ECLI:NL:TGZRAMS:2022:28 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3565
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRAMS:2022:28 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-03-2022 |
| Datum publicatie: | 23-03-2022 |
| Zaaknummer(s): | A2021/3565 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, doorhaling inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een tandarts. Klaagster verwijt de tandarts dat zij haar beugelbehandeling verkeerd heeft uitgevoerd. De tandarts heeft geen verweer gevoerd. Ondanks vele inspanningen is het niet gelukt om de woon- en verblijfplaats van de tandarts te achterhalen. De tandarts is zonder bericht aan haar collega’s en patiënten plotseling vertrokken uit de praktijk waar zij werkte. Nu de tandarts er op geen enkele wijze voor heeft gezorgd dat zij traceerbaar is, komt het niet voeren van verweer voor rekening en risico van de tandarts. Klaagster heeft haar klacht voldoende aannemelijk gemaakt, het college komt dan ook tot het oordeel dat de tandarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Wat betreft de maatregel overweegt het college dat het gedrag van de tandarts dermate ernstig is, dat hierbij slechts de maatregel van doorhaling past. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM
Beslissing naar aanleiding van de – na doorzending door het Regionaal Tuchtcollege
voor de Gezondheidszorg Eindhoven alwaar de klacht op 15 oktober 2021 is ontvangen
- op 3 november 2021 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
klaagster,
gemachtigde: C (de vader van klaagster),
tegen
D,
tandarts,
destijds werkzaam te E,
beklaagde.
1. De procedure
1.1. Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen;
- de op 14 februari 2022 ingekomen mail, met als bijlage het patiëntendossier;
- de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek, waaronder ook de brief
van het college te Eindhoven van 3 november 2021 en de overdracht van de zaak aan
het college Amsterdam.
1.2. Klaagster heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
1.3 Het college heeft de klacht op 15 februari 2022 op een openbare zitting behandeld. Klaagster was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Beklaagde is niet verschenen.
2. Waar gaat de zaak over?
Beklaagde was als tandarts werkzaam in de tandartspraktijk F in E.
In 2016, toen klaagster twaalf jaar oud was, begon beklaagde met een beugelbehandeling.
Klaagster ging vervolgens gedurende twee jaar iedere maand naar beklaagde voor een
(controle)consult. In 2018 haalde beklaagde de plaatjes van het ondergebit weg. Klaagster
was niet tevreden over de stand van haar tanden en is voor een second opinion naar
een orthodontist te G (H) gegaan. Klaagster is vervolgens niet meer teruggegaan naar
de praktijk van beklaagde, maar is verder onder behandeling gebleven bij orthodontist
H.
3. De klacht
Klaagster verwijt beklaagde dat zij haar verkeerd heeft behandeld. De behandeling
heeft veel tijd en geld gekost en zij is er niets mee opgeschoten. Klaagster heeft
haar standpunt onderbouwd met een verklaring van de orthodontist H. In deze verklaring
is, naast hetgeen hij bij de beoordeling van klaagsters gebit en kaken heeft geconstateerd,
opgenomen dat naar zijn mening klaagster totaal verkeerd is behandeld. De essentie
van de bij klaagster bestaande afwijking, een forse distorelatie met een terugliggende
onderkaak, is volledig gemist. Die afwijking is dan ook niet behandeld, terwijl gezien
de leeftijd van klaagster daar de nadruk op had moeten liggen. Klaagster had met gelaatsorthopedische
apparatuur moeten worden behandeld. Dit is de standaardoplossing bij een zo grote
overbeet en het retrognaath profiel.
H heeft er voorts op gewezen dat het dossier van klaagster niet compleet is, niet
is vermeld wat er is gedaan, een degelijke diagnose, behandelplan en begroting ontbreken,
niet blijkt waarom er tien maal achter elkaar een gebitsreiniging is gedeclareerd,
een Duitstalig formulier aanwezig is van I en niet duidelijk is wat de achterliggende
relatie tussen I en beklaagde is, niets wordt vermeld over de (dreigende) impactie
van de 15 en 25 en het resultaat van de vaste apparatuur behandeling is zwaar ontoereikend.
H heeft er ten slotte op gewezen dat door de onjuiste wijze van behandeling door beklaagde
klaagster mogelijk een kaakoperatie zal moeten ondergaan.
Klaagster hoopt met haar klacht te bereiken dat anderen behoed worden voor het in zee gaan met deze tandarts die zichzelf ‘orthodontist’ noemt en hoopt dan ook dat beklaagde in Nederland niet meer haar beroep kan uitoefenen.
4 Het verweer
Doordat beklaagde geen verweerschrift heeft ingediend en niet ter zitting is verschenen,
is haar verweer niet bekend.
