagster van 25 tot 28 januari 2021, alleen betrokken is geweest als supervisor van de arts-assistent, die klaagster op 25 januari 2021 op de poli heeft gezien. Verweerster heeft als supervisor met de arts-assistent besproken dat het verstandig was om klaagster op te nemen in verband met het geconstateerde ruime bloedverlies en het feit dat zij over tijd was en om – gelet op de vergevorderde zwangerschap – te beginnen met de inleiding van de bevalling. Dit was een logisch beleid, dat ook gebruikelijk is in vergelijkbare situaties. Het bloedverlies kan immers een vooraankondiging zijn van een loslatende placenta. In zo’n geval is het verstandig om de aanstaande moeder op te nemen en te observeren om een levensbedreigende situatie voor de baby te voorkomen. Het plaatsen van een Foley-katheter is in het stadium van de zwangerschap waarin klaagster zich bevond eveneens gebruikelijk en gerechtvaardigd. Uit het dossier blijkt ook dat klaagster op dat moment met de opname en de Foley-katheter heeft ingestemd, nadat zij daarover met haar eigen verloskundige had overlegd. Verweerster valt in dit verband geen tuchtrechtelijk verwijt te maken.
de keizersnede en de bejegening
6.4 De klacht betreft voor het overige de beslissing van een andere gynaecoloog om voor te stellen een keizersnede uit te voeren en de uitvoering daarvan door die gynaecoloog. Daarnaast heeft de klacht betrekking op de bejegening door verzorgenden en behandelaars in de periode dat klaagster opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Hierbij is verweerster niet als (mede)behandelaar of anderszins betrokken geweest. Verweerster heeft wel namens de maatschap gynaecologie gereageerd op de door klaagster ingediende klacht bij het ziekenhuis bij afwezigheid van de gynaecoloog die de keizersnede heeft verricht. Dat maakt verweerster echter niet alsnog verantwoordelijk voor een ingreep door een collega of voor andere zaken die tijdens het verblijf van klaagster in het ziekenhuis mogelijk zijn voorgevallen waar verweerster niet bij betrokken is geweest. Er zijn ook geen andere omstandigheden gebleken op grond waarvan verweerster daarvoor verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden.
6.5 De conclusie van het voorgaande is dat de klacht in beide onderdelen kennelijk ongegrond is.
7. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Aldus beslist op 5 april 2022 door:
N.B. Verkleij, voorzitter,
S. Veersema en J. Burggraaff, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris.