ECLI:NL:TGZRAMS:2022:33 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3373

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2022:33
Datum uitspraak: 22-03-2022
Datum publicatie: 12-04-2022
Zaaknummer(s): A2021/3373
Onderwerp: Niet of te laat verwijzen
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een huisarts. Klaagster had na een ongeval pijn in onder andere haar onderrug en knie. Zij verwijt de huisarts dat hij onjuist heeft gehandeld door haar ondanks haar herhaaldelijk verzoek geen verwijzing voor een MRI-scan te geven. Evenmin heeft hij haar doorverwezen naar een psycholoog in verband met het bij het ongeval opgelopen trauma. Het college stelt dat de huisarts niet is tekortgeschoten door klaagster geen verwijzing voor een MRI-scan te geven. Voor het laten maken van een MRI-scan was geen indicatie. Daarnaast is uit het dossier niet gebleken dat de huisarts klaagster niet heeft geholpen bij haar vraag om psychische hulp. De klacht is kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 24 augustus 2021 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

klaagster,

gemachtigde: C, werkzaam te D,

tegen

E,

huisarts,

werkzaam te B,

verweerder,

gemachtigde: mr. S. Slabbers, werkzaam te Utrecht.

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • het klaagschrift met de bijlage;
  • het verweerschrift;
  • een machtiging opvragen medische gegevens van klager, ontvangen op 23 september 2021;
  • een afschrift van het medisch dossier van klaagster, ontvangen op 30 november 2021;
  • de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

Het college heeft de klacht op basis van de stukken in raadkamer van 8 februari 2022 beoordeeld.

2.         Waar gaat de zaak over?

Klaagster is op 9 mei 2019 ten val gekomen met haar fiets nadat zij door een auto was aangereden. Zij heeft die dag verweerder, haar huisarts, bezocht in verband met pijn aan onder andere haar onderrug en knie. Hij heeft haar rust en pijnstilling geadviseerd en, bij aanhouding van de klachten, een consult bij een fysiotherapeut. De klachten zijn niet afgenomen, om welke reden klaagster verweerder wederom heeft geconsulteerd waarbij zij onder andere om een MRI-scan heeft verzocht. Verweerder heeft klaagster een doorverwijzing voor röntgenfoto’s gegeven maar niet voor een MRI-scan; die heeft klaagster naderhand in F laten maken.

De klachten van klaagster hebben aangehouden en zij heeft meerdere oefentherapeuten en medisch specialisten geraadpleegd.

3.         De klacht

Volgens klaagster heeft verweerder onjuist gehandeld omdat hij ondanks haar herhaaldelijk verzoek geen MRI-scan heeft laten maken. Evenmin heeft hij haar doorverwezen naar een psycholoog in verband met het bij het ongeluk opgelopen trauma. Door deze handelswijze is de gezondheidstoestand van klaagster verslechterd.

4. Het verweer

Verweerder heeft de klacht bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         Wat is het oordeel van het college?

5.1. Ter toetsing staat of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klaagsters klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard.

5.2. Het college is van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Voor die beslissing acht het college het volgende van belang.

5.3. Na haar bezoek aan verweerder op 9 mei 2019 heeft klaagster verweerder op 13 mei 2019 telefonisch gesproken, omdat zij nog steeds pijn had. Zij wilde dat een foto van haar rug werd gemaakt. Verweerder heeft klaagster geadviseerd om eerst de fysiotherapeut te raadplegen.

5.4. Op 3 juni 2019 heeft klaagster met verweerder gebeld omdat er geen verbetering merkbaar was na fysiotherapie; zij heeft opnieuw om een doorverwijzing voor röntgenfoto’s verzocht. Verweerder is tegemoet gekomen aan het verzoek van klaagster en heeft een X-Lumbosacrale Wervelkolom en een X-schouder rechts aangevraagd. Deze foto’s zijn op 4 juni 2019 gemaakt. Daarop werd een minimale calcificatie gezien ter plaatse van de supraspinatuspees in de rechterschouder. Er werden geen ossale afwijkingen aan de lumbrosacrale wervelkolom en de schouder gezien. Deze uitslag is op 5 juni 2019 met klaagster besproken; afgesproken is dat zij de fysiotherapie zou continueren en dat zij, zo nodig, zou bellen voor een verwijzing naar het schouderspreekuur.

5.5. Op 18 juli 2019 meldde klaagster dat zij nog steeds pijnklachten had.

5.6. Klaagster heeft verweerder op 6 augustus 2019 gevraagd om vervolgonderzoek waarna zij is verwezen naar de poli orthopedie in het ziekenhuis. Aldaar is zij gezien op 26 augustus 2019. Er is een traject gevolgd in verband met de aanhoudende pijnklachten aan haar rechterschouder en -pols en haar nek.

5.7. Op 8 oktober 2019 heeft klaagster een revalidatiearts bezocht die bij brief van 5 november 2019 heeft geschreven dat onderzoek geen afwijkingen heeft opgeleverd die een verklaring geven voor de pijnklachten van klaagster en dat de revalidatie niet goed van de grond is gekomen, omdat er bij klaagster geen draagvlak is voor een deels cognitieve aanpak van de pijnklachten.

5.8. Op 2 september 2020 heeft klaagster een intakegesprek gehad bij een GGZ-instelling. Daar is de diagnose PTSS en somatisch-symptoomstoornis gesteld.

5.9. Op grond van de stukken kan het college niet concluderen dat verweerder geen gehoor heeft gegeven aan de hulpvraag van klaagster; dat heeft verweerder namelijk wel (goed) gedaan. Hij heeft haar een doorverwijzing voor röntgenfoto’s gegeven toen haar klachten aanhielden en hij heeft haar voorts verwezen naar een specialist (de orthopeed) omdat de klachten aanhielden. Na trauma is het gebruikelijk dat een medisch specialist de indicatie stelt voor eventueel aanvullend beeldvormend onderzoek. Voor het laten maken van een MRI-scan was geen indicatie. Klaagster heeft vervolgens zelf in Polen een MRI-scan laten maken. Daarop zijn geen relevante afwijkingen geconstateerd, die het gevolg (kunnen) zijn van het ongeval van klaagster. Verweerder is niet tekortgeschoten door klaagster geen verwijzing voor een MRI-scan te geven. Naar het oordeel van het college heeft verweerder medisch correct gehandeld op basis van zijn onderzoek en bevindingen tijdens de (telefonische) consulten.

Dat verweerder klaagster niet heeft geholpen bij haar vraag om psychische hulp is niet gebleken uit het medisch dossier.

5.10. Het college concludeert dat verweerder met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. De klacht is daarom kennelijk ongegrond.

6. De beslissing

De klacht is kennelijk ongegrond.

Aldus beslist en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2022 door:

R.A. Dozy, voorzitter,

A. Wewerinke en D.E. de Jong, leden-beroepsgenoten,

bijgestaan door F.J.E. van Geijn, secretaris.