5. Wat is het oordeel van het college?
5.1 Het college moet beoordelen of beklaagde als tandarts de zorg heeft verleend die
van haar mocht worden verwacht. De norm daarvoor is een ‘redelijk bekwame en redelijk
handelende’ tandarts.
5.2 Het college is van oordeel dat beklaagde tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en acht de klacht gegrond. Het college licht dit als volgt toe.
5.3 Het college Eindhoven - alwaar de klacht oorspronkelijk was ingediend - heeft
naar aanleiding van twee eerder tegen beklaagde ingediende klachten geprobeerd het
adres van beklaagde te achterhalen om haar op de hoogte te brengen van de tegen haar
ingediende klacht en haar in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op
het klaagschrift (met een verweerschrift). Dit is ondanks vele inspanningen niet gelukt.
Toen bleek dat beklaagde geen bekende woonplaats heeft, is de zaak overgedragen aan
het college Amsterdam. Dit college heeft na overdracht van het college Eindhoven de
zaak meteen verwezen naar een openbare zitting, omdat er geen verder aanknopingspunt
meer bestond om in contact te kunnen komen met beklaagde.
5.4 Klaagster heeft haar standpunt dat zij niet op juiste wijze is behandeld door beklaagde met de verklaring van H op voldoende wijze uiteengezet en aannemelijk gemaakt. Nu beklaagde geen verweer heeft gevoerd gaat het college er dan ook vanuit dat beklaagde klaagster op de wijze als door H aangegeven niet juist heeft behandeld. Nu beklaagde er op geen enkele wijze voor heeft gezorgd dat zij traceerbaar is, komt het niet voeren van verweer voor rekening en risico van beklaagde.
5.5 Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot het oordeel dat beklaagde niet heeft gehandeld zoals van een ‘redelijk bekwame en redelijk handelende’ tandarts mag worden verwacht. Beklaagde heeft aldus gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg aan klaagster had moeten geven. Hierbij past het opleggen van na te melden maatregel.
Maatregel
5.6 Het college overweegt met betrekking tot de op te leggen maatregel als volgt.
Beklaagde is ernstig tekortgeschoten bij de beugelbehandeling van klaagster. De behandeling
heeft plaatsgevonden zonder een degelijke diagnose, zonder een goed behandelplan en
zonder een begroting. Voorts is de wijze waarop zij haar administratie heeft bijgehouden
ondeugdelijk. Beklaagde is, zo is gebleken, plotseling met de noorderzon vertrokken.
Gelet op het feit dat beklaagde niet traceerbaar is, heeft zij zich willens en wetens
onttrokken aan haar verantwoordelijkheden tegenover klaagster (en haar overige patiënten)
en het college.
Daarbij komt dat heden door het college nog twee uitspraken zijn gedaan met betrekking
tot vergelijkbare klachten over beklaagde. Uit deze uitspraken blijkt dat in dit geval
geen sprake is van een incident. Beklaagde is in meerdere zaken tekortgeschoten in
haar diagnostiek en wijze van behandeling. Beklaagde heeft het vervolgens onmogelijk
gemaakt dat het college haar kan bereiken, zodat zij verantwoording aan de patiënt
en het college zou kunnen afleggen. Of beklaagde nog werkzaam is in de gezondheidszorg
is het college niet bekend. Door de procesopstelling van beklaagde heeft het college
geen inzicht gekregen in de persoon van beklaagde.
Het college acht dit alles dermate ernstig dat hierbij slechts de maatregel van doorhaling
past.
De ernst van het gedrag van beklaagde en de volstrekte onduidelijkheid van de situatie
waarin beklaagde verkeert vorderen in het belang van de bescherming van de individuele
gezondheidszorg, bij wijze van voorlopige voorziening, de schorsing van de bevoegdheid
de aan de inschrijving verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor ten hoogste één
jaar, totdat de beslissing tot doorhaling van de inschrijving onherroepelijk is geworden,
dan wel in beroep is vernietigd.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt op de maatregel van doorhaling van beklaagde in het BIG-register dan wel ontzegt
beklaagde, voor het geval zij op het moment van onherroepelijk worden van deze beslissing
niet is ingeschreven in het BIG-register, het recht om wederom in dit register te
worden ingeschreven;
- legt op bij wijze van voorlopige voorziening schorsing van de bevoegdheid de aan
de inschrijving verbonden bevoegdheden uit te oefenen, totdat de beslissing tot doorhaling
van de inschrijving onherroepelijk is geworden, dan wel in beroep is vernietigd
Aldus beslist op 18 maart 2022 door:
J. Brand, voorzitter,
E.C.L. Fritschij, M.M.L.F. Smulders en H.W. Luk, leden-tandarts,
J.C.J. Dute, lid-jurist,
bijgestaan door S.R.M.I. Roos-Bollen, secretaris.